Analyse

Dit vreest de zorg: de gitzwarte realiteit van ‘fase 3’

Code zwart hangt als een zwaard van Damocles boven de Nederlandse zorg. Uit de cijfers over de ziekenhuisbezetting blijkt: het doemscenario komt dichter- en dichterbij. Wat gebeurt er als het zover is?

Pepijn de Lange en Nick de Jager
Rennende verpleegkundigen op de spoedeisende hulp in het Haga Ziekenhuis. Beeld Marcel van den Bergh / de Volkskrant
Rennende verpleegkundigen op de spoedeisende hulp in het Haga Ziekenhuis.Beeld Marcel van den Bergh / de Volkskrant

Om maar meteen een misverstand uit de wereld te helpen: officieel bestaat code zwart helemaal niet. ‘Het is een term die in de volksmond is ontstaan’, zegt Ilse van Stijn, voorzitter van de taskforce acute infectiologische bedreigingen van de Nederlandse Vereniging voor Intensive Care. ‘Zorgprofessionals gebruiken ‘code zwart’ niet graag. Wij hebben het over fase 3. Dat is het moment dat we beginnen met triëren.’

Deze fases – drie in totaal – zijn vastgelegd in tijdens de pandemie opgestelde draaiboeken. Vrijdagmiddag kondigde demissionair minister Hugo de Jonge van Volksgezondheid de zogenoemde fase 2d af, het laatste stadium voor fase 3. Ziekenhuizen doen een ultieme poging een crisis af te wenden. Alle mogelijke ic-bedden worden in gereedheid gebracht. Reguliere, planbare zorg moet worden afgezegd. Indien nodig worden ook kritieke planbare operaties, zoals kankerbehandelingen en hartoperaties, langer uitgesteld dan de zes weken die er maximaal voor staan. In het UMC Utrecht springen de komende tijd ongeveer honderd militairen bij.

Als er meer patiënten dan ic-bedden beschikbaar zijn, wordt fase 3 afgekondigd. Daarin beslissen artsen niet langer per individuele patiënt of een ic-opname verstandig is. ‘In fase 3 doen we wat het beste is voor het geheel’, legt Van Stijn uit. ‘Je moet het beste doen voor de meeste mensen.’

Fase 3 is opgesplitst in drie stappen.

Fase 3a

In de eerste stap wordt de drempel voor een ic-opname verhoogd: enkel patiënten die met een beademingsbuisje beademd moeten worden of ondersteuning voor hun bloeddruk nodig hebben, komen in aanmerking voor een ic-bed. Daarbij vallen patiënten die een beperkte kans hebben hun ic-opname te overleven buiten de boot.

Fase 3b

In de volgende stap vervalt de hartlongmachine als behandeloptie en reanimeren artsen op de ic geen patiënten meer. Bovendien worden in deze stap de overlevingskansen van patiënten onderling vergeleken. Wanneer ‘op basis van klinische expertise’ vaststaat dat de ene patiënt 20 procentpunt meer overlevingskans heeft dan de andere, krijgt deze voorrang, schrijft het draaiboek voor. ‘Het moet een duidelijk aanwijsbaar verschil zijn’, aldus Van Stijn.

Fase 3c

Wanneer onderscheid tussen patiënten op medische gronden niet mogelijk is, volgt stap 3c. Van twee patiënten die nagenoeg tegelijkertijd de ic op zouden moeten, krijgt degene die naar verwachting het kortst behandeld moet worden voorrang. ‘Je probeert met weinig bedden zo veel mogelijk patiënten te helpen’, zegt Van Stijn. Ook de generatie waarvan een patiënt onderdeel is gaat een rol spelen. ‘We zeggen bewust geen leeftijd, maar een patiënt uit de generatie 40 tot 60 jaar gaat voor iemand uit de generatie daarboven.’ In een uiterste situatie wordt om een ic-bed geloot.