Drie nonnen voor de prijs van een

Tijdens de première van de door hem geregisseerde voorstelling Ajax loopt Theu Boermans over de Amsterdamse grachten. Bij de finale is hij terug in de zaal....

De morgenstond heeft een café in de mond. Met Bernhard, mijn vaste decorontwerper uit Wenen en Götz, technisch directeur van de toneelgroep Amsterdam en jarenlang technisch directeur van het Stadtheater Neurenberg, tot vannacht 2 uur een boom opgezet over het Nederlands toneel in het algemeen en de tweede try-out van Ajax in het bijzonder. Bernhard kan/wil maar niet begrijpen dat wij Nederlanders apetrots zijn en het toejuichen wanneer talent in het buitenland succes heeft en nog trotser wanneer het geheel en al naar het buitenland verdwijnt. Voetballers, wetenschappers, acteurs, regisseurs, hele bedrijven. Hij vindt het idioot. Wijst volgens hem op een doorlopende identiteitscrisis en historisch gebrek aan zelfrespect.

Ik zeg dat Máxima het met hem eens is, probeer hem uit te leggen dat Nederland geen Oostenrijk is, we geen nationale gevoelens kennen, onze bevolking is aangeslibd en afgezet, dat de hele wereld ons werkterrein is en dát juist onze kracht is, etc. Bovendien zijn we al vanouds een transitland van mensen, goederen en ideeën. Allemaal van die onzin.

Over de tweede try- out waren we het snel eens. Iets minder dan de eerste, vrijdag, maar dat is een bekend gegeven. De vermoeidheid heeft toegeslagen en onbewust sparen de acteurs zich enigszins voor de première van vanmiddag.

Om 2 uur ’s middags naar de Stadsschouwburg voor de laatste puntjes op de i. De stemming onder de acteurs is rustig en geconcentreerd. Besef hoeveel ik van die mensen ben gaan houden. En hoe moeilijk ik het vind om dat te laten merken.

Een kwartier voor aanvang ga ik alle acteurs en technici langs, wens ze veel succes en maak me uit de voeten. Vroeger wilde ik nog weleens in de zaal gaan zitten, maar dat doe ik al jaren niet meer. Heb enerzijds de indruk dat mijn aanwezigheid de acteurs en techniek onder druk zet, anderzijds ben ik bang dat ik ga roepen wanneer het niet gaat zoals ik wil. Is toch niets meer aan te doen en ik heb het volste vertrouwen in deze acteurs. Ga naar buiten, wandel over de gracht, sta in de rij voor de pinautomaat, ga weer terug en voeg me bij het A-team, voornoemde Bernhard en Götz, dramaturge Rezy en lichtontwerper Stefan. Wezenloos. Na afloop met dit gezelschap het toneel op om applaus en bloemen in ontvangst te nemen. Wezenloos. Daarna de acteurs, co-producent Toneelgroep Amsterdam en de Stadsschouwburg en alle medewerkers toegesproken en bedankt. Wezenloos. Pas in de foyer, tussen het premièrepubliek praat mijn zoon me bij m’n positieven. Blijkbaar is het goed gegaan.

Bij het ontwaken staan enthousiaste berichten op m’n voicemail Iedereen heeft de recensies gelezen, behalve ik. Ze worden me voorgelezen. Overwegend lovend, voor Hans Kesting, de andere acteurs, het decor en voor de regie. Meer dan tevreden dat een voorstelling, die tegen de tijdgeest van vormvernieuwing in, zoekt naar inhoudelijke vernieuwing,(een continue hoogst persoonlijke spastische reactie) zo wordt gewaardeerd. Vanmiddag met producent Matthijs van Heijningen over de planning van de opnamen voor de verfilming van Gijsbrecht van Aemstel gesproken. De financiering is nog in volle gang , maar er moeten knopen worden doorgehakt. Duidelijk is inmiddels dat we in Roemenië gaan draaien. Amsterdam anno 1200 moet worden nagebouwd aan de Donaudelta, die het IJ moet voorstellen. De Dam en de Kolk worden op het studioterrein gebouwd. Allemaal omdat het daar goedkoper is. Ter vergelijking. Een te verkrachten non (van wie er bij Joost van den Vondel veel voorkomen) kost hier te lande wel 75 euro per dag. In Roemenie slechts 15. Dus tel uit je winst. Drie nonnen voor de prijs van een. Rest nog het probleem dat de draaiperiode waarschijnlijk mei-juni-juli wordt, terwijl de film hartje winter voorschrijft! O kerstnacht, schoner dan de dagen! Mijn moeder belt en brengt verslag uit van haar reis naar Rhodos, alwaar mijn oudere broer, professor en vermaard aerodynamicus ’s werelds hoogste onderscheiding in zijn vakgebied heeft ontvangen. Denk met weemoed terug hoe hij zich vroeger opsloot op zijn zolderkamer om na weken tevoorschijn te komen met een ontzagwekkend, schitterend zelfgebouwd modelzweefvliegtuig, geheel van balsahout. Vaak mocht, of beter gezegd moest ik mee naar de Grote Heide in Venlo, naar het voormalige Duitse vliegveld Fliegerhorst, waarvan de startbanen op Nederlands grondgebied lagen en van waaruit tijdens de Tweede Wereldoorlog de Duitse jagers Londen hadden gebombardeerd. Ik mocht/moest het vliegtuig ophouden, terwijl mijn broer er een lier aan bevestigde en het op een lopen zette om het te laten vliegen. En het vloog. Altijd. Door de jaren heen perfectioneerde hij zijn modellen, won kampioenschappen, ging aerodynamica studeren en nu dit. Ik ben trots op mijn grote broer in de wetenschap dat ook ik mijn bijdrage heb geleverd aan de verbetering van de luchtvaart.

Er waart een virus door de couveuseafdeling van het Elisabeth-ziekenhuis in Willemstad, Curaçao. Zou er verder geen aandacht aan hebben besteed wanneer ik niet in dat ziekenhuis geboren zou zijn. En wanneer mijn ouders niet door een soortgelijk virus hun eerste dochter hebben verloren. Maar dat was tijdens de Tweede Wereldoorlog, in 1943, in een ziekenhuis in Tegelen. Van de tweeëndertig baby’s op de afdeling stierven er 29.

Begreep later pas dat mijn vader het eigenhandig, tijdens een bombardement, in een kartonnen doos in de tuin van het ziekenhuis heeft begraven. Nooit een woord over gesproken. Het is te hopen dat het virus snel wordt geëlimineerd.

Ik ben geboren op 11 januari 1950 in de ochtend, een heugelijke dag, omdat op datzelfde moment de Karel Doorman voor het ziekenhuis langs de haven van Willemstad binnenvoer, met aan boord Prins Bernhard. Aangezien mijn vader niet bij mijn geboorte aanwezig mocht zijn, is hij naar de intocht gaan kijken. Onvergeeflijk. Prins Bernhard heeft het later enigszins goedgemaakt door mij veertig jaar later de naar hem vernoemde cultuurprijs uit te reiken.

Om 9 uur tas onder de snelbinder en op de fiets naar het Compagnietheater. Bij aankomst tas weg. Twee creditcards, een i-pod, een rijbewijs, drie scripts, twee boeken. Onmiddellijk omgekeerd en dezelfde weg terug, dwars tegen het verkeer in. Niets. Weer terug en op de fiets de creditcards geblokkeerd. Voorbespreking Masterclass bij het festival Hollandse Nieuwe van Cosmic.

Ik wordt geacht vrijdag in vier uur tijd, vier nieuwe, die ochtend en voormiddag door vier schrijvers geschreven scènes van circa tien minuten, met een vijftal aantal acteurs en actrices presentabel te maken. Presentatie 10 uur ’s avonds. Ben benieuwd. Waar eergisteren de solidariteit in de Navo nog gelijmd moest worden, schieten vandaag ‘waarschijnlijk’ de Fransen ons in Uruzgan te hulp. Waarschijnlijk. Moet toch willekeurig denken aan Sebrenica, waar de Fransen de Nederlandse blauwhelmen in geval van nood ‘waarschijnlijk’ luchtsteun zouden bieden.

Vlak voor ik naar huis ga wordt ik gebeld. Iemand heeft mijn tas gevonden. Ik koop een bos bloemen en stap in een taxi. Er is nog hoop.

Vriendin vertrekt al vroeg opgewonden naar de Nederlandse Opera, waar ze een regiestage loopt. Ze moet voor een dag inspringen voor de regieassistente. Grote verantwoordelijkheid. Covent Garden, de Scala of De Metropolitan gloren aan de horizon. De kinderen naar school, nog snel Antje de ‘woorden van de week’ overhoord tijdens het ontbijt. Daarna tandarts. Vier weken geleden afgebroken en daarna verwaarloosde kies. Zenuwbehandeling dreigt. Kom met slappe lip en hangwang naar buiten. Ga achter mijn bureau zitten en buig mijn verdoofde bakkes over het nieuwe stuk/scenario van Theodor Holmann Auditie. Plan een voorstelling annex verfilming. Zo snel mogelijk. Wordt gebeld dat de scripts van de televisieserie over Hirschi Ali onderweg zijn. Ook toevallig. Of juist niet. Maar eerst moet De Eenzame Weg van Arthur Schnitzler worden opengeslagen. Die moet hoe dan ook in maart en april gelopen worden.

Meer over