Duitse adel komt voorzichtig thuis

Na de Duitse hereniging keerden de Zu Lynars terug naar hun landgoed in de oude DDR. Pas nu zijn ze er echt welkom....

Voor Rochus graaf zu Lynar (36) was de val van de Muur in 1989 een vreugdevolle, zij het tamelijk abstracte gebeurtenis. Hij woonde destijds in Portugal, waar zijn vader voor het chemieconcern Hoechst werkte. Duitsland was voor hem slechts het land van herkomst.

Nu, twintig jaar later, stelt hij vast: ‘Wat de Duitse hereniging betekent, hebben wij ondervonden.’ In 1991 werden het in de vroegere DDR gelegen stamslot Lübbenau en 4.500 hectare land aan de grafelijke familie gerestitueerd. Sindsdien hebben de Zu Lynars hun leven in dienst gesteld van het familiebezit en de waarden die er voor hen aan zijn verbonden.

Tot de Wende vertegenwoordigde het Slot Lübbenau voor de jongere telgen van de familie hooguit een ‘vage melancholieke’ waarde. Ze kenden de gele foto’s en de oude verhalen – hoewel ze daar niet overdreven veel belang in stelden. En ze waren op de hoogte van de omstandigheden die in 1944 tot de onteigening van het landgoed hebben geleid.

Rochus’ grootvader, graaf Wilhelm Friedrich (‘Wilfried’) Rochus zu Lynar (1899-1944) was betrokken bij de mislukte staatsgreep van 20 juli, en werd hiervoor ter dood veroordeeld. Zijn twee oudste zoons, die in het leger dienden, werden gedegradeerd en op ‘Himmelfahrtskommando’ naar het Oostfront gestuurd (waar de oudste sneuvelde).

Rochus groeide op in het vage besef dat hij ‘een ereplicht’ tegenover zijn grootvader te vervullen had, en dat diens nagedachtenis ‘in stilte verzorgd’ moest worden. Tastbaar was deze nalatenschap echter niet meer. De Duitse hereniging leek daar aanvankelijk ook geen verandering in te brengen. Om aan uitputtende juridische procedures te ontkomen, had de Bondsrepubliek bepaald dat ‘gesocialiseerde’ landgoederen niet aan de oorspronkelijke eigenaren (of hun nazaten) zouden worden gerestitueerd. Het Slot Lübbenau vormde echter een uitzondering op die regel, omdat de onteigening al tijdens het Derde Rijk haar beslag had gekregen.

Actief tegengewerkt door de Treuhandanstalt, de organisatie die de privatisering van staatsbezit van de DDR organiseerde, hebben de Zu Lynars hun familiebezit – of wat daar na veertig jaar wanbeheer nog van over was – herwonnen. ‘Voor de oudere generatie was dat een ereplicht tegenover graaf Wilfried’, zegt Rochus. ‘Wij, de jongeren, hebben die beslissing nooit ter discussie gesteld. Hoewel we vanaf dat moment ons leven niet meer in vrijheid konden inrichten.’

In het najaar van 1990 brachten Rochus’ ouders, Guido en Beatrix zu Lynar, een eerste inspectiebezoek aan het gehavende slot. ‘In de nadagen van de DDR was er een hotel in ondergebracht, maar de bedrijfsleidster wilde mijn ouders niet ontvangen. Uiteindelijk heeft een receptioniste hen ’s avonds heimelijk rondgeleid. De Zu Lynars kwamen na een afwezigheid van bijna vijftig jaar dus terug als dieven in de nacht.’

De bevolking van Lübbenau reageerde niet hartelijker. ‘Men had drie zwaarwegende bezwaren tegen ons: we kwamen uit het Westen, we waren van adel, en we hoefden niet voor het slot te betalen.’ Vader Guido stelde zich in op een ijstijd van zeven jaar. Deze duurde echter veel langer. ‘Mijn ouders ontvingen onaangename telefoontjes en lompe dreigbrieven. Mijn jongste broer, die een dorpsschool bezocht, was volkomen geïsoleerd. Plaatsgenoten die ons niet meden, kregen daar in eigen kring moeilijkheden mee.’

Achteraf heeft Rochus wel begrip voor de ondergane animositeit. ‘De nieuwe stadsdelen van Lübbenau worden overwegend bevolkt door mensen die hun brood verdienden in de winning van bruinkool. In DDR-tijden behoorden ze tot de elite, na de Wende bleek hun levenswerk opeens niets meer waard te zijn. Het is niet zo gek dat hun wrok zich op de veronderstelde winnaars van de Wende richt.’

De Zu Lynars op hun beurt waren zo onverstandig om voor de exploitatie van hun slothotel vooral West-Duitse bedrijfsleiders in te huren. Afgezien van het feit dat deze – op één uitzondering na – niet goed functioneerden, hebben ze de DDR-ressentimenten tegen de ‘Wessi’s in het kasteel’ aangewakkerd.

Toen Rochus in 2001 – niet gehinderd door enige horeca-ervaring – de zakelijke leiding van het hotel op zich nam, was de stemming onder het personeel ‘miserabel’ en was nog geen boekjaar met winst afgesloten. ‘Nu hebben we uitsluitend nog mensen uit de buurt in dienst, en schrijven we zwarte cijfers.’

In de salon, bij de open haard die door een werknemer geregeld van nieuw brandhout wordt voorzien, telt de graaf in een luie stoel zijn zegeningen. ‘Het personeel geeft blijk van een ontroerende betrokkenheid bij het bedrijf. Onlangs stelde een van onze mensen voor om gezamenlijk aan de lotto mee te doen, en een eventuele winst in de bouw van een nieuwe vleugel te investeren. Ik was daar echt door geroerd.’ Omgekeerd neemt hij ‘zijn’ Oost-Duitsers in bescherming tegen de hardnekkige vooroordelen van West-Duitse vrienden en familieleden.

De onttroonde elite van de DDR ziet er wel streng op toe dat de invloedssfeer van de familie Zu Lynar zich niet te ver buiten het eigen domein uitstrekt. Zo verijdelde de postcommunistische partij Linke een poging om een straat naar graaf Wilfried te vernoemen.

Diens kleinzoon Rochus heeft niet de illusie dat het reëel bestaand socialisme van de DDR dood en begraven is. ‘Mijn vader, die nu 76 jaar is, zal hier nog wel sterven. En ik misschien ook nog wel. Maar als je ziet hoe snel in tijden van crisis de invloed van de staat groeit, zou het me niet verbazen als mijn kinderen opnieuw onteigend zullen worden.’

Meer over