Dnavorsen

Goed nieuws voor de bijna verdwenen knoflookpad en kamsalamander: door een nieuwe methode is veel makkelijker te zien waar ze nog voorkomen. We gingen mee op speurtocht.

'Dit ziet er goed uit. Hier zouden ze weleens kunnen zitten.' Ecoloog Martijn Schiphouwer wijst naar de dichtbegroeide oevers van de plas. Vandaag gaat hij daar op zoek naar twee zeldzame dieren: de kamsalamander en de grote modderkruiper. We staan in het beekdal van de Aa, dicht onder Den Bosch. Verspreid over een groot stuk weiland liggen stukjes van wat vroeger de Aa was - kleine slootjes en plasjes.

Het plan van vandaag: met een klein emmertje op zoek naar de dieren, die zich het liefst verschuilen in de modder tussen plantenwortels aan de rand van een plas. 'Eigenlijk is het heel droog werk: gewoon potjes water verzamelen', zegt Schiphouwer. Hij werkt bij stichting Ravon, het onderzoeksbureau voor reptielen, amfibieën en vissen.

Ravon controleert de status van veel diersoorten in Nederland, en geeft advies voor beheer van gebieden. Voor dit plekje in Noord-Brabant liggen plannen om de watertjes weer met elkaar te verbinden en er een groter natuurgebied van te maken. Maar als de beschermde kamsalamander en de grote modderkruiper hier wonen, moeten de waterschappen voorzichtig te werk gaan.

Om de status van een diersoort te achterhalen hoeft de onderzoeker niet meer voortdurend met schepnetten te slepen. Een klein beetje water is al genoeg om te achterhalen welke soorten er in de sloot of plas zitten - dankzij het dna dat erin zweeft.

Het visserspak gaat aan. Ondertussen regent het pijpestelen, en dat is niet zo gunstig, vertelt Schiphouwer. Er zit dankzij de neerslag van afgelopen dagen veel extra water in de plas, waardoor de concentratie dna mogelijk verdund is. 'Maar het zal wel gaan.'

Veel attributen zijn niet nodig. Met kleine schepjes water vist Schiphouwer informatie uit het plasje, en dat gaat tamelijk gemakkelijk. Op verschillende kansrijke plaatsen rondom het meertje dompelt hij het mini-emmertje onder water om een monster te nemen. Wel kijkt hij uit dat hij niet te dicht bij zijn pak monsters neemt - daaraan kunnen restjes dna van een andere locatie kleven. Schiphouwer verzamelt zijn schepjes water in een doorzichtige plastic zak. Soms drijft er wat modder in het zijn schepje; Schiphouwer gooit het terug. 'Het monster moet zo schoon mogelijk zijn.'

Twintig schepjes water gaan in de zak. Daar, in de twee liter water die Schiphouwer uit het meertje heeft gehaald, zweeft ook dna. Onzichtbaar opgerold en opgedeeld in minuscule stukjes ligt daar de informatie die we nodig hebben. Zou er ook een stukje kamsalamander tussenzitten?

Dieren laten met alles wat ze doen dna-sporen achter, en Ravon maakt daarvan gretig gebruik. In poep, huidcellen, slijm en andere uitscheiding zitten kleine stukjes genetisch materiaal, dat vanzelf in het water terechtkomt. Van dat zogeheten environmental dna (e-dna) kunnen de onderzoekers achterhalen van welk dier het afkomstig is. Op deze manier hoef je het dier zelf niet meer te vangen om het toch op te sporen.

'Dat is wel zo praktisch voor ecologisch onderzoek', vertelt Jelger Herder, die zich bij Ravon veel met e-dna bezighoudt. 'Vooral voor het opduiken van zeldzame diersoorten die zich niet zo snel laten zien.'

De truc met e-dna werkt het best in stilstaand water, zoals een ven of poel. Er zweeft vaak genoeg materiaal rond om de analyse mee uit te voeren. Bovendien, legt e-dna-expert Herder uit, breekt een dna-molecuul in water snel af: binnen twee weken tot een maand is er niets meer van over. Dat betekent dat de soort die je in je dna-monster aantreft naar alle waarschijnlijkheid nog in leven is.

Op het droge blijft dna juist veel langer intact; in ijskappen zijn bijvoorbeeld honderdduizenden jaren oude sporen gevonden waarmee onderzoekers plant- en diersoorten konden reconstrueren. En uit onderzoek in dierentuinen is gebleken dat e-dna op het droge wel zes jaar lang onbeschadigd kan blijven. Vind je op het land dna-sporen van een bepaalde soort, dan zegt dat dus vrij weinig over de huidige toestand van het dier. Onhandig - zeker als je op zoek bent naar een misschien wel uitgestorven dier.

Bij Ravon zoeken ze veel naar bijna verdwenen dieren. Zoals de knoflookpad, waarmee het heel slecht gaat, de grote modderkruiper en de kamsalamander, die Schiphouwer vandaag probeert op te sporen.

Voor soorten als deze is e-dna een uitkomst, vertelt Herder. 'Het is veel efficiënter. Als je naar een locatie gaat om het dier met de klassieke methode te vinden, kun je er een hele dag over doen en heb je soms nog geen succes. Terwijl je in dezelfde dag ook op meerdere locaties monsters kunt verzamelen.' Schiphouwer voegt toe dat de 'pakkans' veel hoger is met de e-dna-methode. 'Met de monsters die ik nu verzamel, is het vrijwel 100 procent zeker dat ik de dieren ook echt vind - als ze er al zitten.'

Waar het werk van de klassieke veldbioloog nog lang niet afgelopen is na het nemen van een watermonster , zit het werk van Schiphouwer er voor dit meertje bijna op: in principe zijn de dieren gevangen. Hij schudt de zak met het verzamelde water door elkaar, zodat het e-dna goed over het monster verdeeld is. Dan stopt hij kleine hoeveelheden van het water in buisjes met alcohol, dat de natuurlijke afbraakprocessen van dna stopzet. Later gaan de buisjes de vriezer in, en stuurt Schiphouwer ze voor de analyse op naar het Franse laboratorium Spygen.

Ravon is het enige Nederlandse onderzoeksbureau dat in de praktijk met e-dna werkt, 'en wij zijn geen labmensen', zegt Schiphouwer.

Over een paar weken zal Schiphouwer pas weten of de grote modderkruiper en de kamsalamander bewoners zijn van het meertje. In het lab moet het monster nog wat behandelingen ondergaan. Met een zogeheten primer, die als een soort puzzelstukje op een specifieke dna-volgorde past, kan een onderzoeker zien of de soort in het monster aanwezig is of niet. De onderzoeker kan met deze methode ook een hele soortenlijst van een gebied opstellen.

Met een ander soort primer kun je ook een grotere groep dieren identificeren - bijvoorbeeld alle vissen in je monster. Een machine leest dan de streepjescodes van de stukjes verzameld e-dna af, een computer legt die naast een databank van bekende codes. Zo weet de onderzoeker in één klap welke vissen er allemaal in de onderzochte vijver rondzwemmen. Deze methode heeft Ravon afgelopen najaar voor het eerst met succes getest in Nederland, vertelt Herder. 'In stilstaand water konden we met de e-dna-methode meer soorten aantonen dan met gelijktijdig uitgevoerde traditionele bemonsteringen'.

Het blijft met de e-dna-methode lastig om iets te zeggen over het aantal aanwezige dieren op een locatie, vertelt Schiphouwer. Dat is jammer, want het maakt voor het uitstippelen van een beleid nogal uit of er één beestje zit of een hele bende. Er is weliswaar een simpele vuistregel: hoe meer dna in je monster, hoe algemener de soort voorkomt en vice versa. 'Maar dat kan ook door toeval komen, als je bijvoorbeeld veel dna vindt omdat je steeds net boven de kop van een beestje monsters verzamelt', zegt Schiphouwer. 'Helemaal waterdicht is het nooit.'

De nieuwe methode zal op den duur veel van het oude vangwerk overnemen, denkt Schiphouwer. 'Het is zoveel efficiënter, dat is ook goed voor de dieren zelf. Het zal niet meer zo vaak voorkomen dat men een sloot dempt waar toch een zeldzaam dier blijkt te zitten, omdat we ze nu veel beter kunnen opsporen.'

Toch kan de klassieke schepnetmethode zeker nog niet overboord. E-dna zegt namelijk niets over de grootte, de leeftijd en het geslacht van een dier, terwijl die informatie wel belangrijk is om de conditie van een soort te bepalen. 'E-dna laat alleen zien of de soort er al dan niet zit, maar verder zegt het weinig', zegt Schiphouwer.

De ecoloog pakt toch nog even het schepnet erbij. 'Gewoon voor de fun, het zou toch leuk zijn als we nu een grote modderkruiper zagen'. Tevergeefs. Maar wie weet wat het e-dna nog oplevert.

undefined

Het e-dna-rapport van Ravon in samenwerking met internationale collega's is vanaf vandaag te lezen op ravon.nl.

Meer over