Duinviooltjes

'Heb je er helemaal geen foto's meer van?', bedel ik bij mijn vaders geordende diadozen...

Marja Sjouken en Zuidlaren

'Waarvan dan.'

'Nou, van de berg of van de rotsen of van het meertje.'

'Het meertje', lacht hij, 'dat was geen meertje hoor.'

'Wél waar, weet je nog dat wij op een zondagmorgen bij het meertje in het zand hebben gelegen en dat jij toen zei, wij gaan vandaag niet naar de duinen, we hoeven alleen maar de straat over te steken? Het was zo'n warme zondag vol kerkklokken en leeuweriken, er groeiden zelfs duinviooltjes bij het meertje.'

'Wat zeg je dat mooi.' Hij sluit even zijn ogen. 'Duinviooltjes, je was pas vijf toen we hier kwamen wonen, je hebt altijd al veel fantasie gehad.'

'Het is geen fantasie hoor, ik wéét alles gewoon nog. Vraag maar, vraag maar over vroeger.' Mijn vader staat op en duwt voorzichtig de vitrage opzij. Beneden ligt de gemeenschappelijke tuin tussen de vier lagen flatgebouwen. 'Vraag maar', zeg ik opnieuw.

'Helemaal linksboven', begint mijn vader, 'weet je nog wel wie daar woonden?' 'Joke', zeg ik meteen, 'met dat broertje met dat rode haar, hij wilde altijd voorzitter van de brandnetelclub worden. En daaronder Leo en Gijsje-met-de-tandjes, die heeft op een woensdagmiddag mijn cowboypistool afgepakt. Hij zei dat ie het bij de rotsen had begraven, maar ik heb het nooit meer gevonden.'

'De rotsen', komt mijn moeder erbij zitten, 'dat waren toch die grijze kapotte rioolbuizen? Ik was altijd bang dat je er af zou vallen.'

'En op driehoog daarnaast woonde Dikkie', ga ik verder, 'die is nog eens van het balkon gevallen. Op zo'n stormachtige herfstmiddag, dat je kon blijven rennen zonder moe te worden. We zijn later met z'n allen z'n petje nog bij zijn moeder gaan brengen. Er zat allemaal bloed op. Sensatie.'

'Het is anders helemaal goed gekomen met Dikkie, hoor', zegt mijn moeder, 'we speelden altijd canasta met zijn ouders. Zijn vader was onderwijzer, weet je nog? Zullen we een kopje thee nemen?'

Even later staan we op het keukenbalkon, vroeger mondriaangeel, nu grijs bemost. Heel in de verte, achter de berg, de rotsen en het meertje, waarvan nu niks meer te bekennen is door de kantoorgebouwen en de constante autostroom, zagen we veertig jaar geleden twee reeën in het schemerige weiland.

'Je kon hier bij westenwind de zee ruiken, weet je nog wel?' Mijn vader knikt. Ik zie aan zijn gezicht dat hij de haastige voorbijgangers en fietsers onder ons eigenlijk niet ziet. 'Ken je nou nog iemand van al die mensen?', vraag ik. Ik voel dat ik even moet slikken. 'Nee, niemand', zegt hij zacht.

Meer over