Dit doet even pijn

De komende jaren valt een nijpend tekort aan tandartsen te voorzien. Met die prognose herleeft in Utrecht de hoop op heropening van de Tandheelkunde-faculteit....

OP EEN mooie zomerdag in 1988 voltrok zich in het Utrechtse universiteitscentrum De Uithof het laatste bedrijf van een drama. De fonkelnieuwe inboedel van de zojuist wegbezuinigde faculteit Tandheelkunde werd van een futuristisch pand - dat als 'de Ponskaart' enige faam genoot - overgebracht naar een paar aftandse barakken aan de rand van Amsterdam. De verhuizers belden, op het punt van bestemming aangekomen, vertwijfeld hun baas: of hij zeker wist dat zij hun boeltje híer moesten uitladen. Ja, hij wist het zeker. Maar de logica van het transport ontging hem volkomen. En hij was niet de enige.

Voor de verantwoordelijke bewindsman, Deetman, en zijn topambtenaar Roel in 't Veld (die een paar jaar later furore zou maken als kortzittend staatssecretaris) gold echter alleen de politíeke logica. En die was louter ingegeven door de wens met een minimum aan stennis de grootst denkbare bezuiniging te realiseren. Daartegen kon de Utrechtse faculteit zich niet verweren. Niet onder verwijzing naar haar omvang, hoge leeftijd of staat van dienst, laat staan onder aanvoering van inhoudelijke argumenten. Tandheelkunde moest verdwijnen omdat daarmee hogere Haagse belangen waren gediend.

De Utrechtse tragedie was niet alleen het gevolg van politiek opportunisme, maar ook van een bijkans Oost-Europese regelzucht. Vanaf 1877 was het aanbod van tandmeesters (zoals de tandartsen tot 1913 werden genoemd) gereguleerd door bewegingen op de arbeidsmarkt. Maar na de Tweede Wereldoorlog zag de overheid in dezen een rol voor zichzelf weggelegd. De maakbaarheid van de samenleving strekte zich uit tot het menselijk gebit, maar dat vereiste meer tandartsen dan de Utrechtse faculteit alleen kon opleiden.

Ze kreeg dan ook gezelschap van zusterinstellingen in Groningen (1948), Nijmegen (1961) en aan de Universiteit van Amsterdam (UvA) en de Vrije Universiteit (VU) in respectievelijk 1964 en '68. Het was overigens niet de bedoeling dat zij iedereen toelieten die zich bij de poort vervoegde. De vijf tandartsopleidingen mochten samen niet meer dan 465 studenten per jaar inschrijven.

Deze limiet ten spijt, kon de arbeidsmarkt het aantal afgestudeerde tandartsen aan het begin van de jaren tachtig al niet meer verwerken.. Het ongelukkig toeval wilde dat deze vaststelling - die niet door een overijverig ambtenaar werd gedaan, maar door de Nederlandse Maatschappij tot bevordering der Tandheelkunde (NMT) - samenviel met de eerste ronde van bezuinigingen op het wetenschappelijk onderwijs. Het onbevangen pleidooi van de NMT voor een forse reductie van het aantal eerstejaars, was dan ook gefundenes Fressen voor minister Deetman en zijn ambtenaren.

De Utrechtse faculteit was aanvankelijk allerminst doordrongen van de omineuze lading die het begrip 'selectieve krimp en groei' (SKG) voor haar zou krijgen. Kort tevoren, in 1974, had ze een prachtig pand aan de Sorbonnelaan in De Uithof betrokken, en de overheid was haar daarbij zeer behulpzaam geweest (met als hinderlijke bijkomstigheid dat ze zich met alle details van het bouwplan had bemoeid). Men kon het zich dan ook niet voorstellen dat diezelfde overheid het op deze faculteit gemunt kon hebben.

Het faculteitsgebouw - een ivoorwitte kubus met verspringende ramen - was niet alleen een parel in de nog nauwelijks ontgonnen Uithof, het liet wat z'n voorzieningen betreft alle zusterinstellingen, waar ook ter wereld, ver achter zich.

Was de inrichting van de practicumzalen elders meestal nog geënt op de staande tandarts en de zittende patiënt, in Utrecht verwees de opstelling reeds naar de toekomstige toestand waarbij de behandelaar een zittende, en zijn cliënt een liggende houding aannam. Toen de Amsterdamse faculteiten dit voorbeeld volgden, had dit een zodanige ruimtenood tot gevolg, dat de patiënt met hoofd of voeten uit het behandelvertrek stak.

In de boekjes en brochures waarin de faculteit haar onderkomen in de meest courante talen als een soort achtste wereldwonder aanprees, werd ook steevast verwezen naar de riante (anderhalf meter hoge) kruipruimten tússen de negen verdiepingen die het gebouw telde. Die maakten het de gebruiker mogelijk veranderingen aan te brengen in de bedrading en bebuizing zonder daarvoor plafonds te moeten openbreken. Het gebouw zou, aldus de emeritus hoogleraar J. van Aken, ook nú nog ruimschoots aan de eisen hebben voldaan.

Het vorig onderkomen van de faculteit - aan de Jutphaseweg - had juist een hoge curiositeitswaarde gehad vanwege het volkomen gemís aan moderniteit. 'Soms werden er buitenlanders rondgeleid', herinnert Van Aken zich, 'die na afloop zeiden: leuk dat we het museum hebben gezien, maar waar is nu de kliniek? Dat misverstand werd gewekt door gietijzeren stoelen met Singer-versieringen die vaak nog uit de vorige eeuw dateerden. Daar zat een zwengel aan waarmee je het geval, onder productie van het nodige lawaai, omhoog kon krikken.' Van Aken, die in 1945 met zijn studie begon, heeft zelf - zo'n 75 jaar na de elektrificering van de tandheelkunde - nog praktijkexamen gedaan met een trapboor.

Aan de faciliteiten op de Sorbonnelaan, en de investeringen die daarmee gemoeid waren (zo'n 100 miljoen gulden), ontleende de Utrechtse faculteit een gevoel van immuniteit voor Haagse aanslagen. Daar kwam bij dat de waan van de dag van oudsher volkomen aan Tandheelkunde voorbijging. Van Aken: 'We waren helemaal niet politiek georiënteerd. We waren er voor de wetenschap en het onderwijs. Het college van bestuur en het departement moesten er maar voor zorgen dat wij ons werk konden doen.'

Dat vertrouwen bleek ongegrond. Toen zijn faculteit zich nog onaantastbaar waande, was het vonnis in feite al uitgesproken. Voor geen van de scenario's waarin Utrecht tandheelkunde zou behouden, was voldoende draagvlak in de Kamer. Een halfslachtige poging van Deetman om de drie randstedelijke tandartsopleidingen (die van Utrecht en de twee van Amsterdam) te laten opgaan in één nieuwe instelling, strandde op de onwil van de VU om met Utrecht samen te werken.

Van het eigen college van bestuur kreeg de faculteit evenmin onvoorwaardelijke steun. Utrecht dreigde behalve Tandheelkunde ook de faculteit Farmacie te verliezen, en het college hechtte uiteindelijk meer aan het voortbestaan van de laatste. 'Ik weet nog dat het collegelid Rosenberg een toelichting kwam geven', zegt Van Aken. 'Hij kwam, op zijn gympies, net bij Farmacie vandaan met zó'n button op: Farmacie moet blijven! Hij zei: jullie kunnen je borst wel natmaken. Zelfs tóen drong het nog niet tot ons door dat we waren gereduceerd tot ruilobject voor Farmacie.'

Het treurig resultaat van de SKG-operatie was dat van de tandheelkunde-opleidingen er slechts twee overbleven: die van Nijmegen, en het fusieproduct van de Amsterdamse universiteiten. Ze lieten samen slechts nog 120 studenten per jaar toe.

De Utrechtse faculteit Tandheelkunde zou nog 111 jaar oud worden. In 1988 werd ze met een demonstratieve bijeenkomst in de Domkerk afgelegd. In het onderwijsgebouw aan de Sorbonnelaan was het de laatste jaren steeds stiller geworden. Sinds 1984 was de toestroom van eerstejaars onderbroken. De docenten vertrokken naar elders, of maakten zich op voor een vervroegde pensionering.

De geleidelijke leegloop ten spijt, bewaart voormalig decaan prof.dr. J.D. de Stoppelaar geen slechte herinneringen aan deze periode. 'Iedereen zat in hetzelfde schuitje. Dat had een grote saamhorigheid tot gevolg.' Van Aken roemt de inzet die zijn collega's in de schaduw van het sterfhuis aan de dag legden. 'Het werd als een ereplicht gevoeld om de laatste studenten goed af te leveren.'

Het voormalig tandheelkunde-gebouw - dat in de wandeling nog steeds zo wordt genoemd - is na een verbouwing van bijna 100 miljoen gulden (het equivalent van de bouwkosten) betrokken door de faculteiten Biologie, Scheikunde en (o speling van het lot) Farmacie. De Stoppelaar komt er nog wel eens. En daarmee heeft hij inmiddels geen moeite meer. Wat gebleven is, is zijn wantrouwen jegens het politiek bedrijf. De SKG-operatie tartte alle logica, kostte de samenleving enkele honderden miljoenen guldens (die naar verluidt ten laste zijn gekomen van het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds), en strookte alleen met de ondoorgrondelijke common sense van ambtenaren en volksvertegenwoordigers.

Zijn bitterheid wordt gevoed door recente prognoses over een naderend tekort aan tandartsen. In sommige regio's - zoals Rotterdam, het hoge Noorden en de Achterhoek - manifesteert zich dat nu al. Maar over een jaar of tien, als de tandartsen die in de jaren zestig hun opleiding hebben genoten met pensioen gaan, zal het tekort dramatische vormen aannemen. Daar komt nog eens bij dat de moderne mens langer in het bezit blijft van zijn tanden en kiezen, maar eveneens langer - en vaker - een beroep zal doen op de tandarts. De zorgbehoefte neemt dus toe.

De overheid heeft als reactie op die ontwikkeling een bescheiden groei van de tandheelkunde-opleidingen toegestaan. Hiertoe werd in 1994 de opleiding in Groningen, een luttel aantal jaren na haar sluiting, opnieuw geopend. Maar met deze maatregel kan volgens de Utrechtse hoogleraar bijzondere tandheelkunde dr. C. de Putter vermoedelijk niet worden volstaan. Sinds 1994 beijvert hij zich voor de herstichting van de tandheelkunde in Utrecht. 'Alle ontwikkelingen overziende, kún je niet anders concluderen dan dat de opleiding op enig moment hervat zal worden.'

Het ligt overigens niet in de rede dat hiervoor 'de Ponskaart' opnieuw zal worden betrokken. 'Nog afgezien van het feit dat het gebouw een andere bestemming heeft gekregen, zullen de activiteiten nooit meer op de schaal van toen worden ontplooid. De weelde van die tijd is echt eenmalig geweest. We hebben er welgeteld 14 jaar van kunnen genieten.'

Meer over