Dozen vol vaudevilles

Het jubileum van de Koninklijke Schouwburg was een mooie gelegenheid geweest om het Thre Frans de la Haye uit de vergetelheid te halen....

Henk van Ulsen, Annet Nieuwenhuijzen, Elisabeth Andersen, Hans Croiset. Met taartjes en filmbeelden van een acterende prinses Juliana (75) vierden ze eind maart het jubileum van de tweehonderdjarige Koninklijke Schouwburg in Den Haag, bijgenaamd de 'Oude Dame aan het Voorhout'.

Maar wie op een schrijnende manier ontbraken, dat waren de ambassadeur van de Franse republiek en de intendant van de Op de Paris. Geen spoor was er ook van de dienst Buitenlandse Betrekkingen van het Franse ministerie van cultuur, noch van de Acade Franse.

Hadden die er dan bij moeten zitten? Zeker wel, en er hadden ook best een paar ouvertures en entr'actes mogen klinken van Jean-Baptiste Lully, Philippe Rameau, Ambroise Thomas, Giacomo Meyerbeer of Jules Massenet.

Ger Thijs en Peter Tuinman hadden echt geen mopje hoeven zingen uit Le gros Lucas, de 'Dikke Loek' die de Come Franse te 's Gravenhage graag als toegift presenteerde bij Corneille of als dijenkletser bij Racine. Het had ook best een aria mogen zijn uit Le tribut de Zamora, de opera die Eline Vere in Den Haag ging zien in de gelijknamige roman van Louis Couperus. Vooraan gezeten in de Koninklijke Schouwburg, beeldde Eline zich in dat de aanbeden ThFabrice, bariton van het Thre Royal Frans de La Haye (en volgens Elines neef Vincent Vere slechts een 'lelijke dikke baas'), de melodievan Gounod speciaal aan haar opdroeg.

Maar er klonk in maart geen Gounod bij de bitterballen, en in de foyers van de Koninklijke Schouwburg kun je je nog altijd een ongeluk zoeken naar een vitrine met oorspronkelijke uitgaven van Carmen, of van Margutes juwelenariauit de opera Faust, glansnummer ('Ik lach bij het zien') van de door Kuifje bewonderde sopraan Bianca Castafiore.

Nergens aan het Voorhout vind je een exemplaar van Le devin du village, het operaatje waarmee de filosoof, dichter, criticus en vrijetijdscomponist Jean-Jacques Rousseau zich mengde in de waanzinnige guerre des bouffons of 'strijd der theaterklanten' die het Parijs van de jaren 1750 verdeeld hield in serieuze en komische, Franse en Italiaanse kampen. Terwijl Rousseau zich met Le devin du village toch ook in Den Haag onsterfelijk maakte.

Nergens vind je een portretje of haarlok van de legendarische tenoren Rubini en Paul Lhe. Terwijl deze Pavarotti's van de negentiende eeuw toch ook het Voorhout aandeden.

Onvindbaar is elke snipper die nog kan herinneren aan het fenomenale tumult dat de tenor ouard in 1825 ontketende met zijn optreden in de op-comique Le traitul. Een zaal vol Hagenaars en Hagenezen jouwde hem uit. De onfortuinlijke zanger moest de strijd opgeven en zette koers naar de coulissen. Daarbij beging hij de onvergeeflijke fout het publiek zijn rug toe te keren, een verstoring van de etiquette zonder weerga. 'Politie en militairen werden ingezet om de rust te handhaven', memoreerde de operakenner Paul Korenhof onlangs in zijn bijdrage aan het jubileumboek De Koninklijke Schouwburg 1804-2004. Ondertussen was de tenor ouard dusdanig door emoties overmand, dat hij bewusteloos moest worden afgevoerd. Politie werd voortaan preventief ingezet.

Wisten we trouwens, dat Verdi's Rigoletto eerder in Den Haag is gespeeld, in het Frans, dan in Amsterdam in het Italiaans? En dat Gounods niet te kloppen Faust aan het Voorhout 382 voorstellingen heeft gehaald?

We weten dat nu dankzij Korenhof, auteur en voormalig dramaturg van de Nederlandse Opera. Door hem weten we ook dat er in Den Haag een exemplaar is te vinden, een klavieruittreksel althans, van een totaal vergeten Franse versie van Bellini's opera Il pirata, in januari 1836 in premi gebracht door het Thre Frans de la Haye. De zeerovers presenteerden op het Haagse toneel hun belcanto niet vanaf de kusten van Sicilimaar wandelden rond - vermoedelijk met Bellini's instemming - in Bretagne, op muziek die danig is uitgebreid, ingekort en herschreven.

Korenhof trof het unieke exemplaar aan in de kelder van de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag, in het deel dat onder beheer staat van het Nederlands Muziekinstituut. Korenhof zegt dat hij daar ook 'een spectaculaire stoet verzamelbandjes' tegenkwam, harde bewijzen waaruit bleek dat de Franse Op in Den Haag decennia lang haar avonden en matinees vulde met wel twee of drie verschillende stukken van totaal uiteenlopende genres. Hij zag er bovendien 'onduidelijke dozen vol met vaudevilles', korte kluchten en komedies die de Haagse burgerij, buitenlandse diplomaten en een complete reeks Willem van Oranjes - stadhouders en koningen I, II en III der Nederlanden - trakteerden op bekende wijsjes, nieuwe divertissements en lokale satire - in het Frans.

Met honderden ops comiques, trages lyriques, balletpartituren en toneelteksten van Racine, Moli en Voltaire lagen ze ooit te vondeling op de zolder van de Koninklijke Schouwburg. Jarenlang onbeheerd, als Doornroosjes. Het Thre Frans de la Haye, ooit de befaamdste dependance van het Franse theater buiten Frankrijk, gaf in 1919 haar afscheidsvoorstelling, moegespeeld na een opvoeringscanon die tot in de zeventiende eeuw terug grijpt, toen stadhouders en onderdanen nog een theatertje bezochten in de Haagse Casuariestraat. Achtereenvolgende Franse directeuren kochten de immer groeiende papierstapels steeds van hun voorgangers en verkochten ze aan hun opvolgers - met bijbehorende decors en kostuums.

Toen de laatste Carmen, Louise en Mignon van het Voorhout waren afgereisd, zou het nog zeventien jaar duren voor iemand op het idee kwam de dozen met tekstboeken en muzikale oeruitgaven met notities, schrappingen, inplakwerk en al over te dragen aan het Haagse Gemeentemuseum. Ze overleefden het bombardement op het Bezuidenhout, en werden na de oorlog uitgepakt 'door volontairs of niet zo heel erg duidelijk personeel', dat op bescheiden wijze begon aan een catalogus van de tekstboekjes. Thans is het de Haagse musicoloog Dick van den Hul, die er namens het Nederlands Muziekinstituut zijn pen, stofdoek en beste Frans aan wijdt.

Korenhof heeft zich neergelegd bij de totale onzicht-en onhoorbaarheid van het 'schitterende Franse erfgoed' in de jubilerende Koninklijke. 'Ik denk dat ze geen plek meer hadden. In dit jubileumjaar moet je natuurlijk aan twee eeuwen aandacht schenken. Dan is de ruimte al gauw aan de kleine kant.'

Zo heeft het Nederlandse toneel alsnog een oude rekening vereffend. Nederlandse acteurs mochten in 1804 de schouwburg openen, na een bestaan in de marge van een Hollandse Schouwburg aan de Assendelftstraat. Maar al gauw hadden de Franse zangers en acteurs het voor het zeggen, en hadden ze zelfs na de aftocht van Lodewijk Napoleon en zijn Bataafse kornuiten de wekelijkse prime time in handen van de vrijdag, zaterdag en zondagmiddag benevens iets moois doordeweeks, waar de Nederlanders het moesten stellen met mindere avonden. Kregen die Fransen hun orkest ook niet gratis ter beschikking van de Oranjes, terwijl het Hollandse toneel altijd voor zijn pijpers en vedelaars moest betalen?

'En dan had je ook nog die typisch Nederlandse situatie', zegt Korenhof, 'van een pers en een publiek dat zich zogenaamd dood geneert voor het Nederlandse toneel. Terwijl dat veel en veel beter moet zijn geweest dan via de formele kanalen werd beweerd.'

Toneelmeesters praatten Frans aan het Voorhout, en beweerd wordt dat zelfs het schellinkje het in het Frans deed, als het begon te jauwen. Met Dick van den Hul meanderen we de trappen af van de Koninklijke Bibliotheek, en bereiken we een klimaatgecontroleerde betonkelder met stalen schappen. Aha, een nieuwe Voltaireblijkt in zijn prerevolutionaire oertijd 36 sous te hebben gekost - vertelt de krabbel op een titelblad. Moli en Racine kregen beeldschone titelillustraties.

Een zekere acteur genaamd Dupuis duikt op in de kantlijn van Voltaires L'enfant prodigue - de Franse directeur Patras is als een Gerardjan Rijnders in zijn Voltaire tekeer gegaan, met de schrapstreep en de bijschrijfveder.

Vestzakboekjes onthullen repertoirecombinaties die ons bizar toeschijnen. Waar de Parijse domeinen zich scheidden en de burgerij haar keuzes maakte uit een gebouwenscala varind van Op tot boulevardtheater, was in La Haye van 'doe alles maar', met come-ballet voor de pauze en de vaudeville 'Rivier der vergetelheid' erna.

VoilCastor et Pollux van Racine - 'met muziek van monsieur Rameau', zoals men destijds een opera benoemde. La serva padrona, pardon, La servante maesse van Pergolesi, kampioensstuk uit de Parijse guerre des bouffons, werd in 1755 al in Den Haag gespeeld. Daar hebben we ook - de hele guerre vinden we aan het Voorhout terug - Rousseaus Devin du village. En dan ook nog eens de parodie op Rousseau die in Parijs furore maakte onder de titel Bastien et Bastienne.

Plus het onvergetelijke Titon et l'Aurore waarmee de componist Mondonville zich in die theateroorlog mengde. Plus de populaire parodie die daarop verscheen, Raton et Rosette. Plus de parodie op de parodie die ook in Den Haag over de planken ging. Plus al het orkestmateriaal - alles toevertrouwd aan de zorgen van Van den Hul en zijn collega's van het Muziekinstituut.

'Pas op, het stof waait om je oren', waarschuwt hij, als we aanlanden bij de onduidelijke dozen met vaudevilles. Tientallen, honderden vaudevilles, anonieme komedies waarin de 'stem van de stad' of voix de ville zich deed gelden. Duidelijk is, zo zien we aan een krabbel, dat de eerste viool diende in te zetten bij de tekstcue 'une nouvelle passion!', wiens passie het ook geweest moge zijn. Elders noteert een orkestspeler dat het na 'Basson op het balkon' van huppekee gaat met de muziek.

'En hier', zegt Van den Hul vertederd, 'hier zie ik iets waarvan ik wel veel meer had willen zien'. Hij wijst op een ingetekend plattegrondje, van decorstukken op een podium. 'Regieaanwijzingen. Zeldzaam!'

Het materiaal is een sprookje - en niet alleen voor de Hollandse filoloog of de Parijse archiefrat die zijn buitenlandkennis wil aanvullen. 'In Engeland zouden dirigenten als Hickox en Gardiner er al lang bovenop zijn gesprongen', verzucht Korenhof. 'En hier gebeurt niets.'

Maar onze Ton Koopman, Jed Wentz en Jan-Willem de Vriend zouden dan ook eerst van het bestaan van de dozen af moeten weten. Is Van den Hul nu echt niet in de verleiding geweest het jubileum van de Koninklijke Schouwburg op te luisteren met een bescheiden opstellinkje in de hal?

Van den Hul, streng musicologisch: 'Zoiets is leuk voor de bibliothecaris, hoor. Heel leuk, zo'n paar dingetjes in een vitrine. Maar hoe is de rest van de collectie dan ontsloten? Daar zijn we nog wel een paar jaar mee bezig. Dan zeg ik, ga eerst maar met het materiaal aan de gang. Ga dat goed beschrijven. Als dat gedaan is, dkun je het totaal naar buiten brengen.'

Meer over