Interview

Docent Ton van Haperen: ‘Stuur de schoolbesturen weg en maak de overheid weer de baas over ons onderwijs’

Het Nederlandse onderwijs heeft geen geldprobleem, maar een organisatieprobleem, vindt docent en columnist Ton van Haperen. Ontmantel de schoolbesturen, laat het beheer aan de overheid en schaf de vrijheid van onderwijs af, zegt hij. Dat is de enige manier om de kwaliteit weer omhoog te krijgen.

Ton van Haperen op zijn middelbare school in Eersel: ‘De school is verworden tot een jeugdhonk waar kinderen zich veilig voelen, maar waar ­kennisoverdracht in het gedrang komt.’ Beeld Ivo van der Bent
Ton van Haperen op zijn middelbare school in Eersel: ‘De school is verworden tot een jeugdhonk waar kinderen zich veilig voelen, maar waar ­kennisoverdracht in het gedrang komt.’Beeld Ivo van der Bent

Niets meer en niets minder dan de noodtoestand uitroepen in het onderwijs – dat moet er volgens Ton van Haperen (1959) gebeuren. Of het nu om lezen, schrijven of rekenen gaat: al jarenlang daalt de kwaliteit van het Nederlandse onderwijs op de lijstjes van Pisa, het internationaal vergelijkend onderzoek van de Oeso. Een op de tien 15-jarigen kon in 2000 niet goed lezen. Nu is dat gestegen naar een kwart. De rekentoets om leerlingen weer beter te laten rekenen is mislukt en afgeschaft. Jongeren, met name in het vmbo, begrijpen volgens UvA-onderzoek steeds minder goed hoe onze samenleving is ingericht, wat een parlement doet, wat de regering, wat de rechter.

Juist daarom pleiten schoolbesturen, lerarenbonden, leraren en steeds meer politieke partijen voor meer geld voor het onderwijs. Dit voorjaar nog kwam er 8,5 miljard euro vrij om de leerachterstanden door corona weg te werken. Maar is de ondermijning van het onderwijs gebaat bij geldinjecties? De Algemene Rekenkamer toonde zich deze week bezorgd over de manier waarop extra onderwijsgeld wordt besteed.

In de aanloop naar de kabinetsformatie vindt economiedocent, lerarenopleider en columnist Ton van Haperen het hoog tijd om de heilige huisjes te benoemen. Zijn conclusie: er hoeft niet meer geld bij. ‘Er werken 200 duizend mensen in het basis- en voortgezet onderwijs. Er zijn 2 miljoen leerlingen. Een verhouding van één arbeidsplaats op tien leerlingen. Toch zag ik mijn klas altijd weer opgevuld worden tot 32 leerlingen.’ De klassen, zo is zijn stelling, ‘zouden makkelijk gehalveerd kunnen worden als we het eens worden over wat een school is. Als de overheid zelf, in plaats van schoolbesturen, weer de baas wordt. En als we samen weer gaan bepalen wat leerlingen moeten leren, in plaats van elke school zijn eigen hobby te laten uitproberen onder het mom van de vrijheid van onderwijs.’

De onderwijssector lijdt volgens Van Haperen aan een ‘bestuursinfarct’ dat fundamentele verbeteringen in de weg staat. En dat kan maar op één manier worden opgelost: door de vrijheid van onderwijs op te heffen, omdat die een anachronisme is, en te stoppen met de lumpsum, ‘de financiële privatisering van scholen die ertoe heeft geleid dat schoolbestuurders machtiger, talrijker en rijker werden, en de leraren ondergewaardeerd, schaarser en ongeschoolder’.

Van Haperen doceert economie aan het Rythovius College in Eersel en leidt leraren op aan de Universiteit Leiden. Hij werkt aan een nieuw curriculum voor het economie-onderwijs en schrijft al jaren als columnist in het Onderwijsblad. Al twee keer eerder luidde hij de noodklok. In 2007 publiceerde hij het boek De ondergang van de Nederlandse leraar en in 2019 Het bezwaar van de leraar. Het maakte hem niet per se geliefd op het ministerie, al nodigden ze hem wel uit om powerpointpresentaties te geven. Nu het onderwijsniveau door corona op een dieptepunt is gekomen en 25 jaar onderwijshervormingen volgens hem keer op keer een averechts effect hebben gehad, roept hij op tot een onderwijsrevolutie. Hij stond zelfs op de lijst van een politieke partij, Nederland Beter, maar die behaalde geen zetel.

Er is volgens u geen lerarentekort, maar een organisatieprobleem?

‘Er is een arbeidsverdelingsprobleem. Een deel van de docenten werkt zich het snot voor de ogen in de klas, terwijl steeds meer van hun collega’s andere dingen gaan doen. Die krijgen meer zorgtaken erbij. En juist die taken hebben meer status dan gewoon goed lesgeven. De school is verworden tot een jeugdhonk waar kinderen het goed hebben, zich veilig voelen en waar de tekortkomingen van de maatschappij moeten worden weggemasseerd, maar waar kennisoverdracht in het gedrang komt.’

De samenleving is toch ook complexer en diverser geworden? Er zijn meer eenoudergezinnen, meer kinderen die in armoede opgroeien. Die hebben toch steun nodig?

‘Ja, maar de vraag is of je dit allemaal via school moet oplossen. Het wordt te complex voor de docenten en ze komen te weinig aan kennisoverdracht toe. Leraren die zich willen ontwikkelen, worden vooral gestimuleerd dat te doen in de richting van de nieuw bedachte functies in het onderwijs. Wie beter in zijn vak wil worden, moet dat in zijn eigen tijd doen. Academici hebben mede daardoor het onderwijs verlaten, omdat ze zich er niet gewaardeerd en steeds minder thuis voelden. Ik hoorde van voormalig minister Jet Bussemaker van Onderwijs dat er van de 100 nieuwe academisch geschoolde leraren binnen vijf jaar nog maar 28 over zijn.’

En dat komt volgens u door de invoering van de lumpsum. Waarom is die zo desastreus?

‘De lumpsum is de financiële bijdrage die het ministerie van Onderwijs aan de Nederlandse scholen geeft. Het is eigenlijk een grote pot geld die wordt overgemaakt naar de schoolbesturen en in ruil daarvoor hebben de schoolbesturen beleidsautonomie gekregen. Dat werden ineens veel belangrijkere en machtigere bolwerken. Ze noemden zichzelf ook ineens werkgevers. Er kwamen beleidsafdelingen. Die verzonnen allerlei innovaties en zorgden ervoor dat er steeds meer functies in het onderwijs kwamen die gericht waren op het maatschappelijk begeleiden en ondersteunen van leerlingen.

‘Op de ene school kwamen talentklassen of individuele leerwegen. De ander stelde autismebegeleiders aan, weer een ander dyslexie-ondersteuners. En wie kon, zette mooie nieuwe gebouwen neer. Maar dat gebeurde vaak ook deels van het geld dat was bedoeld voor het primaire onderwijsbudget: voor het redelijk betalen van goede leraren en het klein houden van klassen. De verschillen tussen scholen groeiden door al die experimenten. Er werd niet gekeken naar behoeften van docenten en leerlingen, maar naar kostenbeheersing en schaalvoordelen via fusies, zodat men geld kon vrijmaken voor door het management gedreven innovaties.’

En daar zei niemand iets van?

‘Het bestuur van Ons Middelbaar Onderwijs, waaronder mijn school valt, heeft na alle fusies een budget zo groot als een stad als Tilburg, Breda of Den Bosch: 500 miljoen euro voor 70 duizend leerlingen en 7.000 leraren. Maar er is helemaal geen democratische controle op de manier waarop het wordt uitgegeven. Er is geen controle van de markt, want ze krijgen gewoon geld per leerling. Er is geen controle van de overheid, want de besturen zijn autonoom. Er is alleen een medezeggenschapsraad. De geldbehoefte en innovatiedrang van de schoolbesturen verklaart waarom de klassen ondanks extra kapitaalinjecties maar niet kleiner worden. Schoolbesturen hebben veel te veel macht en dat wordt nog eens versterkt door artikel 23 van de Grondwet, dat de vrijheid van onderwijs regelt.’

Dus u wilt niet alleen van de lumpsum af, maar ook van de vrijheid van onderwijs?

‘De combinatie van vrijheid van onderwijs met de door de lumpsum vergrote macht van schoolbesturen geeft de nog echt religieuze scholen meer mogelijkheden zich te isoleren dan voordien. Die combinatie draagt niet bij aan het opleiden van goed geschoolde en geïntegreerde Nederlanders die op wereldwijde schaal competitief zijn.

‘Jarenlang functioneerde de vrijheid van onderwijs als een instrument om iedereen in eigen zuil de ruimte te geven om zich te ontwikkelen tot een goed opgeleide burger van Nederland, maar nu is onze maatschappij op een klein deel na geseculariseerd. Onze kinderen concurreren niet met andere geloofsgroepen in Nederland, maar met kinderen in China, de VS en Chili. Je moet geen katholieke, protestants-christelijke of islamitische kinderen opvoeden, maar Nederlandse kinderen die in de wereld hun mannetje en vrouwtje kunnen staan. Het lijkt me dus logisch om er als ­samenleving voor te zorgen dat burgers goed worden opgeleid. Dat bevordert ook de integratie.’

Wat zijn de belangrijkste drie dingen die u de formateurs wilt meegeven?

‘Het doel is natuurlijk dat kinderen op school weer meer gaan leren en presteren, met meer plezier. Daarvoor is nodig dat het ministerie het beheer van de scholen weer overneemt. Leraren komen weer in dienst bij het ministerie, precies als ambtenaren. En de salarissen worden vanuit het ministerie betaald. De schoolleiding concentreert zich weer op waar ze goed in is: goed onderwijs organiseren. En de besturen worden afgeschaft.

‘Dat betekent dat je tijdelijk een noodtoestand krijgt, een overgangssituatie waarin de schoolbesturen worden ontslagen, de scholen worden onteigend, leraren opnieuw moeten solliciteren naar hun baan en het ministerie ervoor gaat zorgen dat de 200 duizend werkenden in het onderwijs de 2 miljoen kinderen weer fatsoenlijk les bieden. Iedereen moet het gevoel krijgen dat we opnieuw beginnen.’

Maar dan ligt het onderwijs ineens helemaal stil. Dat kan toch niet?

‘Je moet dat goed voorbereiden. De gebouwen blijven gewoon staan, de kinderen blijven les krijgen, terwijl de leraren solliciteren. De meeste leraren zullen op hun eigen school verdergaan. De meeste leerlingen ook. Maar er komt een nieuwe leiding en een nieuw leerplan. Het is eerder gedaan, in New Orleans na de orkaan Katrina. Daar zijn ze ook helemaal opnieuw begonnen. Iedereen had nieuwe energie om te bouwen aan nieuw onderwijs, de onderwijsprestaties zijn omhooggegaan. Het klinkt heel revolutionair dat je scholen onteigent en besturen wegstuurt, maar door die besturen hebben we decennialang het geld niet kunnen besteden aan waar het voor bedoeld was: kleinere klassen en betere, goed gewaardeerde leraren.’

Wat moet er nog meer gebeuren?

‘Leraren moeten worden gestimuleerd om te studeren. Ik vind dat leraren die in zichzelf ­investeren en daar in hun werk mee aan de slag gaan, beter moeten verdienen. Een leraar die zichzelf meer ontwikkelt, gaat spannender en waardevoller lesgeven en dat merken leerlingen ook. Die raken meer gemotiveerd. Daar is iedereen het over eens.’

En dan komt alles goed?

‘We moeten ook ingrijpen in de leerinhoud. Zowel leraren als leerlingen weten nu niet goed wat kinderen moeten leren. Ik denk dat het belangrijk is om nationaal goed vast te leggen wat leerlingen moeten leren, vooral in de kernvakken Nederlands, Engels, rekenen, taal en geschiedenis. Nu is dat alleen in algemene termen beschreven, in kerndoelen, maar het moet concreter. Neem mijn vak, economie. Voor het derde jaar vwo was helemaal niet beschreven wat ze moesten leren. Dat heb ik toen maar zelf gedaan door een boek te schrijven in samenwerking met hoogleraren. Zeker voor de vakken die ik net noemde, is dat onontkoombaar, want dat zijn de vakken waarlangs we in de samenleving communiceren. Er zijn pogingen gedaan met de rekentoets, met de canon, maar die komen onvoldoende aan omdat er allerlei methodes door elkaar lopen.

‘Er is echt een integrale hersteloperatie nodig, waarna duidelijk is wat er geleerd moet worden en wat de einddoelen zijn. Voor elk vak moet lesmateriaal worden gemaakt dat gekoppeld is aan dat einddoel. Zo ook toetsen, en boeken. Dat moet vanuit Den Haag worden geregeld. Daaromheen moet ruimte blijven voor de autonomie van de leraar, zodat hij met zijn vak op de actualiteit en de interesses van leerlingen kan aansluiten.’

Dat is uw advies aan de formateurs?

‘Ja, de lumpsum afschaffen, besturen ontmantelen, leraren belonen die zich ontwikkelen, en vastleggen en uitleggen wat kinderen op welk moment moeten leren. Het zal even duren, maar ik weet zeker dat dit, in tegenstelling tot alle eerdere pogingen, wel zal leiden tot een verbetering van het kennisniveau van de leerlingen, en tot meer leerplezier. Want het motiveert als je ervaart dat je inhoudelijk vooruitgaat en als je begrijpt wat je wanneer en waarom moet leren. Het is belangrijk dat de scholen niet alleen een gezellig jeugdhonk zijn, maar dat leerlingen ook ervaren dat je je met hard werken kunt ontwikkelen en dingen kunt bereiken.’

U presenteerde deze plannen drie jaar geleden al grotendeels in uw boek Het bezwaar van de leraar. U heeft presentaties gegeven op het ministerie, maar er is niks veranderd. Wat doet u denken dat het nu wel zal lukken?

‘Ik weet dat het moeilijk wordt, maar er ontstaat meer steun voor het opheffen van de lumpsum. Volgens mij is iedereen ervoor dat kinderen meer leren op school. Ik denk ook wel dat iedereen ervoor is dat leraren zich beter ontwikkelen. Maar dat kost geld en dat gaat ten koste van iemand anders. Je moet dat offer benoemen. Zonder opoffering is er geen vooruitgang. Leraren moeten hard werken en zich bijscholen, leerlingen moeten hun best doen en schoolbesturen dienen zich op te offeren in het belang van de jeugd en de toekomst.

‘Dat er niks is gedaan met mijn aanbevelingen, komt doordat er na de vele stelselwijzigingen in het onderwijs een angst voor die wijzigingen is ontstaan. Maar een stelsel dat niet werkt, moet je wijzigen. In 2008 constateerde de commissie-Dijsselbloem al dat er veel mis was, maar toen koos de politiek voor rust. Dat was verkeerd. Nu is de situatie nog veel slechter. Het kan niet langer zo doorgaan. Ik denk dat de geesten nu rijper zijn voor verandering. Zelf heb ik geleerd dat mijn boek misschien iets te polemisch was, waardoor je voor of tegen moest zijn. Ik ga nu meer op zoek naar het compromis, temeer omdat me duidelijk is geworden dat veel mensen de analyse delen.’

Welke coalitie moet dit gaan doen?

‘D66, dat het minst slechte onderwijsprogramma heeft, vindt ook dat de overheid het beheer van de scholen weer moet overnemen en dat ze niet meer via het bestuur gefinancierd moeten worden. Al laten ze de besturen verder nog ongemoeid. Ik denk dat een coalitie met daarin D66, PvdA, GroenLinks en eventueel SP dit moet kunnen realiseren. De christelijke partijen moet je erbuiten houden. Die willen niet tornen aan de vrijheid van onderwijs. De VVD moet sowieso meedoen voor de machtsfactor. Rutte vindt dat we een fantastisch onderwijsstelsel hebben. Maar met hem zou je kunnen afspreken dat de VVD onderwijs en het beleid daarop aan anderen laat. In ruil daarvoor mogen ze dan op een ander terrein hun doelen realiseren. Voor mijn part kerncentrales.’

Heilige huisjes

De Volkskrant inventariseert in deze interviewserie revolutionaire ideeën om Nederland te verbeteren. Onderwerpen die tijdens de formatie ­besproken zouden moeten worden.

Verder praten

Bas Mesters zet het gesprek met Ton van Haperen digitaal voort op vrijdag 16 april om 16.30 uur in debatcentrum De Tussenruimte in Den Haag. U kunt dan ook vragen stellen. Aanmelden kan via emma.nl/tussenruimte

Meer over