Dokter gaat staken

Voor de huisartsen is de maat vol. De werkdruk wordt groter en hun inkomen blijft achter. Maakt het kabinet in de Voorjaarsnota onvoldoende geld vrij voor de huisartsenzorg, dan komen er stakingen....

Het bestuur van de Landelijke Huisartsen Vereniging (LHV) heeft vorige week aangekondigd dat de artsen in de week na het verschijnen van de Voorjaarsnota van het kabinet, waarschijnlijk nog deze maand, drie dagen gaan staken als het extra geld dat ze in de nota toegezegd krijgen, tegenvalt.

Hun werk is zwaarder geworden, klagen ze, en hun inkomen is achtergebleven. Sinds 1987 hebben zij alleen inflatie-correctie gehad en geen verhoging van de tarieven.

Het inkomen van de huisarts is gebaseerd op een norm van 2350 patiënten per praktijk, waarvan gemiddeld ongeveer 70 procent ziekenfondsverzekerden en 30 procent particulier verzekerden. Dat aantal van 2350 patiënten halen nog maar weinig huisartsen.

'De mensen komen vaker en ze vragen meer', zegt de Bredase huisarts Piet Klinkhamer, bestuurslid van de Landelijke Huisartsenvereniging (LHV). Of een ziekenfondsverzekerde nul of honderd keer per jaar komt; hij levert de huisarts niet meer dan 146,91 gulden op. Maar honderd ziekenfondspatiënten minder per jaar scheelt de dokter 14.691 gulden.

Bewerkelijker patiënten, minder inkomen. Hoe heeft het zover kunnen komen?

Het takenpakket van de huisarts is voor het laatst omschreven in 1958. Geen mens die het toen in zijn hoofd haalde om over het eerbiedwaardige vak te spreken als 'het product huisartsenzorg', zoals nu gebeurt in het rapport van de Commissie Toekomstige Financiering Huisartsenzorg, onder voorzitterschap van de voormalige Unilever-topman M. Tabaksblat. Volgens de commissie is er geen actuele omschrijving van 'het product'.

Wat dat betreft is er wel reden 'de hand in eigen boezem te steken', zegt Klinkhamer, die als bestuurslid van de LHV meewerkt aan dit 'visieproject'. Het was voor de onderhandelingen met Den Haag goed geweest als de nieuwe visie waarover de afgevaardigden van de Landelijke Huisartsenvereniging en het Nederlands Huisartsen Genootschap gaan praten met de leden, de politiek, verzekeraars en alle overige betrokkenen, er nu geweest was, maar daar zal nog wel een klein jaar overheen gaan. 'Met die visie moeten we dan weer tien jaar voortkunnen', zegt Klinkhamer.

Zelf is Klinkhamer 25 jaar huisarts. Op de vraag over de meest wezenlijke verandering in zijn vak in die periode antwoordt hij: 'De toename van het aantal consulten. Veel meer bezoeken en veel meer telefoontjes per patiënt.'

Toenemende onzekerheid is volgens hem de oorzaak. 'Er is een grote informatiestroom gekomen over ziekte en gezondheid. Daar is absoluut niets tegen, maar het brengt mee dat men vaak verdwaalt in het medische bos. Mensen komen op het spreekuur met een stapeltje internet-prints: ''Dokter, ik denk dat ik dit en dat heb''. Ik maak dat niet dagelijks mee, maar toch heel geregeld. Vroeger kostte het vooral tijd om mensen uit te leggen waarom een bepaalde therapie ingezet moest worden, nu moet je hen vaak overtuigen dat het niet zinvol is om de specialisten in te roepen waar zij om vragen.'

De vanzelfsprekendheid van het advies geldt nog maar voor weinig mensen. 'Ze komen vaker en ze vragen meer', zegt Klinkhamer. 'Ook over eenvoudige dingen. Vroeger zei oma ''Blijf maar twee dagen in bed'', maar zo is het niet meer.'

Jonge patiënten zijn bewerkelijker geworden door de combinatie van mondigheid en onzekerheid, oude door het feit dat ze in groten getale steeds ouder worden en dus meer ziektes krijgen waarvoor ze de huisdokter nodig hebben. De verhouding jong/oud verschilt per regio. In West-Brabant is de vergrijzing het grootst. Voor de Bredase huisarts betekent dat veel consulten aan huis en veel overleg met familie, thuiszorg en andere instanties.

Klinkhamer: 'Vijftien jaar geleden vroegen patiënten: ''Dokter, ik kan echt de trap niet meer op, kunt u niet een briefje voor me schrijven?'' Dan gingen ze met dat briefje naar de woningbouwvereniging, of zo. Die vraag is niet veranderd, maar ik moet nu uitleggen dat ik daar niets meer over te zeggen heb. Dat toewijzing via een regionaal indicatie-orgaan gaat, en hoe dat werkt. Dat kost tijd.

'En dan de wachtlijsten natuurlijk. Ik verwijs iemand naar een specialist en de volgende dag heb ik hem aan de telefoon: ''Dokter, u heeft gezegd dat ik naar de specialist moet en daar hoor ik dat ik zes weken moet wachten omdat het niet urgent is. Alleen als u belt is het urgent, zeggen ze, dus wil u voor me bellen?'' Dan moet ik weer uitleggen dat het volgens mij niet echt dringend is en dat ik niet over de agenda van de specialist ga.'

Waren de huisartsen eerst sceptisch over de mogelijkheid een deel van het toenemende werk uit handen te geven aan praktijkondersteunende verpleegkundigen en assistenten, inmiddels zitten ze daar vaak om te springen.

Klinkhamer, tot voor kort solist, heeft onlangs zijn praktijk laten verbouwen om met een praktijkverpleegkundige te kunnen gaan werken. 'Na jaren is er nu financiering mogelijk om zo iemand aan te nemen. Maar zo'n mevrouw moet een plek hebben om te werken en de verbouwing daarvoor moet je eerst zelf financieren.'

Samen met een andere arts heeft hij bovendien een hidha in dienst genomen: een huisarts in dienst van huisarts. 'Heel veel huisartsen die nu afstuderen zeggen: ''Ik brand mijn vingers niet aan de grote investering van een praktijk''.' Van de hidha's is 75 procent vrouw.

Een groot deel van de Nederlandse huisartsen is tussen de 50 en 55 jaar. Zij hebben hun voorgangers de zogeheten goodwill-som betaald toen ze als jonge artsen de praktijken overnamen. Dat systeem is zestien jaar geleden afgeschaft. Als overgangsmaatregel is er een goodwill-fonds, dat in 2003 gaat uitkeren.

De verwachting is dat over twee jaar veel van die vijftigers zullen besluiten dat het genoeg geweest is. Klinkhamer: 'Acht jaar geleden hebben we het Nivel een rapport laten maken over het voorzienbare tekort aan huisartsen. Dat hebben we in Den Haag neergelegd, maar niemand heeft er iets mee gedaan.'

Meer over