Dolf Jansen

Hij is behalve een cabaretier die een opzichtige voorkeur aan de dag legt voor dik hout om planken van te zagen het soort beoefenaar van de kleinkunst waarop de VARA om de een of andere reden patent heeft en die altijd wel een of andere prijs heeft gewonnen op het...

Het komt door het misverstand wat in zijn geval een overtuiging is dat alles in het leven zich leent om grappen over te maken. Dat om alles kan worden gelachen. Zijn vak is grappen maken, althans een bepaalde vorm van grappen: veelal de ondiepe grap die je als toehoorder vreest en niet wilt horen, omdat hij zijn komst al zwaar stampend en van verre aankondigt, en waarvan je dus tegen beter weten in hoopt dat hij onderweg verdwaalt of in het niets verdwijnt, maar die toch altijd triomfantelijk zijn doel bereikt. Dat doel ligt er vaak verlaten bij. Hij is een voetballer die een voorzet geeft en die zelf inkopt.

Zijn humor draagt steeds de dreiging met zich mee dat hij wel eens in het wilde weg kon gaan schieten als er niet gelachen wordt. Je kunt voor de veiligheid maar beter doen wat hij wil: lachen zodra hij zijn mond opendoet, ongeacht wat er uitkomt.

Waar hij verschijnt op het toneel, bij VARA Laat, in het radioprogramma Spijkers met Koppen overal weet men inmiddels direct dat het nu leuk moet gaan worden en dat dus geschater is geboden. Desnoods onvrijwillig. Zijn aanwezigheid dwingt dat af. Wie niet meedoet, houdt zich niet aan de afspraak dat zijn optreden ten doel heeft de lichtheid van het bestaan te onderstrepen. Of heeft een verkeerd gevoel voor humor. Hij maakt dat men vaak zijn hart moet vasthouden.

In alles staat hij zelf centraal. Hij trekt alle aandacht naar zich toe door zijn uiterlijke verschijning, waar hij nog een schepje bovenop doet met wonderlijke kapsels in onalledaagse kleuren, waardoor hij associaties met een plumeau kan oproepen. Door zijn razende manier van praten, waarbij hij over zijn eigen woorden struikelt als een hordenloper die opzettelijk elke hindernis omverwerpt in de veronderstelling zo sneller aan de eindstreep te komen. Door voortdurend aan het woord te zijn of dat te willen zijn. Door altijd de gesprekspartner te slim af te willen zijn. Door altijd die ondertoon die suggereert dat de grap elk moment kan komen, terwijl de lach om de vorige nog maar net is verstomd. Hij moet verslaafd zijn aan zichzelf, als een verbale narcist die weliswaar de vijver voorbijloopt waarin hij zijn beeld weerspiegeld zou kunnen zien, maar die daarentegen niet genoeg kan krijgen van zijn eigen stemgeluid. Hij moet goed tegen een muur kunnen praten.

Wat hij al die tijd deed en naar te vrezen valt nog lang zal doen, want hij is ernaar gaan staan en er lijkt geen weg meer terug is in de eerste plaats zichzelf presenteren. Van de betere programma's op de televisie zal de kijker zich de volgende dag in de eerste plaats sommige gasten of sommige onderwerpen herinneren. Daarna pas de presentator. Het lijkt de juiste volgorde. Bij hem is het andersom. Hij stelt zichzelf voorop en beneemt het zicht op waar het over gaat.

Hij is een doel in zichzelf geworden en kan daardoor schaamteloos in het openbaar te koop met zichzelf. Hij behoort tot de categorie presentatoren die het geestelijk potloodventen na enkele bevredigende reacties als hun roeping zijn gaan beschouwen. Als hun antwoord op de vraag waartoe zij op aarde zijn. Zijn exhibitioneren moet voortkomen uit grote zelfvoldaanheid. Hij neemt niet eens meer de moeite zijn regenjas dicht te knopen na gedane zaken, maar laat hem permanent openhangen, zodat de blik van het publiek op waar het naar zijn idee om gaat, niet wordt belemmerd. Dat is ook veel praktischer, want zo vaak ziet hij aanleiding zichzelf te presenteren dat hij wel aan de gang kan blijven met die jas. Zo kan hij soms de indruk maken niet eens meer te weten hoe hij er eigenlijk bij loopt.

Hij overstijgt zijn programma's in dienst van zichzelf. De gasten die langskomen, zijn de decorstukken waartegen hij schittert. Ze vormen slechts de achtergrond en de aanleiding voor zijn aanwezigheid. Zwijgen lijkt hem zwaar te vallen. Een minuut waarin hij niet komisch kan zijn, moet hij als verloren tijd beschouwen.

De hyperactiviteit die hij permanent tentoonspreidt, en die associaties oproept met het om onduidelijke redenen oprukkende verschijnsel van het ADHD-kind, is niet van alle tijden. Als jongen was hij juist heel stil, zei zijn moeder, een Ierse, onlangs in een interview. Op school zei hij bijna niets. Later is hij meer op haar gaan lijken. Extroverter geworden. Ieren lachen veel, zei zijn moeder in dat vraaggesprek, ook om dingen waar andere mensen niet om lachen.

Erfelijk belast zijn, is niet altijd een pretje, maar hij maakt niet de indruk gebukt te gaan onder het feit dat hij overal humor in ziet, ook daar waar de humor niet voor iedereen zichtbaar is of voor het grijpen ligt. Misschien ziet hij de humor ook wel in die uitspraak van zijn moeder.

Wellicht spelen zijn Ierse genen hem parten tijdens zijn optreden als presentator op radio en televisie. Hij moet grappen maken, hij kan niet anders, het zit in zijn bloed. Er moet gelachen worden.

Aan zelfvertrouwen heeft het hem nooit ontbroken, heeft hij ooit gezegd. Het liefst bereidt hij zijn programma's niet voor en vaart hij op zijn improvisatievermogen. Maar meer dan op zelfvertrouwen wijst zijn compulsieve behoefte altijd en overal steeds de leukste thuis te willen zijn, toch op een voortdurende zoektocht naar bevestiging.

Wie alles met een grap probeert af te doen, nergens al te lang bij wil stilstaan, neemt elke opponent die iets dieper op de zaak wil ingaan, de wapens uit handen, maar wil in de eerste plaats zichzelf ongevaarlijk en onschadelijk maken. Hij gaat op zijn rug liggen om aardig te worden gevonden. Het maakt hem tot een opgeruimde ondiepte in het bestaan. Iemand met humor neemt zichzelf niet zo serieus, zei zijn moeder ook. Hij moet zichzelf zeer serieus nemen.

Meer over