Dromerige leerling-tovenaar HET VERLOREN ARCADIE VAN WILLIAM BUTLER YEATS

ZIJN VERZAMELDE gedichten mogen dan beginnen met de regels 'The woods of Arcady are dead,/ And over is their antique joy', de levensgeschiedenis van de Ierse dichter William Butler Yeats is er een die gekenmerkt wordt door een nooit aflatend streven dat Arcadië terug te vinden of het desnoods zelf...

MICHAEL ZEEMAN

Vanouds heeft de wereld zich met dromen gevoed, maar inmiddels gaat het om de grijze waarheid: het is een sombere diagnose, waarvan in elk geval vaststaat dat ze op geen enkele wijze van toepassing is op de man die haar stelde. Want wat je voor de rest ook aan onderling strijdige oordelen over Yeats' levensgeschiedenis kan vellen, dat ze grijs was, wil er bij niemand in. En ook wat die dromen betreft stond hij zijn mannetje: vol overtuiging van hun geldigheid en gewicht heeft hij ze niet alleen gedroomd, maar ze ook onderzocht, uitgebuit en in talrijke gevallen zelfs gestalte gegeven.

Laat in zijn leven was het zijn vrouw die opmerkte dat Yeats als geen ander over het vermogen beschikte het effect te zien van zijn handelingen en schrijfsels, het effect op lange termijn. Het was alsof hij met ieder individueel gedicht of toneelstuk laboreerde aan het geheel van zijn oeuvre, alsof hij niet zozeer schreef als wel bezig was zijn verzamelde werken samen te stellen. En terwijl zijn omgeving en zijn lezers zich soms verwonderd afvroegen waar het heen moest met dit of dat nieuwe boek of stuk, bleek het naderhand een volkomen natuurlijke plaats in zijn werk in te nemen. Yeats schijnt dat allemaal van tevoren te hebben geweten. Hij bouwde een oeuvre en een geschiedenis, waarbij de vormgeving van zijn eigen levensverhaal niet de geringste van zijn ambities was.

Met zijn Autobiographies, waarvan het eerste deel in 1916 verscheen, heeft hij de redactie van die persoonlijke geschiedenis duchtig ter hand genomen. Hij ordende zijn eigen verhaal, hij plaatste zelf de accenten en bepaalde hoe de verbanden gezien moesten worden, en doordat hij daar betrekkelijk jong mee begon, overschaduwt zijn autobiografie gemakkelijk het werk van zijn biografen.

Maar zijn met een gezonde hang naar biografisme toegeruste lezers hebben geluk gehad: in 1948 kreeg Yeats de scherpzinnige en doortastende biograaf die hem toekwam, Richard Ellmann, de man die later nog veel beroemder zou worden met zijn biografieën van Joyce en Wilde. The Man and the Masks heette diens boek, want Ellmann liet zich niet voor de gek houden, en toen hij er zes jaar later nog eens op terug kwam ging het zelfs om The Identity of Yeats. Ellmann was de rechercheur die Yeats op heterdaad betrapte, hij puzzelde hem te voorschijn uit zijn werk.

Een schrijver die zijn eigen levensgeschiedenis schreef en die bovendien al betrekkelijk snel na zijn dood (Yeats stierf in 1939), talrijke directe getuigen nog in leven, een superieure biograaf kreeg: dat plaatst iemand die het een halve eeuw later nog eens wil proberen voor aanzienlijke problemen. Of de Ierse historicus Roy Foster, die tien jaar na Yeats' dood en een jaar nadat Ellmanns boek verscheen geboren werd, die allemaal gaat overwinnen, kan nog niet worden gezegd, want voorlopig hebben we alleen nog maar het eerste deel van zijn W.B. Yeats: A Life, met als ondertitel The Apprentice Mage.

Maar dat het terecht is dat er een nieuwe biografie verschijnt en dat Foster bovendien gegronde redenen had om te denken dat hij die moest schrijven, staat na lezing van dat eerste deel wel vast. Hij is een historicus, die al twee grote geschiedenissen van Ierland op zijn naam heeft staan. Van de maskers van de man trekt hij zich weinig aan, want hij plaatst hem vooralsnog met de trefzekerheid van de gedisciplineerde historicus in zijn tijd en te midden van de grote geestelijke en maatschappelijke stromingen van die tijd. Hij weet dat iemand het product is van zijn afkomst en zijn omgeving, ook al is die iemand een geniaal dichter of leert hij voor tovenaar.

Yeats is, wat hem betreft, in essentie een Ier van protestantse komaf, die gevormd werd door de zeer onderscheiden familietradities van zijn vaders- en zijn moederskant en die schrijvend en denkend, dichtend en dromend, een houding heeft moeten bepalen ten opzichte van twee vragen: hoe ver is dat Arcadië uit dat eerste gedicht en hoe reëel is het dat als verloren te beschouwen?

Dat ziet er, zo geformuleerd, krankzinniger uit dan het in werkelijkheid is - al is het ook in de werkelijkheid van Yeats' leven bij tijd en wijle achteraf beschouwd al tamelijk krankzinnig. Maar doordat het verschil tussen de biografie van Ellmann en die van Foster erin ligt dat de eerste het leven van de dichter Yeats in kaart bracht, en zijn jonge collega zich op de historische persoon concentreert, wordt de eigenaardigheid van Yeats ingebed in de eigenaardigheid van zijn tijd - ruwweg de melancholie van het fin-de-siècle en de dromerigheid van de wittebroodsjaren van de twintigste eeuw, de lichte tijd van voor de Eerste Wereldoorlog.

Crossways: de dichter wist het kennelijk inderdaad al toen hij eraan begon, 'of all the many changing things (. . .) words alone are certain good'. Eerste strofe van hetzelfde eerste gedicht, waarin het even later een 'plotseling opvlammend woord is' dat de eindeloze rêverie komt verstoren.

Het pad van de negentiende eeuw, waar Yeats' geschiedenis diep in geworteld was, kruiste dat van de twintigste, die daar steeds minder mee te maken wilde hebben, het pad van het Ierse nationalisme dat van de Engelse hegemonie, dat van de toekomstvisioenen kruiste het pad van het zich overgeven aan dromerij over het magische en mythische Keltische verleden - en zo kan je nog wel even doorgaan. Er kruist in Yeats' leven elkaar zoveel dat de constructies die Rijkswaterstaat tegenwoordig voor het wegenverkeersnet bedenkt er kinderspel bij zijn.

0 N DIE EERSTE periode zijn het drie vrouwen die de dagelijkse dynamiek van Yeats' leven bepalen, Madame Blavatsky, Maud Gonne en Lady Augusta Gregory - zijn depressieve, in zichzelf gekeerde moeder laat Foster de freudianen, en de vrouw met wie Yeats uiteindelijk zou trouwen, Georgie Hyde Lees, ontmoette hij weliswaar voor het eerst in 1911 en dus binnen de periode die dit boek bestrijkt, maar dat huwelijk zou nog tot 1917 moeten wachten en voor haar doorslaggevende invloed op de oudere Yeats moeten wij daarom wachten op het tweede deel van Fosters boek.

The Apprentice Mage, de leerling-tovenaar: een even dromerige als zelfverzekerde Ier te midden van drie vrouwen, van wie een apart onderzoek zou moeten uitmaken wie er de malste van was, de trol Blavatsky, de revolutionair Maud Gonne of de mythomane Gregory. Yeats vond in Maud Gonne zijn muze en de vrouw van zijn verlangen - en dat is, voor wie de portretten van de drie kent, ook een eeuw later nog alleszins te billijken - en bevredigde in de toentertijd door het ijveren van Madame Blavatsky ook in de Engelstalige wereld rap aan populariteit winnende theosofische beweging zijn hang naar het bovenaardse, terwijl hij bij de deftige Lady Augusta Gregory zijn hart kon ophalen aan het Keltische Arcadië.

In alledrie werd zijn privé-geschiedenis op een wat geheimzinnige manier deel van een veel grotere geschiedenis, en leken zijn particuliere bekommernissen daardoor aan geldigheid te winnen. Zo klein of liever gezegd: zo petieterig als ze waren, boetten ze in aan narcisme en egocentrisme doordat ze in een weidser, onpersoonlijker perspectief werden geplaatst. Toen Yeats ze vervolgens in zijn poëzie weer privatiseerde, verschaften ze zijn gedichten hun grote zeggingskracht: het was alsof hij het algemene persoonlijk maakte, terwijl hij vermoedelijk slechts aan het persoonlijke een zekere algemene geldigheid verleende door het in het perspectief van die brede en grote geschiedenis te plaatsen.

Dat laat zich het best uitleggen aan de hand van een voorbeeld. 'The Song of the Happy Shepherd', dat eerste gedicht, of 'The Sad Shepherd', dat er direct op volgt, lijken wel evocaties van zo'n dromerige schapenhoeder in dat afmattende Ierse heuvellandschap, het lijken wel even droevige als lyrische verhandelingen over het mythologische Arcadië dat het heeft moeten afleggen tegen de grijze nieuwe tijd, maar het zijn natuurlijk gestileerde versies van particulier puberverdriet. 'My ancient burden' klinkt een stuk deftiger en verhevener dan 'liefdesverdriet', maar het is vanzelfsprekend gewoon hetzelfde. 'I will my heavy story tell/ Till my own words, re-echoing, shall send/ Their sadness through a hollow, pearly heart': kijk eens aan, ze voelde er niet voor.

Doordat deze verzen hun plaats kregen te midden van gedichten als 'Anashuya and Vijaya' en 'The Madness of King Goll', en ook overigens Yeats poëtische idioom zwanger gaat van Indische vaagheden en Keltische griezeligheden, ontstaat die uitvergroting. Daar is niets tegen - alle grote poëzie is ten slotte gebaseerd op het mythologisch maken van het persoonlijke - maar je moet er wel mee uitkijken.

Zeker als biograaf. Omdat het Foster niet in de eerste plaats om de dichter Yeats begonnen is, maar om de historische figuur en diens plaats in de laat negentiende-eeuwse Ierse onafhankelijkheidsbeweging en zijn persoonlijke bijdrage aan het toentertijd snel groeiende Ierse zelfbewustzijn, is hij ongevoelig voor Yeats' mythologieën - en al evenzeer voor diens eigen versie van de vormende jaren van zijn levensverhaal, zijn Autobiographies.

Hij geeft er de voorkeur aan te kijken naar de twee Ierse familietakken die in de persoon van William Butler Yeats bij elkaar komen, naar hun verschillende geschiedenissen en tradities. De stamboom waarmee hij zijn boek begint, wortelt nog net niet in Eden en hij zal misschien her en der in de zeventiende, achttiende en negentiende eeuw een Yeats of een Pollexfen over het hoofd hebben gezien, het is duidelijk dat hij meer op heeft met Yeats' feitelijke genenpudding dan met diens dromen en hang naar het mystieke.

0 ET GAAT HEM om de twee grote tradities die in het huwelijk tussen John Butler Yeats en Susan Mary Pollexfen samenkomen, en, in ruimer verband, om de vier lijnen die Yeats' ouders op hun beurt verenigen. Een familie van verarmde landadel en dominees aan de ene kant, een familie van energieke, ondernemende middenstanders, al even protestants, met op zondagavond een familieverhaal over uitgeweken Hugenoten, aan de andere.

Het is hem, anders gezegd, begonnen om een familie waarin verhalen en mythen over een verloren verleden, over een verloren Arcadië, hoe dan ook van doorslaggevende betekenis waren. Dat Arcadië lag soms ver weg - die Hugenoten horen bij een andere eeuw - maar was soms ook tastbaar dichtbij. De geschiedenis van John Butler Yeats, die was opgeleid om advocaat te worden, maar die net nadat hij getrouwd was besloot dat hij een kunstenaar was en zijn leven besteedde aan het aan elkaar knopen van niet bestaande of althans zeer rafelige eindjes, is er een van herinneringen aan een betrekkelijk welvarende familie en een praktijk van steeds meer hypotheken en gedwongen verkopingen.

Susan Mary Pollexfen kwam daarentegen uit een familie die gaandeweg steeds groter kon gaan wonen. De Pollexfens verdienden hun geld in de lichte industrie en in de stoomscheepvaart, in het westen van Ierland. Yeats' moeder had het gevoel boven haar stand maar beneden haar staat te zijn getrouwd.

Beide families wisten zich ten slotte diep geworteld in het Ierse leven, maar ze waren al eeuwen protestants en zagen de legitimiteit van hun Iersheid in het geding komen naarmate het Ierse nationalisme zich meer en meer verbond met het katholicisme. Voor beide families gold wat voor beide ouders tot in het extreme gold: vroeger was het beter.

En dus waren de mythen en dromen al geboren voordat de mythologiserende en dromende dichter zelf goed en wel verwekt was. Ze kregen toen hij opgroeide bovendien telkens opnieuw voedsel: tijdens de logeerpartijen bij de familie van zijn moeder, in het havenstadje Sligo, waar soms het gehele gezin Yeats enkele maanden werd bijgevoerd, in de afbrokkelende welvaart van de familie Yeats, die telkens opnieuw onroerend goed bij de bank of de veilingmeester moest inleveren.

Foster bedt dat Verfall einer Familie in in de opleving van het Ierse nationalisme, en zo komen er twee verledens samen in het 'vroeger was het beter', dat van een stelletje particulieren en dat van een volk. Arcadië krijgt er geduchte proporties door.

Helemaal nieuw is dat vanzelfsprekend niet: wie het lemma 'Yeats' in Margaret Drabble's The Oxford Companion to English Literature legt naast dat van Robert Welch in diens tien jaar later verschenen The Oxford Companion to Irish Literature had de bui al zien aankomen. Want daar staan respectievelijk een Engelse dichter en toneelschrijver naast een zelfbewuste Ier, die niet alleen vage theosofische clubjes en rozenkruisersverenigingen oprichtte, maar ook The Irish National Theatre en talrijke gezelschappen en instellingen die de Ierse zaak bepleitten.

The Apprentice Mage is veeleer de geschiedenis van een publieke figuur dan van een in zichzelf gekeerde dichter, een Man Behind the Masks. Natuurlijk is het ook Foster erom begonnen diens persoonlijke drijfveren bloot te leggen, maar zijn Yeats is meer dan een minnaar van verschillende muzen. 'A woman's beauty is a storm tossed banner', schreef Yeats in een van zijn laatste gedichten. Die banier, dat militante beeld, staat er niet voor niets: hij wist waar hij het over had.

Michaël Zeeman

R.F. Foster: W.B. Yeats: A Life. Volume 1: The Apprentice Mage.

Oxford University Press, import Nilsson & Lamm; 640 pagina's; ¿ 87,-.

ISBN 0 19 211735 1.

Meer over