Drijvende kracht achter de Nederlandse letteren

Als er één onderwerp is dat voor Nederlandse schrijvers schier onuitputtelijk lijkt te zijn, dan is het wel de ....

WILLEM KUIPERS

Lekker wippen, dàt is onontkoombaar de drijvende kracht achter de vaderlandse letteren op dit moment. Die indruk krijg je tenminste als je - zoals ik in de afgelopen week - de boeken leest van tal van minder bekende literaire goden, die door hun uitgevers met krachtige hand in de richting van het onwillige lezerspubliek worden geduwd.

Ik signaleerde hier al het werk van Hans Sahar, die door De Arbeiderspers als 'Haagse Marokkaan' of 'Marokkaanse Hagenaar' werd geafficheerd, zogenaamd om te laten zien dat zulke minderheden geenszins buiten de boot vallen als het om de hogere waarden van onze cultuur gaat, maar in feite natuurlijk omdat Sahar en zijn uitgever donders goed menen te weten waar de lezer in het huidige tijdsgewricht om schreeuwt: om seks!

Dat het ook anders kan bewees volgens mij de jonge Nanne Tepper, die eind september debuteerde met een lastig, maar mooi boek, De eeuwige jachtvelden, over een geïsoleerd gezin in het noorden des lands, waar een broer en een zus onontkoombaar in elkaars armen worden gedreven. Om de liefde te bedrijven, zoals dat heet, zeker, maar bij Tepper is deze incestueuze handeling geen doel op zichzelf; ze stáát ergens voor, iets wat in een uiterst poëtische toonzetting net zo lang wordt omspeeld totdat je als lezers méér ervaart dan wat ons in de Oprah Winfrey-show (of welk kletsprogramma dan ook) zo 'gewoon' wordt voorgeschoteld dat je je wel eens afvraagt hoeveel mensen tegenwoordig incest plegen alleen maar om op de tv te komen.

Hoe platter de afbeelding van de wereld in de massa-cultuur wordt gemaakt, des te meer ruimte ontstaat er, zou je denken, voor de literatuur. Want waarover valt er allemaal niet te schrijven? W. F. Hermans deed het over ruisend gruis, Willem Brakman over Don Quichotte in Scheveningen, Jan Brokken over een boeiende zeereis, Ludo Pieters over een . . . boeiende zeereis, Philip Markus over profetieën, Hendrickje Spoor over 'betere kringen' - de reden, legt haar vader, de oud-hoofdredacteur van NRC Handelsblad, in een knap interview met Hans Smits in Vrij Nederland uit, dat haar werk in Nederland nooit populair zal worden - en Peter Verhelst over de liefde.

De laatste bewees, net als Nanne Tepper, dat het kan, schrijven over de liefde zonder te vervallen in de vermoeiende variaties op het thema insteken en afglijden. En al die anderen, wier werk in de jongste tijd het licht zag? Herman Franke deed zijn best. Ook zijn boek, Nieuws van de nacht (Balans, ¿ 29,90), gaat over de liefde, de liefde van een man voor zijn vrouw, maar hij laat de journalist die hij in zijn epos opvoert zoveel eigentijds leed in zijn reportages boven water halen dat hij er zelf aan onderdoor dreigt te gaan.

Dat heeft niet met het overigens voor èchte journalisten nogal amateuristisch geschetste krantewerk alleen te maken, maar vooral met een trauma dat hij heeft overgehouden aan de (incestueuze) liefde van zijn moeder. Dat doet, nu incest zo'n topic is in de media-wereld, nogal obligaat aan, maar Franke toont voldoende gedrevenheid om Nieuws van de nacht niet tot een 'plat' verhaal te maken. Franke is criminoloog en publicist. Eerder schreef hij Weg van loze dromen, over de generatie van de jaren zestig.

Ook bij Carla Bogaards in Eigen vlees en bloed gaat het om de liefde. Haar hoofdpersoon lust er bij wijze van spreken wel pap van, maar Bogaards omgeeft de lustgevoelens van haar Donna Macha (zo heet die hoofdpersoon) veel meer dan Franke met een, deels in brieffragmenten, uitgesponnen familieverhaal, waarin vader en moeder (die elkaar 'pappie' en 'mammie' noemen in het bijzijn van de kinderen), broers, zusters en later de hele aangetrouwde santekraam hun rol spelen.

Donna Macha lijkt al vroeg aan die enge kring te ontsnappen, door te trouwen, te scheiden, kinderen te krijgen en weer andere mannen tot zich toe te laten, maar helemaal loskomen van haar eigen vlees en bloed doet ze niet. In feite herhaalt ze het leven van vroeger thuis door zelf een gezin te stichten, met dit verschil dat het bij haar gewoonweg een rotzooitje wordt. Dat wordt er niet beter op als Donna Macha, in haar hunkering naar de vleselijke liefde, zich laat inpalmen door een rijke pianohandelaar, die haar bijvoorbeeld, aanvankelijk tot haar nogal naïef aandoende genoegen, een kaars in haar vagina steekt, en met wie ze voor het eerst a tergo gaat.

Het zal aan mij liggen, maar ik vond deze Donna Macha zo'n ongelooflijke truthola - opgetrokken uit louter anti-burgerlijke clichés - dat ik het boek slechts met de grootst mogelijke moeite uitgelezen kreeg (Meulenhoff, ¿ 34,90).

Sjuul Deckwitz, Gelijk de zee, - van hetzelfde laken een pak zou ik haast zeggen, in de naijlende irritatie die Carla Bogaards bij me teweeg had gebracht, maar dat is toch niet helemaal waar. Deckwitz slaagt er wel degelijk in het 'rouwverwerkingsproces' waarin haar Franzisca na de dood van haar moeder is terechtgekomen zodanig in te kleden dat je geïnteresseerd blijft. De band die moeder en dochter hebben gehad wordt onnadrukkelijk genoeg verbeeld om sympathie met de alleen achtergebleven lesbiënne te krijgen, die vanwege haar moeder er maar niet in slaagde iets durends met haar vriendin Huberte op te bouwen. Pas als een collega van haar bij het Tropenmuseum, waar zij werkt, zichzelf verwondt en zij hem min of meer redt, weet Franzisca zich van haar rouw te bevrijden.

Deckwitz is geen erg meeslepende verteller en ondanks alle poëzie die zij in haar verhaal stopt (de titel van het boek is een verbasterde regel van P. C. Hooft) schrijft zij ook niet erg poëtisch. Maar in haar beperking is ze, hoe gewoontjes ook, geloofwaardig en dat lijkt me een verdienste. Zou het komen doordat zij de seks laat voor wat ze is? (Van Gennep, ¿ 22,90).

Ook in Sneeuw draagt geen vruchten, het debuut van Truus Roeygens, gaat het om de band van moeder en kind, van moeder en zoon. Met de wisseling van de seizoenen op de achtergrond, een Vlaamse quatro stazione, schetst Roeygens de broeierige verhouding die haar hoofdpersoon krijgt met haar zoon Wamt. De jongen is gek op zijn moeder en getuigt daarvan in zinnen, die je - poëtisch zou kunnen noemen, maar waarvan ik de porté vaak niet begreep. En als hij wel verstaanbaar spreekt, heeft hij het over 'de ontwikkeling van een positief zelfbeeld bij kinderen' en 'een functioneel assimilatievermogen' (Querido, ¿27,50).

'Alle gelukkige gezinnen lijken op elkaar, elk ongelukkig gezin is ongelukkig op zijn eigen wijze', schreef Lev Tolstoj al (de eerste zin van zijn Anna Karenina), en wie afgaande op het bovenstaande meent dat het in de Nederlandse literatuur onmogelijk nog over gezinnen kan gaan, maar hooguit over wat daarvan rest (terwijl de voortplanting tamelijk in de lucht is komen te hangen), heeft buiten de waard gerekend, in dit geval het jongere broertje van Joost Zwagerman, Alexander, die in De Heilige Geest laat zien dat in deze oversekste tijd het verlangen naar kinderen geenszins uitgeput is.

De jonge Zwagerman schept, om dit duidelijk te maken, twee onvervalst religieuze personages, uit Nijkerk of daaromtrent afkomstig, die weliswaar op uiterst moderne wijze het bed delen, maar de gedachte aan zwangerschap nooit uit hun hoofd zetten. Leon en Ruth krijgen ook een kind, David, en als zijn ouders het loodje leggen, lang nadat hun 'seksleven' is verzand, zet hij het gelovige leven van zijn ouders met andere middelen voort.

Veel seks, veel fouten ook in dit boek, veel onhandige zinnen, en vooral een verhaal van niks, terwijl de aantrekkelijke vermenging van de geslachtsdrift en de godsdienst toch een boeiende roman had kunnen opleveren, maar dan moet je wèl iets van godsdienst weten (Prometheus, ¿ 34,90).

Veel seks ook bij Stijn Aerden. Stijn Aerden is redacteur geweest van het Amsterdamse studentenblad Propria Cures, waar zo veel mensen hebben leren schrijven, zegt men. In het begin van Goochelaar (geen konijnen), zoals het debuut van Aerden heet, geeft hij niet de indruk veel bij PC te hebben opgestoken, maar misschien komt dat doordat hij het zich te moeilijk maakt. Goochelaar lijkt te beginnen als een ouderwetse roman over een familie, die haar rijkdom te danken heeft aan de vervaardiging van houten kozijnen (nee, géén konijnen). Gaandeweg richt Aerden zich op slechts één persoon in het familiale geheel, een buitenstaander, een jongeman die vanwege zijn liefde voor de dochter des huizes gevraagd wordt om mede-firmant te worden. En dan wordt het verhaal beter.

De deugniet, om wie het hier gaat, ziet het niet zitten om directeur kozijnen te worden. Voorwaarde is trouwens dat hij met de schone Marilse trouwt. Dat wil hij niet. Al houdt hij van Marilse, hij doet het ook graag met andere meisjes. Al die avontuurtjes van Christiaan dragen er sterk toe bij dat dit verhaal maar geen eenheid wil worden. Goochelaar moet het hebben van de anecdotes. Dat die soms wel geestig verteld zijn, en Aerden aan de hand daarvan duidelijk kan maken dat de Taugenichts Christiaan een gezonde afkeer van alle burgerlijkheid heeft, maakt dit debuut nog nèt genietbaar (Nijgh & Van Ditmar, ¿ 29,90).

Over wat goed is, kun je - gelukkig - kort zijn. Tachtig van Jaap Scholten vond ik een veel beter boek dan Goochelaar (geen konijnen). Nu weet ik wel dat lezen geen vergelijkend warenonderzoek is, maar in dit geval dwingt het onderwerp van de twee boeken die vergelijking af. Beide auteurs hebben het immers over een (jeugdige) onaangepaste, die niet opgesloten wil worden in het stamverband van zo'n familie. Bij Scholten is dat een telg uit een Twents textielgeslacht en in zijn geval krijgt die (vervallen) geldadel zoveel contour dat je je er niet alleen in kunt verplaatsen, maar ook het trieste einde van zo'n dynastie weerspiegeld ziet in het hopeloze lot van die ene nazaat, die bij vrouwen en drank in kroegen en op feestjes het leven, niet zonder humor, als volkomen uitzichtsloos ervaart. 'Het schijnt een regel te zijn: eerste generatie zet iets op, tweede generatie bouwt het uit, derde generatie richt het te gronde.' (Thomas Rap, ¿ 34,50).

Maar de erepalm van de week is wat mij betreft weggelegd voor Zonder wijzers van Russell Artus. Ook een familieroman (in verhalen), en eveneens niet gespeend van 'alcoholische en seksuele uitspattingen'. Wat Artus (een pseudoniem, het zou me niet verbazen als hij gewoon Verburgt of De Jong heet) met zijn 'onderwerp' doet, is voor een debutant van grote allure. Zonder wijzers roept het vroege werk van Adri van der Heijden (toen hij nog Patrizio Canaponi heette) in herinnering: een wereld van decadentie, stilistisch zodanig tot een morbide feest van het woord gemaakt, dat ik - ware ik schoolmeester - er een tien met griffel voor zou geven.

Artus is een geboren schrijver. Met hem en zijn Dead Poets Society vervluchtigen alle beelden van talkshows, pitbull-smokings en lekkere seks. Alsof er toch een wereld achter de zo verschrikkelijk zichtbare van tegenwoordig is.

Meer over