Dit onderzoek gaat dus mislukken

Vloeren vegen, dozen vullen, kratten stapelen, borden wassen: voor wie niet al te kritisch is, heeft het uitzendbureau zeker in de zomer altijd wel wat te doen....

De werkbemiddelaars van het uitzendbureau vroegen me of ik soms een dagje auto's wilde tellen, ergens in de polder. Ik riep uitbundig ja, want ik vind dat ik wel genoeg heb geleden de laatste weken. Tirannieke ploegleiders, zware lichamelijke arbeid en duistere chemicaliën hebben me geestelijk geknakt. Een dagje lui auto's tellen zal me goed doen. Ik zie mezelf al in een weitje liggen, grasspriet in de mond, af en toe een streepje zetten als er een auto langstuft.

De dag waarop het verkeer dient geteld, word ik samen met acht andere tellers in een busje gezet, en naar de telplek gebracht. De telplek is een industrieterreintje bij De Ronde Venen. Belanghebbenden aldaar vinden het vreemd dat het industrieterrein dagelijks volloopt met auto's. Het zit er zelfs wel eens muurvast, vooral tijdens de spits.

Nu kan dat natuurlijk komen door de op het terrein gevestigde bedrijven. Die kunnen een buitengewoon goede klandizie hebben. Maar de gemeente Mijdrecht gelooft daar niet veel van. De auto's hebben in dit bedrijvenpark niets te zoeken, denkt ze. Automobilisten gebruiken de weg vast als sluiproute. Een instituut voor verkeersonderzoek moet maar eens haarfijn uitzoeken of de bange vermoedens kloppen, en wij gaan als tellers het handwerk doen.

We worden op cruciale plaatsen rond het terrein gestationeerd. Het is de bedoeling dat een teller van elke auto die het terrein op- en afrijdt, het kenteken en het tijdstip van passeren noteert. Zo betrappen wij auto's die zich maar drie minuten of minder op het industrieterrein hebben opgehouden. In die korte tijd kan niemand een vrachtje dumpen of een afspraak bezoeken, heeft het instituut besloten.

Onze gegevens worden later ingevoerd in de computer, zodat andere medewerkers van het instituut kunnen bepalen hoeveel auto's het industrieterrein gebruikten om sneller thuis of op het werk te komen. Vermoedelijk zal de gemeente met de uitkomsten van het onderzoek haar verkeersbeleid bepalen.

Om even voor vier uur 's middags ben ik ter plaatse. Ik heb tijd om een beetje droog te oefenen. Maar ik begin me grote zorgen te maken. Het is nogal druk op mijn plek. Ik ben bang dat het noteren van een kenteken in een heel klein vakje, het kijken op een stopwatch en het vermelden van de tijd wel eens langer in beslag kan nemen dan het passeren van één auto.

Maar kom, die onderzoekers zullen wel weten wat ze doen. Ze hebben het vast zelf al uitgeprobeerd . Daar zijn het tenslotte onderzoekers voor.

Maar een minuut na het startsein weet ik al dat ik de taak onmogelijk kan uitvoeren. Ik heb welgeteld één kenteken genoteerd, en mij passeerden al wel twintig sportief optrekkende en claxonnerende auto's.

In de verte zie ik één van de onderzoekers lopen. Hij steekt zijn duim omhoog, en kijkt daar vragend bij. Ik roep van nee en schud woest mijn hoofd. Dat lijkt hij niet te begrijpen, want hij loopt verder. Ik fluit keihard op mijn vingers, en schud nog heftiger mijn hoofd. Nu komt hij mijn richting op, een beetje geïrriteerd. Ik leg hem uit dat ik pas twee kentekens kon noteren, omdat er te veel auto's in hoog tempo langsscheuren.

Natuurlijk is het net even rustig, en de onderzoeker kijkt me aan alsof ik volstrekt incapabel ben. Gelukkig komt er een nieuwe stoot auto's voorbij. Ik vraag hoe hij dat zelf dacht te noteren. Hij zegt niets en roept er een collega bij. Samen besluiten ze, enigszins berustend, 'dat het onderzoek dus weer een flater wordt'.

Ik knik nu instemmend, en schrijf voor de vorm nog maar een kentekentje op. 'Tel maar door, jullie worden gewoon betaald hoor', zegt de onderzoeker. 'Dat lijkt mij ook ja', antwoord ik.

Ik ga erbij zitten en pluk een malse grasspriet.

Meer over