Drieduizend uur Indië naar eigen zeggen

Voor het te laat was, ondervroegen Leidse onderzoekers zevenhonderd ouderen uit voormalig Nederlands-Indië. Om vast te leggen hoe het in de oorlog bijvoorbeeld buiten het Jappenkamp was....

Henk van Renssen

TOT voor kort alleen in het hoofd van een oude man, nu te beluisteren op minidisc: het nadeel van een groot huis in het Indonesië van de jaren dertig. Volgens een klein jongetje.

'Op de vliering huisde van alles', zegt de breekbare stem. 'Je lag alleen in je bed onder de klamboe en hoorde de wilde katten rennen. De spookverhalen van de bedienden gingen door je hoofd. Ze hadden vaak over de Pontianak verteld: de geest van een vrouw die op het kraambed was gestorven en nu op zoek was naar kinderen. Daar was je doodsbenauwd voor natuurlijk, stel je voor dat zo'n geest naar je toe kwam.'

Het is zomaar een anekdote, een passage van een halve minuut in een interview van meer dan twee uur met een voormalig politieagent in Nederlands-Indië. En die agent is ook weer willekeurig gekozen: in het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde (Kitlv) in Leiden zijn vanaf volgende week interviews met 721 mensen uit Nederlands-Indië, Indonesië en Nieuw-Guinea voor iedereen te beluisteren. De gesprekken duren in totaal drieduizend uur.

Ze vormen het eindproduct van een omvangrijk project waar de Stichting Mondelinge Geschiedenis Indonesië (SMGI) de afgelopen vier jaar mee bezig is geweest: het vastleggen van getuigenissen van het einde van de Nederlandse koloniale tijd in de Indonesische archipel, grofweg tussen 1940 en 1962. Aanstaande vrijdag en zaterdag beëindigt de SMGI haar werkzaamheden met twee conferenties in het KITLV, een Nederlandse en een internationale.

De Mondelinge Geschiedenis Indonesië is daarmee het eerste grote oral history-project in Nederland dat wordt afgesloten, zegt coördinator dr. Fridus Steijlen. 'In Nederland worden interviews wel vaak gebruikt bij historisch onderzoek, maar op enkele uitzonderingen na vonden die nooit hun weg naar een archief.'

In het buitenland is dat anders, voegt hij toe. Medewerkers van het Imperial War Museum in Londen gaan bijvoorbeeld al jaren dagelijks op pad om gesprekken met oorlogsveteranen op te nemen. En in 1994 haalde regisseur Steven Spielberg de wereldpers met zijn Shoah Foundation - een stichting die getuigenissen van holocaust-slachtoffers over de hele wereld ging filmen.

Het zijn dergelijke projecten, die de inspiratie hebben gevormd voor de oprichting van de SMGI door een grote groep Nederlandse historici, legt Steijlen uit. De periode 1940-1962 vormt een belangrijke fase in de Nederlandse koloniale geschiedenis, waarover nog lang niet alles bekend is. Voordat het te laat is, redeneneerden de historici, zouden mensen die die tijd hebben meegemaakt, moeten worden geïnterviewd.

En zo geschiedde. In 1997 begon de SMGI met haar werk. De geschiedkundigen vormden het bestuur, geld werd gekregen van verschillende fondsen, het Kitlv was bereid de stichting en haar archief onderdak te bieden, en er werden tien interviewers aangetrokken om de gesprekken te voeren.

Ze werden niet op pad gestuurd met een bepaalde vragenlijst, zegt Steijlen. Het was hun taak de levensgeschiedenissen van de veelal bejaarde getuigen op te nemen. Maar dat wil niet zeggen dat iedereen die zich aanmeldde, ook werd geïnterviewd. De selectie, zegt Steijlen, vond plaats op basis van de informatie die mensen vooraf over hun leven hadden gegeven.

Want de SMGI zocht gericht. Er werd begonnen met drie gaten in de kennis over die tijd, waarover ze meer wilde weten. Om te beginnen waren dat de ervaringen van mensen die de Japanse bezetting buiten de kampen hadden meegemaakt. 'Over de kampervaringen van de Nederlanders is al veel bekend', zegt Steijlen. 'Maar hoe de veelal Indische Nederlanders die buiten de kampen bleven, de oorlog meemaakten, weten we veel minder.'

Daarnaast wilde de SMGI meer weten over het militaire leven in Nederlands-Indië. Over de politionele acties in 1947 en 1948 is al veel geschreven, zegt Steijlen. Maar er is nog niet veel bekend over bijvoorbeeld de soms gespannen relatie tussen het Koninklijk Nederlands-Indische Leger (het KNIL), de Koninklijke Landmacht en de politie in de roerige tijden vanaf de onafhankelijkheidsverklaring in 1945. Er werd daarom specifiek gezocht naar personen die daar iets over konden vertellen.

De laatste pijler in het interview-project vormde het sociaal-economische leven in Nederlands-Indië, Indonesië en Nieuw-Guinea. Velen werkten daar voor kleine en grote Nederlandse bedrijven als BPM en Hagemeijer, ook na de souvereiniteitsoverdracht in 1949. Pas in 1958 werden veel van deze ondernemingen genationaliseerd, en in 1962 kwam Nieuw-Guinea pas in handen van Indonesië. Ook over dit dagelijkse leven in de particuliere sector is nog weinig bekend.

Al met al was het een hele speurtocht om de mensen te vinden, zegt Steijlen. Er werden oproepen geplaatst in kranten en tijdschriften van de Indonesische gemeenschap in Nederland, toko's werden aangeschreven, net als de pensioenbladen van Nederlandse bedrijven die in Indonesië hadden geopereerd. De respons was groot.

Zo groot zelfs, dat soms bepaalde dagelijkse belevenissen vanuit verschillende perspectieven konden worden belicht. Zo werd een vrouw gevonden die lerares was bij een bepaald bedrijf. Maar ook een van haar leerlingen werd opgespoord. In dergelijke gevallen werd altijd dezelfde interviewer naar deze mensen gestuurd, zegt Steijlen.

De gesprekken, die nu allemaal digitaal beschikbaar zijn, moeten een zo breed mogelijk beeld geven van het dagelijks leven in de nadagen van Nederlands-Indië, zegt de coördinator. De geïnterviewden komen van zo veel mogelijk verschillende plaatsen en hebben allerlei plekken op de maatschappelijke ladder bezet. Ze zijn machinist geweest, radiomedewerker, bankemployé, secretaresse, militair, planter, houthandelaar, onderwijzeres, archivaris en huisvrouw. Tweederde van hen is man.

Het zijn wel allemaal personen die uit Indonesië vertrokken zijn en nu in Nederland wonen, zegt Steijlen. Veel geïnterviewden zijn daarom Nederlander of Indische Nederlander en het perspectief is dus van hen. Maar erg vindt Steijlen dat niet. Het is een van de beperkingen waarvan de stichting zich bewust is.

Het interview-archief, met samenvattingen en een zoeksysteem in de computer, ligt nu open voor wetenschappelijk onderzoekers en andere geïnteresseerden. Zij zijn degenen die conclusies moeten trekken, zegt Steijlen. Hijzelf doet dat liever niet. De SMGI heeft geen historisch onderzoek gedaan, benadrukt hij, maar een collectie met bronnenmateriaal gecreëerd. Anderen moeten daar nu gebruik van gaan maken.

En hij waarschuwt alvast: voor cijfers en data moet je niet naar de minidiscs gaan luisteren. Het gaat om de dagelijkse belevenissen. 'Als je de prijs van rijst wilt weten in een bepaalde periode, moet je documenten lezen. In dit archief kom je te weten hoe ingewikkeld het was om aan een zak rijst te komen.'

Meer over