Directeur Winkler van Artsen zonder Grenzen terug van een weekje Oost-Zaïre 'Je sleept duizenden mensen weg van de ondergang'

'Het is het smerigste werk dat er bestaat. Het is het eindpunt van het menselijk bestaan. Je komt 's ochtends aan en je wordt opgewacht door honderden vluchtelingen die moeten worden gescreend....

Van onze verslaggever

Fred de Vries

AMSTERDAM

Alex Winkler, directeur van Artsen zonder Grenzen, is dinsdag teruggekeerd van een weekje Oost-Zaïre. Hij bezocht Goma, Kisangani en vooral Biaro, waar naar schatting 20 duizend Rwandese Hutu's in de meest deplorabele omstandigheden bivakkeren. 'Ik ben naar Biaro gegaan om te kijken of wij er werkelijk iets kunnen doen. Wat daar gebeurt is heel macaber. Alles is eraan gedaan om de hulp te blokkeren.'

De mensen die nu bij Biaro zitten, vluchtten vorige maand uit het nabij gelegen kamp Kasese, nadat ze door de rebellen van Kabila waren aangevallen. Het ging toen nog in totaal 85 duizend vluchtelingen. Die waren vervolgens een tijdje zoek. Er zou in die schimmige periode van 'zoek zijn' een grote slachting hebben plaatsgevonden bij 'kilometer 51'. Harde bewijzen daarvoor ontbreken vooralsnog. 'Die slachtpartij wordt door veel mensen genoemd', zegt Winkler, die zoveel mogelijk mensen heeft gesproken. 'De getallen die ze noemen, vertrouw ik niet, wel het patroon dat in alle verhalen terugkeert.'

Hulporganisaties werden ver van het gebied gehouden. Een groep van 40 duizend vluchtelingen dook ten slotte op bij Biaro. De overigen zijn dood of zijn verder zuidwaarts de jungle ingevlucht. Elf dagen geleden werden er eindelijk weer hulpverleners in Biaro toegelaten, waaronder 25 man van Artsen zonder Grenzen. Zij moeten onder leiding van de VN-vluchtelingenorganisatie Unhcr de repatriëring van de vluchtelingen naar Rwanda uitvoeren.

Repatriëren is een groot woord, vindt Winkler. 'In Biaro is geen sprake van een kamp. Het is een weg met aan weerszijden vele duizenden mensen die in het gras zitten of liggen, onder plastic, karton of bladeren, in de stromende regen. Er zijn geen hutten of tenten. Wij voeren daar een reddingsoperatie uit. Je sleept duizenden mensen weg van de ondergang. Het heeft niets met repatriëring te maken.'

In steeds andere bewoordingen probeert Winkler het onmenselijke van de situatie over te brengen. 'Ik stond bij een bosje, en opeens voelde ik een hand aan mijn enkel. Ik tilde de struiken op en zag daar een uitgedroogd lichaam met holle ogen. Even verderop lag een stervende vrouw, met vier kinderen, die ook zullen sterven. Maar het absurde is dat je er ook mannen ziet die er goed uitzien, met schoenen aan. Dan weet je: dat is een profiteur of een lid van de Interahamwe.'

De aanwezigheid van Interahamwe, de Hutu-milities die in grote mate verantwoordelijk waren voor de Rwandese genocide van 1994, is hét grote probleem in Oost-Zaïre; voor de vluchtelingen, voor de rebellen en voor de hulporganisaties.

Vluchtelingen worden nog steeds 'gegijzeld' door de gewapende milities. Zolang die zich tussen de tienduizenden ontheemden kunnen begeven, is overleven vrij eenvoudig. De vluchtelingen werken bovendien als buffer tegen aanvallen van de Zaïrese rebellen. Winkler vermoedt dat de vluchtelingen bij Biaro zijn 'losgelaten' door de milities. 'Ze zijn afgestoten als een rakettrap die niet meer functioneel is.'

De rebellen van Kabila zullen op hun beurt niet rusten tot het probleem van de vijandige Hutu-milities is opgelost. Kabila krijgt belangrijke steun uit Rwanda en Uganda. Met name de Rwandezen is er alles aan gelegen om de Interahamwe uit te roeien. En als daarbij gewone vluchtelingen om het leven komen, dan is dat jammer. Een topmilitair die belast is met de 'schoonmaakoperaties' rond Kisangani sprak tegen hulpverleners heel geringschattend over hun 'krokodillentranen' om de stervende Hutu's.

In Oost-Zaïre maken de Tutsi's met hun Ugandese en Rwandese connecties intussen steeds meer de dienst uit. Kabila vertoeft nauwelijks meer in Goma, dat hij in eerste instantie tot hoofdkwartier had uitgeroepen. Volgens hulporganisaties wemelt het ten noorden van Goma, langs de grens met Uganda, van de Rwandese Tutsi-militairen. Ook in Kisangani zou dat het geval zijn.

Die soldaten willen geen pottenkijkers bij hun operaties tegen de Interahamwe-restanten. De hulpverleners worden op afstand gehouden. In Biaro mogen maar vijf hulporganisaties werken, en ze mogen slechts drie à vier uur per dag in het kamp doorbrengen. Een paar kilometer ten zuiden van Biaro is een militaire wegversperring. Daar moet de zoektocht naar de veertigduizend vermiste vluchtelingen worden gestaakt. Soldaten bij de wegversperring vertellen dat zij verderop 'aan het werk zijn'. Ook bij Masisi, waar al jaren een mini-oorlog woedt, worden de hulpverleners 'om veiligheidsredenen' geweigerd. De weg tussen Goma en Amisi is eveneens geblokkeerd.

Artsen zonder Grenzen staat machteloos en geeft Kabila de schuld van de moordpartijen en de 'georganiseerde wurggreep' op de Hutu-vluchtelingen. Eind april publiceerde de organisatie een rapport over een slachtpartij bij Shabundu. Afgelopen maandag schreef voorzitter Jacques de Milliano een opiniestuk in NRC Handelsblad, waarin hij het Westen opriep het aanknopen van betrekkingen met Kabila afhankelijk te maken van toegang tot de vluchtelingen, ook al zijn deze 'politiek niet-correct'.

Is de aanval op Kabila niet wat gemakzuchtig en kortzichtig, gezien de gecompliceerde geschiedenis van het gebied van de Grote Meren? Winkler vindt van niet. 'Kabila heeft alle ruimte gekregen van de invloedrijke westerse landen, die het probleem van de vluchtelingen en de milities zelf niet wilden oplossen. Hij heeft alle wapens in handen gekregen. En dat is heel gevaarlijk bij iemand die net zo beroerd met mensen omgaat als de Interahamwe voorheen. De constructie van het nieuwe Zaïre begint op deze wijze heel slecht. Kabila is verantwoordelijk. Dat moet je hardop zeggen.'

De hulporganisatie hoopt met haar getuigenissen en opiniestukken de internationale opinie te beinvloeden. Donderdag vertrekt een lid van het AzG-team uit Oost-Zaïre naar Washington om op uitnodiging van het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken over de humanitaire problematiek in de regio te praten. Eerder spraken Artsen zonder Grenzen en drie andere organisaties al met vertegenwoordigers van de Veiligheidsraad.

Dat is een positieve, maar tegelijk beangstigende ontwikkeling, vindt Winkler. 'Het feit dat wij als hulporganisatie als referentiepunt worden gebruikt is zorgwekkend. Dat betekent dat de landen zelf het overzicht hebben verloren.'

Meer over