Dronrijp

Als de trein weggereden en het gerinkel van de spoorwegovergang is stilgevallen, blijk ik als enige te zijn uitgestapt op station Dronrijp....

Ruim boven het maaiveld schuift langzaam het zeil van een oude tjalk voorbij. Het is onmogelijk op een dag als deze niet verliefd op Friesland te zijn.

Na twintig minuten bereik ik het dorp, waar op het centrale plein de deftig geklede schilder Sir Laurence Alma-Tadema, zijn palet als een wetboek tegen de borst geklemd, ietwat bezorgd vanonder zijn knevel voor zich uit kijkt. Het is kermis in Dronrijp en dat betekent van oudsher kaatsen.

Omdat ook de kaatssport de eenentwintigste eeuw in moet worden gesleurd, heeft de bond onder het motto Yn `t fjoer fan it spul een reeks van zes bijzondere vrije-formatiewedstrijden bedacht. De eerste in deze zogenaamde Boppeslach-serie is geen andere dan de traditionele kermispartij te Dronrijp. De organiserende vereniging heet Sjirk de Wal en gaat terug tot 1893. De wedstrijd is vernoemd naar Eise Eisinga, die nog verder teruggaat.

Het publiek, dat in de loop van de dag zal aangroeien tot een man of duizend, is in hemdsmouwen. Veel mannen dragen een platte witte zomerpet. Fries is de voertaal, ook bij de speaker. Ik ga achter een stel veteranen staan, die uitermate druk in gesprek zijn, maar wie, zo blijkt al snel, weinig van het spel ontgaat. Als na een onduidelijk afgelopen slagenwisseling haspel en meetlint eraan te pas moeten komen, roepen ze dat je het zo wel kon zien en voorspellen het resultaat van de meting. Ze hebben keer op keer gelijk.

Een gebruinde venter begroet de mannen quasi-onderdanig als `de prominenten' en meldt dat hij straks langskomt met een doos met ijsjes. `Ze kosten haast niks', kondigt hij alvast aan. `Inkoop bedoel je zeker,' kaatsen de prominenten geroutineerd terug.

Gerard van Westerloo tekende in zijn boek Voetreiziger uit de mond van Piet Jetze Faber op dat het Friese publiek een kaatskoning hartstochtelijk toejuicht en vervolgens hoopt dat hij de volgende partij verliest. En zo is het. Favoriet en winnaar van de partij van het vorig jaar is het partuur dat bestaat uit Pieter van Tuinen, André Kuipers en de rossige reus Chris Wassenaar, ringetje in het linkeroor. De laatste won toen ook de Sulveren Sinnewizer (dat krijg je als je een planetarium als naamgever hebt). De vedetten komen in de eerste ronde meteen achter, vechten terug, lijken het alsnog te gaan halen, maar hun tegenstanders Rinia, Nijman en Feenstra geven niet op. De telegraaf, die prachtige houten wegwijzer waarop met behulp van balletjes en bordjes de stand wordt bijgehouden, hangt vol. Als de beslissende opslag komt, sterft alle geroezemoes weg en valt er een zinderende stilte over het terrein. Dan sneuvelen de kampioenen onder luide bijval.

Uit de keuken van het bûtshûs (ter adstructie: bûtse betekent meppen of slaan, maar in een bûthûs wordt vee gestald) verschijnt een stevige vrouw met een dienblad met soep. Ze loopt het veld op en voorziet alle lijnrechters van een kom. Een van hen rolt er maar meteen een sjekkie bij. Ook de fanfare Kunst en Genoegen begint zomaar te spelen. Het kaatsen gaat ondertussen rustig door.

Meer over