Duchamp voor dummies

De gedachte dat het niet goed gaat met de kunst, woekert al ruim een jaar. Het is een slecht debat, vindt Domeniek Ruyters, criticus voor de Volkskrant en hoofdredacteur van Metropolis M....

Domeniek Ruyters

Happy Chaos Kunst. Een avond vol debatten en evenementen met de oeverloosheid van de hedendaagse kunst als onderwerp. Hoe het huidige veelstromenland van de kunsten in te dammen en te kanaliseren? Het breed opgezette debat afgelopen zondag met discussies in het Amsterdamse Felix Meritis bleek geen succesformule. Het was te saai voor de ingewijde en onnavolgbaar voor de leek. 'De kunst is te braaf', schreeuwde PvdA-Kamerlid John Leerdam nog, in een poging de matte stemming te doorbreken. Maar het was al te laat. Het jonge publiek kletste inmiddels vrolijk dwars door alles heen, wachtend op de ware reden van hun komst: de disco na afloop. Kunst als het suffe voorprogramma voor een dansavond. Is er een treffender wijze om de crisis in de kunst te illustreren?

Crisis of geen crisis, het is de hamvraag van een zich inmiddels al bijna een jaar voortslepend debat in de Nederlandse kunstwereld. De grote aanstichter van dit alles is Rutger Wolfson, directeur van De Vleeshal, die het debat in januari 2003 opende met een boekje onder de Pim Fortuyn-achtige titel: Kunst in Crisis. In de inleiding van deze bundel essays van een aantal gerenommeerde curatoren en critici uit de Nederlandse kunst en vormgeving trok hij fel van leer tegen de kunstwereld die niet voldoende oog zou hebben voor in zijn ogen gelijkwaardige culturele fenomenen van buiten de kunst. Zijn stelling kwam er ongeveer op neer dat in de reclame, de straatcultuur en de media minstens zoveel interessante en mooie beelden en ideete vinden zijn als in de kunst. Maar de kunstwereld wil er niet aan en houdt de deuren op slot.

Sinds de publicatie is Wolfson zo ongeveer continu on tour om zijn visie te promoten. Interview na interview, commentaar op commentaar, debat na debat. Wolfson is een hype. En zoals met alle hypes mag je verwachten dat hij binnenkort voorbij is.

Zover is het nog niet. Juist de laatste maanden zijn er verschillende critici geweest die geprobeerd hebben een bijdrage te leveren aan het door Wolfson verkondigde crisisgevoel met brutale stukken vol neoconservatieve beweringen over hoe slecht de actuele kunst eraan toe is. Hans den Hartog Jager was de laatste in lijn met een kritisch stuk over de opmerkelijke populariteit van fotografie in de Nederlandse kunst van dit moment. In NRC Handelsblad noemde hij fotografen 'luie schilders' en werd onmiddellijk ter verantwoording geroepen op een debatavond in De Balie, alwaar een publiek van bijna louter fotografen klaar zat om hem publiekelijk te scheren en met pek en veren te besmeuren. De Vlaming Frank Van de Veire ging de NRC-criticus voor. In verschillende media publiceerde de kunsttheoreticus een ietwat stoffig aandoend manifest tegen de actuele kunst, die hij modieusheid, slappe knieen halfhartigheid verweet. Vooral die kunst die ook nog eens pretendeerde geageerd te zijn. Ook hij kreeg ervan langs in talloze ingezonden stukken. Tel hierbij de tweestrijd tussen Anna Tilroe (NRC Handelsblad) en Rutger Pontzen (de Volkskrant) over het al dan niet noodzakelijke afgeschermde milieu van kunst en een pleidooi voor de kunst en tegen Wolfson van kunstenares/critica Pam Emmerik en het beeld is aardig compleet.

Na een jaar discussin kunnen we vaststellen dat de discussie over de staat van de kunst in de hedendaagse beeldcultuur geen millimeter is opgeschoten. Dezelfde sprekers slaan elkaar om de oren met min of meer dezelfde argumenten. En wij, de toehoorders die de verschillende etappes trouw hebben gevolgd, kunnen alle opinies inmiddels wel dromen. Het ergste van al is dat het debat inmiddels is verworden tot een vuilstort van alle mogelijke onderbuikgevoelens jegens kunst, kunstenaars, kritiek en musea. Het begint gevaarlijke populistische trekjes te vertonen.

HappyChaos Kunst luidde wat dat betreft een nieuwe fase in. Een die als dat zo doorgaat ronduit zorgwekkend voor de kunst genoemd kan worden. Men wilde het debat verbreden en openen voor het grote publiek en nodigde daarom niet alleen direct betrokkenen uit die het debat al enige tijd voeren, zoals critici en kunstenaars, maar ook relatieve buitenstaanders als politici en een enkele beroepsprovocateur. Het resultaat was weinig hoopvol en riep reminiscenties op aan mindere tijden uit de recente politieke geschiedenis.

Wolfson is geen Fortuyn. Zijn boek is te elitair en te weinig provocatief voor een echt groot publiek debat, maar toch is hij er op z'n Fortuyns verantwoordelijk voor iets op gang te hebben gebracht waar hij bij gebrek aan een goed doordacht standpunt onmiddellijk de controle over heeft verloren. Net als bij Fortuyn is de geest uit de fles en die begint steeds groteskere vormen aan te nemen. Menigeen grijpt nu, in lijn met Wolfsons crisisbeeld, de kans om 'te zeggen wat ze denken', en schaamteloos te fulmineren op kunst, die duur en onbegrijpelijk zou zijn, elitair en onnuttig.

Zo bood HappyChaos alle ruimte aan de fervente Pim-aanhanger Theo van Gogh, die in de populistische rol die we van hem kennen onder de vraagstelling 'Dat kan mijn kleine neefje ook', de kunst en meer speciaal kunstenaar Erik van Lieshout belachelijk mocht maken. Dreinerig als een klein kind, klaagde Van Gogh bij elke uitspraak van Van Lieshout: 'wat is dat. . . snap ik niet. . . ik snap het nog steeds niet'. Aan het eind van het moeizame gesprek werd door Van Gogh volgens goed neoliberaal gebruik de subsidiesector op de hak genomen en als megaproducent van de Nederlandse kunstsector verantwoordelijk gemaakt voor alle zielloze en onbegrijpelijke elitaire ellende in de hedendaagse kunst.

Het zal zo'n vaart niet lopen met de riedel van Van Gogh, maar toch geeft het aan dat er gevaarlijk spel gespeeld wordt met dit almaar populistischer wordende debat. Dat wat begon als een intellectueel bedoelde aanval op de scheiding tussen kunst en overige vormen van beeldcultuur, is aan het uitmonden in een totale zelfdestructie van de kunst en de kunstwereld, die elkaar kennelijk hoe langer hoe minder weten te waarderen.

De teneur op HappyChaos was daar in ieder geval naar: kunstenaars schreeuwden tevergeefs om begrip omdat ze niet in staat blijken hun eigen werk op een goede manier over het voetlicht te brengen. Critici zeiden op hun beurt tegen de kunstenaars dat ze die aandacht niet bij hen maar bij de gewone man op straat moesten halen en curatoren bleken ondertussen liever naar reclamespotjes dan naar kunst te kijken. Is dit werkelijk de stand van de kunst in Nederland?

Tijd voor enige nuancering. De dagopener van HappyChaos, directeur Ann Demeester van kunstenaarsinitiatief W139, deed een poging door in een kunsthistorisch betoog aan te geven hoezeer niet de kunst of de kunstenaars in crisis zijn, maar vooral de kunstbemiddelaars. Zij blijken niet in staat hun beoordelingscriteria aan te passen aan de nieuwste ontwikkelingen in de kunst en dus hun rol als bemiddelaar naar behoren uit te oefenen. Demeester stelde dat sinds Marcel Duchamp met een pisbak (Foutain, 1913) aantoonde dat alles kunst is wat de kunstenaar als zodanig in een kunstcontext plaatst, het publiek het spoor bijster is. Het grote publiek wil geen kunst die alleen maar 'zegt' dat ze kunst is, het wil kunst die er ook als kunst 'uitziet'.

Het is spijtig voor de massa, maar kunst is voor een groot deel een inhoudelijke aangelegenheid, hoezeer de Nederlandse onderbuik ook volhoudt dat kunst iets louter visueels moet zijn. Volgens Demeester zouden curatoren en critici er goed aan doen met meer overtuiging uit te leggen wat kunst is, juist omdat het verschil tussen kunst en het gewone leven opgeheven lijkt. Demeester had het over een nieuw canon, waarmee de mensen een stel regels aangereikt zouden krijgen om daarmee te kunnen vaststellen of iets kunst is of niet. Een soort 'wat is kunst, in vijf vragen' of beter, 'Duchamp voor dummies'.

Het lijkt me wat al te hoopvol om te denken dat dat wat kennelijk in geen honderd jaar is gelukt, met wat betere bemiddeling wel bereikt kan worden, maar verder was Demeesters betoog een behartigenswaardige poging het crisisdebat enig artistiek-inhoudelijk perspectief te geven. In feite gaf ze een aantrekkelijk zicht op de bijzonderheid en nuance waar kunst voor staat en die laat zich niet in populistische oneliners samenvatten.

De Duchamp-referentie is ook om een andere reden van belang. Zij geeft aan hoezeer het crisisdebat over de positie van kunst in de beeldcultuur in feite een schijndebat is. Het idee dat er een kunstwereld is en een domein daarbuiten, waar kunst ook nog kunst kan zijn, is een vergissing. Kunst is alleen kunst in een kunstcontext, in een artistieke omgeving, echt of virtueel, waar ze zich toe verhoudt en uitspraken over doet.

Daarbuiten stelt kunst misschien van alles voor, maar in ieder geval geen kunst. Het is Duchamp die dat met zijn pissoir heeft aangetoond. Een kunstwerk is geen inherente kwaliteit van een beeld, maar een toegevoegde waarde, afhankelijk van de manier waarop dat beeld wordt ingezet en hoe het functioneert. Omgekeerd geldt overigens hetzelfde, zowel bij pissoirs als bij reclamebeelden of familiekiekjes. Die beelden kunnen mooi zijn of lelijk, maar ze zijn pas kunst als ze door een kunstenaar worden ingezet om kunst te zijn. Dat mag vervelend zijn, en soms lastig te begrijpen, maar zo is het nu eenmaal. We kunnen moeilijk de ontwikkeling in de kunst van de laatste honderd jaar overslaan.

De discussie loopt ten einde. Wellicht mag Wolfson of een andere deelnemer in het crisisdebat nog een keertje ergens komen opdraven, maar als de schijn niet bedriegt, heeft de kunst zich inmiddels verder ontwikkeld. In meerdere opzichten ademt de Wolfsondiscussie de geest van de late jaren negentig van de vorige eeuw, toen Nederland in de ban was van cultureel ondernemerschap en langzaam maar zeker werd doordrongen van de omvangrijke consequenties van de mediamaatschappij.

Er verschenen boeken als The Experience Economy van James Gilmore en Joseph Pine, waarin beschreven werd hoe culturele waardes de economie zouden gaan domineren. Kunst, ervaringsdeskundige als ze is, rekende zich rijk en dacht als roerganger voorop te kunnen lopen in die ontwikkeling. Maar ze zag ook direct problemen op haar weg. Want als culturele waardes de economie gaan bestemmen, dan betekent dat ook dat het verschil tussen kunst en andere economische sectoren kleiner wordt. Dezelfde makers zijn in meerdere werelden actief, zij het binnen de kunst met veel minder geld dan daarbuiten, met alle kwalitatieve consequenties vandien. Wolfsons discussiestuk speelt direct in op deze achtergrond, die hij behalve in het boek ook in De Vleeshal, waarhij directeur van is, illustreerde met een met veel tamtam aangekondigde tentoonstelling van de beroemde reclame-en clipregisseur Chris Cunningham.

Inmiddels zijn we een paar jaar en een recessie verder. Over cultureel ondernemerschap wordt nauwelijks meer gesproken en vorige week verklaarde Pine de experience economy definitief voor mislukt. In de ogen van Pine gaat het in de toekomst niet meer om 'experience', maar om 'kwaliteit'. Met kwaliteit bedoelt Pine een zinvolle bijdrage aan de kwaliteit van leven. Het publiek wil niet meer vermaakt worden, het wil zichzelf beter gaan voelen. Inhoud is het nieuwe ding, zoals gezondheid en educatie.

Pine's opinie is niet heilig. Hij is tenslotte ook maar een trendwatcher die om den brode wat trends definieert, maar het geeft wel aardig aan hoe de ontwikkelingen in de wereld doorgaan, wellicht ook met consequenties voor de culturele wereld. In het licht van Pine's kwaliteitsdiscussie is het wellicht niet geheel toevallig dat er in de jongste kunst tendensen zijn waar te nemen die wijzen in de richting van een herwaardering van een meer op de eigen traditie ge kunstdiscours.

De kunst en de kunstgeschiedenis worden bij wijze van spreken herontdekt. Of die bewegingen werkelijk doorzetten, zal de tijd leren, maar dat Disney en MTV al lang niet meer het model zijn waarnaar de kunst met afgunst kijkt, is een ding dat zeker is. Ik zou zeggen, nog een maandje of twee en niemand neemt het woord crisis nog in de mond.

Meer over