Donkertijd

Noorwegen Alta..

Toine Heijmans en fotograaf Harry Cock vinden op 21 december de langste nacht in de lichtbevroren stad Alta - en stuiten op het noorderlicht.

Daar is de dageraad. De heuvels maken zich los uit de nacht, en het terras van Hotel Park raakt vol. Ze schuiven er met stoelen. Ze draaien hun stoelen om de dageraad te zien, hun gezichten schuin omhoog als koudbloedigen, getraind in het opvangen van de eerste zon en van de laatste. Een roze streep onder de wolken; de zon kan nu niet ver meer zijn. Een grote, heerlijke, ronde, warme zon. 11.41 uur.

Ze weten dat het niet gebeurt. Ze weten dat de dageraad twee uur duurt en dat de stad zich daarna weer in de duisternis stort. ‘Het went nooit’, zegt Bodil, op het terras. ‘Je blijft hopen dat de zon toch komt, als een kerstcadeau.’

Dit is de langste nacht. Dit is mørketid, zoals ze de twee daglichtloze maanden noemen. Donkertijd.

Iedereen in Alta kent de data uit zijn hoofd: zon weg 20-11, zon terug 18-1 en vandaag, 21-12, is het de langste nacht. Meer dan deze dageraad krijgen ze niet, op het terras van Hotel Park.

‘Het is al heel wat’, zegt Bodil. ‘Vanaf nu zitten we aan de goede kant van de winter.’

Twee maanden ligt Alta als een sterrenstad te fonkelen naast het fjord: alle lampen aan. Het is een langgerekte stad, hoog in de kop van Noorwegen, met brede, door spijkerbanden uitgereden straten. Langs de wegen robuuste lantaarnpalen die de sneeuw geel kleuren met hun natriumlicht, en op de auto's zijn dikke ver-stralers gemonteerd. Het oude karakter van de stad is verpletterd in de Tweede Wereldoorlog; de blokkige gebouwen en jeugdige bewoners gaven er een nieuwbouwsfeer voor terug.

Alta groeit, ondanks alles. Ondanks de misselijkmakende wisseling van seizoenen, ondanks de tegennatuurlijke achtbaan van winter-zomer-winter-zomer, van donker-licht-donker-licht waaraan het menselijk lichaam nooit echt zal kunnen wennen.

In Alta wonen 18 duizend mensen; het is een groeikern boven de poolcirkel. Ze wonen er omdat ze er meer verdienen dan in het zuiden, omdat ze er minder belasting betalen, omdat er een hogeschool is. Ze wonen er ook vanwege de natuur, met Alta als voorpost in de on-Europese ongereptheid van de Finnmark, terrein van de Sami, de nomadische oerbewoners van Lapland die er nog steeds hun rendierkuddes volgen op de hoogvlakte.

Er is licht in de stad, van de kleine dageraad tussen elf en twee, van het maanlicht dat kaatst tegen de sneeuw en de wolken. De langste nacht is geen zwarte tunnel. Maar met slecht weer, met regen en bewolking, is het een harde stad om in te wonen. Er is zo weinig te doen dat de jeugd achterwaartse loopings probeert met sneeuwscooters.

Er zijn twee soorten mensen in Alta: de mensen die zeggen dat de winter ze niks schelen kan (‘in de zomer krijgen we dubbel zoveel zon’, ‘ach, we zijn het gewend’), en de eerlijke mensen.

Die zeggen dat ze moe zijn. Ze slapen slecht in de winter, en ze slapen slecht in de zomer, als het constant licht is. Het lijkt erop dat ze nooit meer slapen, in Alta.

‘Ik ben de tijd kwijt’, zegt journalist Inger Elin Utsi, geboren in Sami-dorp Kautokeino vlakbij. ‘Elk jaar weer overkomt het me. Ik weet niet wanneer ik moet eten, en ik slaap vier uur per nacht.’

‘’s Middags worden we slaperig en ’s avonds zijn we er overheen’, zegt Espen Ottem, die studeerde voor poolbioloog maar nu een buitensporthotel heeft in het Mathisdal en zijn gasten door de Finnmark gidst. ‘Dus gaan we te laat naar bed.’

‘Het blijft ellende’, zegt Katja, een van de Russische uitwisselstudenten aan de hogeschool. Ze komt uit Moermansk. ‘Waarom – ik heb het mijn ouders vaak gevraagd – waarom ben ik niet ergens anders geboren?’

Het is ook onderzocht natuurlijk, door de Universiteit van Tromsø: ruim 41 procent van de vrouwen en bijna 30 procent van de mannen tussen 20 en 50 jaar heeft last van insomnia, de medische term voor slecht slapen. Maar er is verder weinig aan te doen. Sommigen schaffen daglichtlampen aan. Iedereen slikt vitamine C en D.

De potjes staan tot op het ontbijtbuffet van de hotels. En dan is het wachten. Als de zon weer zichtbaar wordt, in januari, hangen de schoolkinderen papieren zonnen voor het raam en eten ze zonnetaart.

Inger: ‘Alta is een sociale stad. We zitten graag bij elkaar, vertellen verhalen, de televisie blijft uit. Noorderlingen zijn anders; minder stug dan gemiddelde Noren.’

Bodil: ‘Hier is je familie, hier is wat je kent. Studenten met goede cijfers vertrekken naar Oslo zodra ze kunnen, maar de helft komt weer terug.’

Espen: ‘Buiten de stad, in de bergen, is de winter heerlijk.’

Hij zit op een rendiervacht, bij een kampvuur, naast zijn tent; een witte hoekige tent, een type dat de Sami gebruiken. Er ligt verse sneeuw op. In een tent, had hij gezegd, maak je de nacht het beste mee. Maar eigenlijk bedoelde hij: buiten.

Buiten openbaart zich de echte noordelijke nacht, zonder tussenkomst van koplampen of natriumlicht. Hier, vlakbij de stad, wonen nog de lynx, de veelvraat, de wolf en de bruine beer.

‘In Alta’, zegt Espen, ‘zie je niks. Daar ga je naar kantoor en kom je thuis en leef je in eenzelfde soort donker. Hier verandert alles constant.’

Hij geeuwt. Het is lastig om niet in slaap te vallen op zo'n rendiervacht, bij een kampvuur waar een ketel in hangt voor de koffie. Sterren prikken door de hemel. De driekwartmaan valt door de dennen heen. Espen serveert soep met stukken rendiervlees, wortel en aardappel. Het is 14.23.

‘Ik zou niet zonder mørketid kunnen’, zegt Espen, ‘Het licht – zie je hoeveel er hier nog is? En hoe het verandert! De maand mei, als het allemaal wegdooit, grauw en dor – díe maakt pas depressief.’

Hij wandelt een berg op, mijnwerkerslamp op zijn hoofd, jonge onbezonnen herdershond aan zijn hielen. Het is 16.09. Het is donker, maar sneeuw glanst in de bomen en vangt genoeg licht van de maan zodat Espen zijn lamp niet aan hoeft te doen. Elk kwartier is het nachtlicht anders nu; fluweelzwart aan de overkant van het dal, antraciet tussen de zwarte skeletten van de bomen, ijsblauw rond de maan, bleekgroen bovenop de berg.

Bleekgroen!

Espen staat stil. ‘Ik weet het niet’, zegt hij. ‘Het is drie weken geleden* Nee, dit is er geen dag voor.’

Maar hij heeft het gezien.

Over de top van de berg valt bleekgroen licht naar beneden, een kleine waterval, en dan stroomt het in een streep zijn kant op. Meer kleur krijgt het, geelgroen, heldergroen, tegennatuurlijk transparant.

Daar is het noorderlicht. Espen houdt zijn gezicht schuin omhoog – honderden keren heeft hij het al gezien maar nooit was het hetzelfde. ‘Na de eerste keer’, zegt hij, ‘kun je niet meer zonder.’

Het licht pakt zich samen tot een wolk, schiet als een roofdier van links en rechts, duikt langs de bergflank naar beneden, vervormt tot een gordijn, blijft even hangen en lanceert zich dan als een zoeklicht omhoog.

De onbezonnen herdershond staat stil en kijkt mee; zoveel mythes en verhalen zijn bedacht bij dit buitenaardse natuurverschijnsel en je weet: dit is allemaal te verklaren, dit is niets meer dan een hoge botsing van deeltjes en atomen, je las in de krant vanochtend dat ze het poollicht willen exploiteren als alternatieve krachtbron – maar je ontkomt er niet aan een beest te zien in dit licht, dat maalt en beweegt alsof het leeft, een beest uit een sterrenstelsel, een wezen waarvan je een bedoeling vermoed maar niet begrijpt.

De Sami zullen nooit tegen het noorderlicht schreeuwen en hun kinderen dansen nog steeds de dans van de Groene Dame als het zich laat zien. Chinezen en Japanners reizen naar Lapland om te vrijen onder poollicht.

Dit is de echte dageraad van de poolwinter, en geen zon is er tegen opgewassen.

Meer over