Diversiteit ja! Hbo nee!

Het debat over de toekomst van het hoger onderwijs heeft nog het meest weg van de wederzijdse verkettering tussen katholieken en protestanten aan de vooravond van de grote ontkerkelijking....

FRANS Leijnse heeft op de Forumpagina van de Volkskrant als vertegenwoordiger van het hoger beroepsonderwijs de knuppel in het hoenderhok gegooid. Studenten studeren op de universiteit allang niet meer om wetenschapper te worden. Ook de universiteit is een beroepsopleiding geworden.

Dat konden de universitaire bestuurders natuurlijk niet op zich laten zitten. Theo van Els, rector-magnificus van de Katholieke Universiteit Nijmegen, sloeg onmiddellijk terug. Leijnse moest niet denken dat het hbo een academische opleiding is. Een hbo'er wordt opgeleid voor een specifiek beroep, terwijl 'tussen academische opleiding en beroep geen één op één relatie hoeft te zijn.' Een academicus heeft een attitude ontwikkeld die hem in staat stelt in tal van banen zijn kritische en reflexieve vaardigheden te etaleren.

Bij implicatie is een hbo'er veroordeeld tot het vak dat hij op zijn twintigste leerde. Beide partijen maken een karikatuur van elkaar. Het is het narcisme van het kleine verschil. Hoe meer rivalen op elkaar lijken, hoe grotesker de beelden waarmee ze elkaar bestoken. De gelijkenissen worden met veel pathos overschreeuwd.

De overeenkomsten tussen het hoger beroeps- en het wetenschappelijk onderwijs zijn echter allerminst toevallig. Rector Frans van Vught van de Universiteit Twente verklaart deze ontwikkeling met de begrippen 'academic drift' en 'vocational drift'.

De hogere beroepsopleidingen streven naar de status van universiteit. Ze willen titels kunnen vergeven en de docenten willen zich professor kunnen noemen. De universiteiten hebben intussen in de strijd om de student steeds meer oog gekregen voor de arbeidsmarktperspectieven van hun afgestudeerden. Ze willen voldoen aan de vraag naar opleidingen als bedrijfskunde. Dus juist door de concurrentie tussen de twee typen instellingen van het hoger onderwijs gaan ze meer op elkaar lijken, zoals ook politieke partijen in de strijd om de kiezer allemaal veilig in het midden nestelen.

Voor Sijbolt Noorda, de voorzitter van het College van Bestuur van de Universiteit van Amsterdam, was deze krampachtige concurrentie zes jaar geleden reden met de Hogeschool Amsterdam te gaan samenwerken. 'Alle onderwijsinstellingen willen zoveel mogelijk studenten. Dat is hun welbegrepen eigenbelang. Maar het is niet in het belang van de student.'

Studenten die in eerste instantie de verkeerde studie kiezen, moeten in zijn optiek eenvoudiger kunnen overstappen van de universiteit naar het hbo en vice versa. Een fusie tussen de twee instellingen vergemakkelijkt dat. Noorda bepleit dat ook hbo-opleidingen titels mogen verstrekken. De twee instellingen zouden dezelfde structuur moeten krijgen: een basisopleiding van drie of vier jaar die leidt tot de bachelorstitel en een verdieping van een of twee jaar die leidt tot een masterstitel. Een acteur kan na een aantal jaren een masters regie doen en een academische bachelor kan een masters volgen in de journalistiek.

Als de concurrentie verdwijnt, kunnen de verschillen tussen hbo en universiteit ook weer groter worden. 'Ik ben ervan overtuigd dat als we niet zo'n ijzeren-gordijnscheiding hadden gehad tussen hoger beroeps- en wetenschappelijk onderwijs, een aantal opleidingen zoals bedrijfskunde en tandheelkunde niet op de universiteit waren ontstaan.' Als de verschillen groter worden, valt er voor de studenten meer te kiezen.

Maar zo simpel is het helaas niet. De toegenomen overeenkomst tussen het hbo en de universiteit komt ook voort uit ontwikkelingen op de arbeidsmarkt. De meeste deelnemers aan het debat grijpen in feite terug op een achterhaalde tegenstelling. Op de universiteit zouden studenten worden voorbereid op het verwerven van kennis, en op het hbo op het toepassen van kennis.

In de nieuwe kennissamenleving verliest deze oppositie in toenemende mate zijn betekenis. We leven in een samenleving waarin een informatieovervloed bestaat. Steeds meer hoger opgeleiden worden kenniswerkers. Hun taak bestaat uit het verzamelen, herordenen en verkopen van informatie. Zij creëren geen nieuwe kennis en volstaan evenmin met het toepassen van kennis, maar interpreteren informatie om zo kennis te leveren die past bij een specifieke context.

In een snel veranderende samenleving is een beroepsopleiding meer en meer een anachronisme. Om volwaardig te functioneren in de kennissamenleving moeten hbo-studenten juist die vaardigheden leren die geassocieerd worden met academisch onderwijs: een interdisciplinaire blik, een reflexieve houding en het vermogen zelfstandig op onderzoek uit te gaan.

Een journalist moet niet meer getraind worden om nieuws te halen, niet meer een goede verslaggever van brandjes en politieke opstootjes zijn, maar de vaardigheid bijgebracht krijgen om de enorme kennisproductie van de overheid op waarde te schatten. Hij moet in staat zijn onderzoeksrapporten kritisch te lezen en twijfelachtige veronderstellingen boven tafel te krijgen. Hij moet kortom de academische vaardigheid ontwikkelen de productie van kennis te ontrafelen, te deconstrueren. Niet meer het halen van informatie, maar het interpreteren ervan staat voorop. Op de hbo-docentenopleidingen moet meer aangeleerd worden dan didactische vaardigheden. De leraren van steeds zelfstandiger werkende leerlingen moeten in staat zijn de leerstof te verbinden aan de informatie die leerlingen zelf verwerven.

In de kennissamenleving is amper plaats voor het hoger beroepsonderwijs oude stijl. Het imiteren van de universiteit is meer dan afgunst op de status van de Alma Mater. Het is noodzakelijk om te overleven.

De kennissamenleving laat ook de universiteit niet onberoerd. De vraag naar hoger opgeleiden is enorm en zal alleen nog maar groeien. De bezwaren tegen de teloorgang van de heilige academie zijn een terugkerend refrein in een al te bekende klaagzang. Ze kunnen allemaal worden herleid tot angst voor de massa. In de elitaire logica betekent een vergroting van het aantal studenten onherroepelijk een verlaging van het onderwijspeil. En als straks ook afgestudeerden aan een hogere beroepsopleiding zich mogen tooien met een bachelors- of mastersgraad is de inflatie compleet.

Om de schaalvergroting beheersbaar te maken, is de universiteit ingrijpend veranderd. De academie is niet meer een baken van onafhankelijkheid waar wetenschappers en studenten vooral hun eigen intellectuele agenda mogen volgen. Het nuttigheidsdenken heeft zijn intrede gedaan. Wetenschappers worden afgerekend op het aantal publicaties en hun onderwijsrendement, de snelheid waarmee ze studenten met een diploma op zak weer op straat weten te zetten.

Het instrumentele denken heeft het karakter van de universiteit veranderd. De voor de universiteit kenmerkende samenhang tussen onderzoek en onderwijs staat onder druk. Goede wetenschappers kopen zich vrij van onderwijs zodra ze uit de tweede of de derde geldstroom hun onderzoek hebben weten te financieren. Hun niet publicerende collega's worden daarentegen onderwijsboeren. En voor de anderen - wel nog altijd een meerderheid - geldt dat hun onderzoek vaak weinig te maken heeft met hun onderwijslast. Dat is ook logisch, want in het onderzoeksveld is specialisatie een vereiste, maar voor het onderwijs is het een last.

Arjo Klamer, hoogleraar economie van de kunsten aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, vreest dat de academie zo steeds meer ten prooi valt aan wat de universitaire bestuurders het hbo verwijten. De tijd voor reflectie verdampt en het nuttigheidsdenken viert hoogtij. 'Juist dingen die nutteloos lijken, zoals het nadenken over zaken waarvan de uitkomst onzeker is en de winst niet gegarandeerd en voorspeld kan worden, zijn op termijn van de grootste waarde.'

Klamer beseft dat hij het tij tegen heeft. Hij hoopt echter dat de komst van de kenniseconomie op termijn de universiteiten dwingt een andere koers te varen. Als er een conclusie kon worden getrokken uit het door Ritzen, de vorige minister van Onderwijs, begonnen kennisdebat, is het de noodzaak van permanent leren. In de toekomst zal het gebruikelijker worden dat mensen werk en onderwijs afwisselen en na een aantal jaren in de praktijk, terugkeren naar de universiteit voor een 'sabattical'.

Klamer verwacht dat deze mensen geen behoefte zullen hebben aan praktische, handige modules. Binnen het bedrijf bestaan immers al voldoende cursussen en bijscholingsprogramma's. Voor hen moet de universiteit een 'klooster op de snelweg' zijn, waar zij kunnen reflecteren op hun alledaagse praktijk en hun horizon kunnen verbreden. En juist dit post-initiële onderwijs biedt kansen om de band tussen onderzoek en onderwijs op een productieve manier te herstellen.

De omgang met leerlingen met praktijkervaring kan de wetenschappers inspireren hun etherische wetenschapsbeoefening te verlaten: 'Nu is het voor de carrière van een econoom voordelig zich te bekwamen in de meest abstracte wiskundige modellen die niets te maken hebben met de alledaagse werkelijkheid.'

HET BIZARRE is natuurlijk dat niemand tegen reflectie is, zoals er ook weinig pleitbezorgers van institutionele domheid rondlopen. De oude idealen van de academie worden echter alleen ingezet om veranderingen tegen te houden, zelden om verbeteringen te bepleiten of antwoorden te formuleren op de ontwikkelingen die ertoe leiden dat die plek voor reflectie permanent wordt bedreigd.

Zo klagen velen over de enorme aanwas van het aantal studenten, maar durven weinigen het taboe op selectie ter discussie te stellen. Noorda begrijpt deze defensieve houding van de meeste universitaire bestuurders niet. 'Het is een cultuurpessimistische reflex te denken dat elke verandering een verslechtering betekent. Alsof de universiteit zonder het monopolie op het geven van graden niet kan overleven.'

Ironisch genoeg zouden juist de voorstellen die door de verdedigers van de status quo zo furieus worden aangevallen, de universiteit kunnen redden. Als hbo en wo zijn gefuseerd, kunnen zwakke studenten met zachte dwang een passende plek krijgen op een hbo-opleiding. Hetzelfde geldt voor universitaire docenten die niet meer publiceren, maar nog wel jong talent de toegang versperren. Ook zij zouden naar het hbo kunnen worden gedirigeerd. Noorda wil van zulke suggesties niets weten. 'Het hbo is geen afvalbak.' Maar als harde selectie een taboe blijft, is zachte dwang een goed alternatief.

Ook de diversiteit die de verdedigers van de status quo zo hoog in het vaandel dragen, kan bij de vernieuwingen baat hebben. Van Vught vreest dat als hbo en universiteit de gelegenheid krijgen te fuseren, dit ten koste zal gaan van de diversiteit en er dus voor studenten minder te kiezen valt. Maar het is vreemd te denken dat alleen het oude binaire stelsel met een harde scheidslijn tussen wetenschap en hbo zulke diversiteit kan garanderen.

Niemand bepleit dat in het hele land alle instellingen van hoger onderwijs moeten worden gelijkgeschakeld. Als universiteiten de vrijheid krijgen wel of niet met de hogescholen te fuseren, zoals Hermans voorstelt, leidt dat niet tot meer, maar tot minder eenvormigheid. In Amsterdam wordt wel samengewerkt met het hbo, terwijl Leiden misschien een onderzoeksuniversiteit wil worden die zich specialiseert in een wetenschappelijke mastersopleiding. De ene opleiding zal geloven in de schaalvoordelen van een monsterinstelling voor hoger onderwijs voor veertigduizend studenten, de ander zal juist prat gaan op haar kleinschaligheid.

Zo komt er een einde aan het tijdperk dat de vijftien universiteiten een dependance leken van de Universiteit van Zoetermeer, en valt er voor studenten weer iets te kiezen.

Meer over