Doktoren langs de rafelrand

In een rommelig souterrain in Amsterdam behandelen de (gepensioneerde) artsen van Kruispost asielzoekers, illegalen, zwervers en alcoholisten zonder verzekering of geld....

tekst Karolien Knols . fotografie Joost van den Broek

Dit is Arthur: een grijze muts, daaronder ogen die staren naar een leven in een andere tijd, in een andere plaats. Een dikke jas en in zijn hand een tas met een grauwe slaapzak. Arthur komt uit Letland, hij is 21 en hij is ziek. Hij is gebracht door een jongen van het daklozenproject waar hij weleens komt aanwaaien. Die voert het woord omdat Arthur alleen Russisch en een paar woorden Duits spreekt. De laatste dagen, zegt die jongen, moet Arthur vaak hoesten, en van het hoesten moet hij kotsen, en daarbij spuugt hij bloed. ‘Wann’, vraagt Bob Witsenburg, huisarts in ruste, en hij doet alsof hij moet overgeven. Arthur steekt een voor een zijn vingers omhoog. Tien dagen. ‘Uche, uche’, hoest Witsenburg, ‘auch zehn Tage?’ Vijftien vingers. ‘How is the toilet?’ Een blik van onbegrip. ‘Pssss’, zegt Witsenburg en hij houdt zijn handen voor zijn broek, ‘okay?’ ‘No, no’, zegt Arthur en zijn blik gaat weer op oneindig. Even later ligt hij op de bank. Zijn buik wordt beklopt, zijn organen worden bevoeld, zijn longen beluisterd. Witsenburg kijkt zorgelijk. Hij zegt: ‘Dit is niet van een of twee weken. Zijn milt is vergroot, zijn lever ook, en ik vind z’n ogen ook een beetje geel. Hij heeft in ieder geval hepatitis. Misschien meer. Dat moet een internist uitzoeken.’ Maar ja, Arthur is onverzekerd, dus wie gaat dat betalen? Het daklozenproject, zegt de begeleider, heeft wel een potje onvoorzien. Daar zit ‘behoorlijk wat in’. Terwijl de praktische zaken worden besproken en de verwijsbrief voor het ziekenhuis wordt geschreven, zit daar die knul, die god weet waarom uit Letland is weggegaan – onbewogen, geen idee van wat hem boven het hoofd hangt.

De Amsterdamse Oudezijds Voorburgwal, op een koude avond in januari. Tussen seksshop Caligula en het kantoor van de Stads evangelisten hangt een groot wit bord. Kruispost staat erop. De organisatie werd 25 jaar geleden opgericht door de christelijke gemeenschap Oudezijds 100, en drijft op giften, bijdragen van patiënten en subsidie van de gemeente Amsterdam. Kwamen er in het begin vooral Nederlandse daklozen en verslaafden, tegenwoordig zijn het overwegend onverzekerde buitenlanders die aankloppen voor de bijna gratis eerstelijns medische hulp: uitgeprocedeerde asielzoekers, gelukzoekers uit Afrika, Latijns-Amerika, Oost-Europa, een enkele Griek of Italiaan. Op vijf ochtenden en vijf avonden per week kunnen ze terecht in twee spreekkamers in een wat armoedig souterrain, en ze mogen in Den Haag nog zo hard roepen dat het aantal asielzoekers is gedaald de laatste jaren, bij Kruispost weten ze wel beter. ‘Minder asielzoekers’, schampert Lies Overgaauw, gepensioneerd bedrijfsarts, ‘de duvel mag je halen! We deden hier vorig jaar bijna zevenduizend consulten. Ik vraag aan mijn patiënten altijd hoe lang ze in Nederland zijn. De meesten zeggen: twee, drie maanden. Dacht je dat die zich officiëel als asielzoeker hebben aangemeld? Welnee. Die hebben veel geld uitgegeven om hier te komen, die laten zich toch niet per kerende post terugsturen?’ Hoge bloeddruk, diabetes, spierpijn, maagklachten, huidproblemen, keelpijn – dat zijn de meest voorkomende kwalen die de artsen van Kruispost behandelen. Een enkele keer is er iets ernstigers aan de hand, is er het vermoeden van kanker, van hepatitis of van aids. ‘We zijn hier de hoeders van de volksgezondheid’, zegt Overgaauw. ‘Schurft en tbc, het komt allemaal weer terug. Dat moet zich natuurlijk niet over de stad gaan verspreiden.’

Lies Overgaauw is, net als Bob Witsenburg, een van de 45 artsen die zich een paar keer per maand vrijwillig inzetten voor Kruispost. Eenderde van de artsen is ouder dan 65. Witsenburg is 69, Overgaauw ‘ouder dan 75, maar ik wil niet met mijn leeftijd in de krant’. Collega Willem Cense is 66, Dirk Pranger – ‘Ik zeg wel eens: Kruispost is een afkickcentrum voor bejaarde huisartsen’ – is net als Bertha van Knippenburg net 65 geworden. Door hun jarenlange ervaring bij Kruispost herkennen ze inmiddels patronen in de kwalen van hun patiënten. De laatste jaren komen er vooral Oost-Europeanen, meestal mannen, goedkope krachten uit het zwarte circuit van tuinbouw en aannemerij. Pranger: ‘Bij die groep speelt verslaving vaker een rol.’ Mensen uit Latijns-Amerika komen voor huis-tuin-en-keukenkwalen. Ze kunnen bovendien heel goed uitleggen wat ze voelen. Pranger: ‘Ik vind ze ook het best geïntegreerd. Zuid-Amerikanen zijn toch meer verwant aan onze cultuur dan de Afrikanen.’ Afrikanen vertalen alles met vage buikklachten. Pranger: ‘Negers, met alle respect, hebben een totaal ander begrip van gezondheid en ziekte dan wij.’ Van Knippenburg: ‘Komt er iemand binnen die zegt: ‘O, ik heb zo’n pijn.’ Vraag ik: sinds wanneer? ‘O, zo’n pijn.’ Waar, wijs het eens aan. ‘O, zo’n pijn.’ Wat voel je dan? ‘O, zo’n pijn.’ Dan denk ik: ik heb toch drie duidelijke vragen gesteld, maar nou weet ik nog niks.’ Pranger: ‘Het stomste wat je dan kunt doen, is zeggen: sorry, ik kan niks vinden, of: het gaat vanzelf over. Dat accepteren ze niet. Dan ben je in hun ogen geen goede arts. Een goede arts geeft pillen. Nou ja, dan geef ik een doosje paracetamol.’

Een praktijkruimte zonder daglicht. Eén computer, waarop alle handgeschreven patiëntenkaarten elke dag moeten worden ingevoerd. Een paar keer per maand een allesoverheersende stank, meegebracht door zwervers die hun loopvoeten willen laten behandelen. Ha, lachen de artsen en ze zwaaien met hun spuitbus Brise Fraîcheur. ‘Dat hoort erbij, eens in de zoveel tijd ben je de klos.’ Toch: wat bezielt mensen die hun leven lang specialist zijn geweest, of huisarts met een bloeiende praktijk, om nu voor nop onder primitieve omstandigheden te werken? Cense, die jarenlang huisarts op Urk was en, voor hij eind jaren negentig een hersenbloeding kreeg, tien jaar algemeen directeur van het Rode Kruis: ‘Ik zou het een bloody, bloody shame vinden als mensen die om wat voor reden dan ook tussen wal en schip zijn geraakt, geen medische hulp zouden krijgen.’ Overgaauw: ‘Het is inherent aan je vak. Mensen helpen. Ik blijf het doen zo lang het kan.’ Van Knippenburg, tot haar pensionering hoofd opleidingen in het Leids Universitair Medisch Centrum: ‘Het heeft ook iets heroïsch: van niets iets maken.’ Cense: ‘Je kunt niet even een fotootje laten maken, of even bloed prikken, of doorverwijzen naar een psychiater omdat je weleens fed up van iemand bent. Dat kan niet, simpelweg omdat het te duur is, en onze patiënten geen geld hebben. Dus moet je zelf heel goed onderzoek doen. Je wordt teruggeworpen op je kandidaatsniveau geneeskunde: onderzoeken met je ogen, je neus, je oren, je handen.’ Cense is naast zijn werk bij Kruispost ook betrokken bij een groot project van de Zweedse Rotary, in Zuid-Kenia. Elk jaar gaat hij er twee maanden heen, dan rijdt hij in een jeep langs medische posten om hulp te bieden. ‘Het enige dat ik meeneem zijn mijn flexhamer en mijn stethoscoop. Daarmee moet ik het doen. Hier heb ik datzelfde gevoel. Kloppen, voelen, kijken, ruiken, en daarop je diagnose baseren. Ik vind dat een leuke kieteling.’

De eerste patiënt die zich vandaag bij Overgaauw meldt is een Nederlandse man van Marokkaanse komaf. Hij heeft last van zijn keel. ‘Zeg, luister eens’, zegt ze, ‘je hebt een Nederlands paspoort, hoe kan het dan dat je hier bent? Ben je niet verzekerd?’ De man mompelt iets over bureaucratisch gedoe, en dat je er hard voor moet werken. ‘Waarom doe je dat dan niet?’ ‘Ik ben ermee bezig.’ ‘Goed, dat is dus een hele geschiedenis, maar vertel: heb je pijn met slikken?’ ‘Ja.’ ‘Koorts?’ ‘Nee, maar ik hoest wel slijm.’ ‘Wit, geel, groen?’ Het antwoord wordt keurig op een kaart geschreven. Dan vraagt Overgauw: ‘Je bent dakloos?’ Binnen een paar minuten ligt het verhaal van de man op tafel. Alcoholist, Jellinek-support, geen contact meer met familie. Hij slaapt bij het Leger des Heils. Vroeger was hij hotelmanager. Zo meteen heeft hij een afspraak bij het juridisch loket, daar gaan ze hem helpen zijn oude werkgever aan te klagen. Het lichamelijk onderzoek gaat intussen door. ‘Zeg eens aaa, doe je trui eens omhoog, adem in, en weer uit, in de gang kun je straks een plas doen.’ ‘Hotelmanager’, reageert Overgaauw. ‘En waarom ga je je oude baas aanklagen?’ ‘Hij heeft me niet betaald’, zegt de man. ‘Niet naar behoren.’

Begaan met het leed van anderen, maar niet naïef. De aandrang om met elk verhaal mee te leven en elke patiënt ook maatschappelijk vooruit te willen helpen, is bij veel artsen langzaamaan minder geworden. Soms tot hun grote spijt. ‘Ik zag het al toen hij binnenkwam’, zegt Overgaauw wanneer haar patiënt even later met een verwijzing voor de longarts en het maatschappelijk werk de deur achter zich sluit, ‘dat weekachtige in zijn gezicht. Soms komt er iemand binnen, met zo’n krachtige donkere kop, dan denk ik: jij redt je wel. Maar bij deze man* Je doet van alles om hem vast te houden, maar tegelijkertijd weet je: het wordt niks. Ik zou zo graag íéts van mijn eigen energie in zo’n jongen willen stoppen. Maar je kunt mensen niet vormen naar jouw beeld. Ze hebben hun eigen verantwoordelijkheid.’ Maar waar Overgaauw uit elk consult het maximale probeert te halen, zegt Cense: ‘Kijk, iedereen die hier komt, draagt een rugzak met ellende mee. Dat is zielig, maar daar kan ik verder ook niks aan doen. Kruispost heeft niets aan mij als ik aan mededogen ten onder ga. Ik moet er alleen maar voor zorgen dat niemand met tbc de deur uitloopt.’ En Pranger: ‘Als huisarts zul je altijd proberen in zieke mensen iets positiefs te zien. Maar je moet er goed op letten dat je niet voor de gek wordt gehouden.’ Hij heeft het nog niet gezegd of er stapt een jonge Afrikaanse vrouw zijn spreekkamer binnen. ‘So, what’s the problem?’, vraagt hij terwijl ze gaat zitten. ‘I don’t have a problem, I’m pregnant’, zegt de vrouw. Meteen schuift ze een formulier over tafel. Van de IND. Of de dokter daarop wil invullen wat haar medisch mankeert. Dat is niet veel, ziet Pranger op de kaart: een keizersnee in 2003, pijn aan de knie, lage rugklachten. ‘I also had gas’, zegt de vrouw. Pranger, in het Nederlands: ‘Nou, daar krijg je geen verblijfsvergunning mee.’ Toch vult hij braaf haar gegevens in. Hij zegt: ‘Kijk, daar worden we voor gebruikt. Deze vrouw is al negen jaar in Nederland, haar asielaanvraag is afgewezen, maar nu heeft ze een advocaat en die probeert alsnog op medische gronden een verblijfsvergunning te regelen. Ben ik een kwartier met haar bezig, terwijl ik weet dat het toch niet lukt, en er andere mensen in de wachtkamer zitten die echt iets hebben.’ Is ze eigenlijk al naar een vroedvrouw geweest? ‘No, too expensive.’ Kan Pranger haar niet onderzoeken? Nee, zegt die. ‘Last question’, probeert de vrouw nog: of er een organisatie is die haar geld kan geven voor de vroedvrouw? Pranger, even later: ‘Hard gesteld is dit wat ze wil: 1.000 euro voor de vroedvrouw en een verblijfsvergunning. Geen van beide kan ik geven.’

Zegt Overgaauw, op de vraag wat ze op haar leeftijd, en na zoveel jaar arts te zijn geweest, bij Kruispost heeft geleerd: ‘Ik ben nog van een generatie die is opgegroeid met zekerheid. Alles was gedekt, van je wieg tot je graf. Deze mensen hebben niks. Komen binnen, helemaal blij: ik ben zwanger. Heremetiet, ik zou me geen raad weten. Ze hebben een status van niks, weten niet wat er morgen gebeurt, of overmorgen. En dan toch lachen. Dan denk ik: hoe kun je leven in zo’n ellendige omstandigheid, en toch blij zijn?’

Naschrift

Tijdens de twee dagen dat Volkskrant magazine meeliep bij Kruispost werden er 49 mensen geholpen. Ze kwamen uit Guinee, Turkije, Nederland, Ethiopië, Somalië, Sierra Leone, Soedan, Armenië, Afghanistan, de Filipijnen, Brazilië, Kameroen, Jamaica, Egypte, Nigeria, Australië, Verenigde Staten, Marokko, Burundi, Ghana en Colombia. Elf mensen werden door maatschappelijk werk gezien. Vier werden er doorverwezen naar een specialist. Er zijn recepten uitgeschreven voor pillen voor hoge bloeddruk en voor SOA. Tweemaal werd urine getest op suiker. De dakloze alcoholist van Lies Overgaauw kreeg een antibioticakuur voor zijn keel. Arthur uit Letland meldde zich na het bezoek aan Kruispost bij Het Stoelenproject, een slaapplaats voor daklozen. Daar werd hij weggestuurd vanwege de voorlopige diagnose geelzucht. Een week later heeft hij zich in een ziekenhuis gemeld bij een internist. Hij is opgenomen met een leverontsteking en een darminfectie.

Meer over