ANALYSEDood en onzekerheid

Dood en chaos: we zijn er niet meer aan gewend

De condoleance van Ben van Dijk (85) in Amsterdam-Noord.Beeld Klaas Jan van der Weij

Leven in een onzekere situatie was in veel landen ook vóór corona al de realiteit. Voor inwoners van het bevoorrechte deel van de wereld is het echter een enorme schok, constateert Olaf Tempelman. 

De Franse president Macron was de eerste die koos voor de zwaarste metafoor. ‘We zijn in oorlog’, zei hij toen het coronavirus zijn eerste slachtoffers maakte in Frankrijk. De Spaanse premier Sánchez gebruikte de oorlogsmetafoor om noordelijke EU-lidstaten te kapittelen. ‘We zitten in een oorlog, en in een oorlog stel je geen voorwaarden aan solidariteit.’ De premier van Nederland sprak niet van een oorlog, maar wel van ‘een van de hevigste crises waar Nederland ooit mee te maken heeft gehad buiten oorlogstijd’.

Wat als West-Europese samenlevingen ooit nog iets ergers meemaken dan het coronavirus? Je mag dat nooit uitsluiten, want het verleden grossiert in voorbeelden. Groot- en overgrootouders van Europeanen van nu maakten wereldoorlogen mee, en een pandemie als de Spaanse griep, die zowel absoluut als relatief veel meer slachtoffers maakte dan corona nu. In minder bevoorrechte delen van de wereld zijn ergere plagen dan covid-19 aan de orde van de dag. Áls ons ooit iets ergers overkomt, dan zijn daar geen metaforen meer voor, want de zwaarste zijn dit voorjaar gebruikt.

Een collega schreef over haar partner die opgroeide in een dictatuur met een militaire avondklok en zich verbaast over zware en beladen termen voor deze tijd. Je mag nog bijna alles, niemand pakt je op en de winkels liggen vol eten. Zeker, sterftecijfers zijn omhoog gegaan en economische grafieken omlaag, maar een oorlog is iets anders. Een andere collega zag paniek bij haar Nederlandse familie contrasteren met de kalmte van haar Marokkaanse man. Die onderging in zijn jeugd een solide training in omgaan met armoede, onrecht en onzekerheid, en is in coronatijden even opgewekt als anders.

Alles heeft een prijs

Zo groot als de onzekerheden zijn in minder bevoorrechte landen, zo laconiek gaan mensen daar vaak mee om. Alles heeft een prijs, ook een ongekend lange periode van vrede en welvaart in wat ‘de westerse wereld’ is gaan heten. De Amerikaanse filosoof Richard Rorty noemde onze naoorlogse maatschappijen de beste die ooit hebben bestaan. Veel unieke verworvenheden zijn daarin vanzelfsprekendheden geworden. Een gevolg daarvan is dat het incasseringsvermogen en de veerkracht van de ingezetenen niet meer constant zwaar op de proef worden gesteld. De hoofdredacteur van de Volkskrant lanceerde de hypothese dat het coronavirus heeft geleid tot een allergische reactie van een immuunsysteem dat te lang niet is getest, van een samenleving die niet meer in staat is de dood te accepteren.

Het doet wat met mensen als ze dagelijks worden geconfronteerd met ziekte en dood in alle facetten – het doet óók wat met mensen als ze zo lang mogelijk tegen ziekte en dood worden beschermd, als ze leven in een maatschappij waarin ziekte en dood zoveel mogelijk aan het oog worden onttrokken. Zulke maatschappijen bestaan maar in een klein stukje van de wereld en ze zijn niet veel ouder dan een halve eeuw. Wie schilderijen van Hollandse meesters bekijkt, weet dat er vroeger in Amsterdam nauwelijks minder leed op straat lag dan nu in Delhi.

Socioloog Norbert Elias (1897-1990) werd beroemd met zijn observatie dat er in een voortschrijdend civilisatieproces alsmaar meer zaken in de sfeer van ‘het pijnlijke’ belanden. Ooit deden mensen en plein public hun behoeften en lagen ziekte en dood open en bloot op straat. Met het opschuiven van ‘de pijnlijkheidsdrempel’ werden behalve primaire behoeften ook verval en dood steeds minder zichtbaar in het openbare leven. Een paar jaar terug bezweek in het zwembad in mijn woonplaats een oude man aan een hartstilstand. Toen de man werd weggedragen, ging er een rilling door de ruimte. De laconieke reactie van de badmeester, die zei dat oude mensen nu eenmaal ergens aan dood moeten gaan, ervoeren veel aanwezigen als schokkend.

Cultuurschok

Elders in de wereld wordt de dood minder goed uit de openbare ruimte verbannen. Ik herinner mij de cultuurschok toen ik als twintiger in Roemenië in een flat kwam te wonen die naast een doodskistenwinkel lag. Rijen kisten stonden op straat uitgestald. In een land zonder verzorgingstehuizen stierven flink wat ouderen bij hun kinderen in huis. Als er in de flat iemand doodging, werd die door de familie naar beneden gedragen, in een kist gelegd en op het dak van de eigen auto naar het kerkhof vervoerd.

Er was in het Boekarest van toen meer dat, in het vocabulaire van Elias, nog niet tot ‘het domein van het pijnlijke’ behoorde. In de buurt van de flat lagen alcoholisten op straat dood te gaan. Ik kwam uit een land waar mensen die op straat liggen voorbijgangers nopen een hulpdienst te bellen dan wel snel door te lopen. En dus was ik ontsteld dat er elke dag voorbijgangers lachend praatjes stonden te maken met die alcoholisten, alsof het marktkooplui waren. Later zag ik op de schilderijen van Jan Steen heel vergelijkbare taferelen.

Na verloop van tijd begon ik te wennen aan die mentaliteit, met alle gevolgen van dien. In 2005 belde een buitenlandredacteur van de Volkskrant dat mijn stuk over de oprukkende vogelgriep (H5N1) in Oost-Europa te laconiek van toon was. Hij las een persbericht voor waarin specialisten verklaarden dat er door toedoen van H5N1 miljoenen doden konden vallen. Ik zei dat Roemenen domweg laconiek op die vogelgriep en die voorspellingen reageerden. Waar chaos en bestaansonzekerheid troef zijn, is de sfeer er veeleer een van: we zullen wel zien welk onheil ons nu weer treft.

Grote aantallen vogelgriepdoden zijn in 2005 gelukkig uitgebleven, maar destijds drong tot mij door hoeveel groter het vertrouwen in specialisten is in bevoorrechte landen dan in minder bevoorrechte. Zulk vertrouwen is typerend voor wat in de sociale wetenschap wel de ‘high trust society’ heet. Mensen zijn daar gewend dat ze van hun autoriteiten op aan kunnen en weten waar ze aan toe zijn. Mensen kunnen daar lang vooruitplannen omdat ze niet constant door van alles en nog wat worden verrast. In de ‘low trust society’ doet bijna niemand aan vooruitplannen. Daarin bestaan alleen de korte en de zeer korte termijn. Ingezetenen zijn de overtuiging toegedaan dat niets stevig genoeg is om een voet op te zetten en dat ‘iedereen maar wat roept’.

Maatschappelijk vertrouwen is een verworvenheid; landen waar mensen vooruitplannen zijn benijdenswaardig; de landen met het grootste vertrouwen in specialisten, de Scandinavische, komen uit onderzoeken als de gelukkigste ter wereld. Maar geen plek ter wereld is immuun voor het onverwachte dat alles overhoopgooit, weten we sinds dit voorjaar. Als de specialisten van de high trust society dan geen oplossingen hebben, onzekerheid etaleren door terug te komen op adviezen die ze zelf hebben gegeven en het onderling oneens zijn, kunnen inwoners door unheimische gevoelens worden bekropen.

Een onzekere situatie

Nederlanders met zeldzame medische problemen weten sinds jaar en dag dat deskundigen het oneens kunnen zijn: de meest gespecialiseerde artsen kunnen tegengestelde behandelingen adviseren en de patiënt in onzekerheid achterlaten. In de coronacrisis zie je zoiets op maatschappelijk niveau. Het is al veel gezegd dat specialisten in deze crisis haperen, maar je kunt ook zeggen dat het vertrouwen in die specialisten hapert. Een collega reconstrueerde wat deskundigen sinds februari allemaal over corona te berde hebben gebracht. De conclusie was onmiskenbaar: specialisten op het vlak van infectieziektebestrijding zeiden voortdurend dingen die even later niet bleken te kloppen. Ze spraken elkaar tegen, spraken zichzelf tegen en veranderden vaak van inzicht.

Specialisten blijven feilbare mensen en covid-19 is ook nieuw voor hen. Maar in een high trust society hebben specialisten dermate veel krediet dat ze niet worden geacht te haperen. Doen ze dat wel, dan kunnen alarmbellen gaan rinkelen. Als zij het ook niet weten, betekent het dat we in een onzekere situatie verkeren, dat we zelfs in de nabije toekomst niet weten waar we aan toe zijn – dat we in hetzelfde schuitje zitten als, nu ja, bijna alle mensen in de minder bevoorrechte delen van de wereld.

Het kan verklaren waarom Europeanen die geen oorlogen hebben meegemaakt in oorlogstermen over die coronacrisis spreken. Als mensen die gewend zijn aan zekerheid worden geconfronteerd met acute onzekerheid, is dat psychologisch ingrijpend. De Belgisch-Canadese hoogleraar risicobestrijding David Zaruk betoogde in deze krant dat de lockdown an sich een voortvloeisel is van een maatschappijvorm waarin het onzekere waar mogelijk wordt uitgebannen. Omdat beleidsmakers gewend zijn aan stabiliteit op lange termijn, kunnen ze ten prooi vallen aan kramp als alles ineens op losse schroeven komt te staan, als er dingen gebeuren waarop zelfs de beste specialisten niet kunnen anticiperen. ‘Hun enige antwoord werd een voorzorgsmaatregel: gooi maar op slot, die samenleving.’

Nu moet die maatschappij weer ‘van het slot’ en is er niemand die kan voorspellen hoe dat gaat verlopen. De inzichten van de ene dag blijken de volgende dag al niets meer waard. Het Outbreak Management Team hanteert ‘improviseren’ inmiddels als een soort onofficiële filosofie. De directeur van het RIVM verklaarde dat deze crisis er ook voor hem een is van ‘voortschrijdend inzicht’, verkregen door gis- en miswerk. Wie online gaat, vindt vele deskundigen die dingen over het coronatijdperk zeggen, maar verrassend weinig zekerheden. Zelfs de nabije toekomst is onderwerp van speculatie: ze weten het gewoon niet.

Korte termijn

Je kunt betogen dat er weinig anders op zit dan genoegen te nemen met de korte termijn, en lange-termijndenken voorlopig na te laten. Maar wat als je niet anders gewend bent? Mensen uit het noordwesten van Europa die in minder stabiele delen van de wereld hebben gewerkt, beklagen zich vaak over wijdverbreid korte-termijndenken: het is lastig mensen die gewend zijn te overleven van dag tot dag te leren vooruit te plannen. In de coronacrisis blijkt dat het tegenovergestelde óók klopt: het is lastig als je gewend bent aan stabiliteit en lange-termijnscenario’s, ineens louter op de zeer korte termijn te moeten gaan denken, als je ineens in een situatie terecht komt waarin je in juni niet weet of je in juli op vakantie kunt.

In het overgrote deel van de wereld wisten mensen dat nooit, ook niet in het tijdperk waarvoor de term PreCovidium in omloop is. Alleen in Nederland en de Scandinavië had je de laatste halve eeuw mensen die een jaar van tevoren al hun vakantie boekten. Op amper duizend kilometer van onze landgrenzen kon je op de vraag ‘wanneer ga je op vakantie?’ antwoorden krijgen als: ‘Misschien volgende week, als ik vrijdag mijn geld krijg.’

Het is geen voorrecht te moeten improviseren in onzekere omstandigheden – het is wel een toestand waar voor die coronacrisis begon slechts een klein stukje van de wereld van verschoond bleef. Improviseren gaat makkelijker als je niet anders gewend bent. Toch zijn in Nederland de afgelopen weken enorme reservoirs aan improvisatievermogen aangeboord. Niemand weet hoe de wereld er in het PostCovidium uit zal zien, maar het zou zomaar kunnen dat het bevoorrechte stuk dan wat meer lijkt op de rest van de wereld.

Meer over