Dingen in de vorm van andere dingen

INEENS weet ze het zeker. Op het verjaardagsfeestje van een bankiersvrouw ziet Sylvia Verroen haar man in een verstolen tête-à-tête met haar jongere zus....

Die ontdekking onthutst haar, zozeer zelfs dat ze er 's avonds in bed niet over durft te beginnen. Vanwege werk moet ze daarop een paar dagen in een Brussels hotel logeren. Jaloezie, woede en wraakzucht strijden in haar om de voorrang. De Rus Anton die ze overdag heeft ontmoet, klopt op haar deur.

En zo komt het, dat Sylvia Verroen in een Brusselse hotelkamer in bed belandt met een dikke, behaarde, stinkende, alcoholische Rus. O ja, en impotent, zoals ze spoedig ontdekt.

Het kan verkeren, in de verhalen van Maria Stahlie. Ze gáán daar ook over, dat het kan verkeren. Sinds 1987 bouwt deze schrijfster - die voor haar laatste roman Honderd deuren met recht de Multatuliprijs 1997 verwierf - aan een oeuvre van romans en verhalen, waarin personages telkens ernstig uit hun doen raken. Of ze gooien zelf het roer om en beginnen een heel ander leven, omdat ze vinden dat ze zichzelf niet of nooit geweest zijn.

Sylvia Verroen is zo iemand wier zekerheden van het ene moment op het andere worden aangetast. Of ze gelijk heeft met de constatering dat haar man overspel pleegt, laat Stahlie in het midden. Daar gaat het even niet om. We volgen de gedachten van een vrouw die zich aan de kant gezet voelt. En daarom troont ze die smoezelige Anton Pawlowitz Goerow mee naar haar hotelkamer.

Een en ander heeft plundering van de minibar tot gevolg. Niet de amoureuze taferelen die Sylvia zichzelf had willen aandoen. De Rus moet bekennen dat hij 'm al jaren niet meer overeind krijgt. Zij moet bekennen dat ze wanhopig is, omdat haar man vreemdgaat. Ik zal die vent van jou een lesje leren, bralt Anton, om zijn waardigheid te redden. Hij snoeft over connecties in Amsterdam.

Er zijn dan nog tien bladzijden te gaan in het titelverhaal uit Stahlie's nieuwe bundel Zondagskinderen. Vijfendertig zitten erop. Er volgen nog een paar wendingen die niemand kan voorspellen, en die toch logisch lijken voort te vloeien uit het verhaal dat Stahlie de lezer heeft voorgezet. Vooruit, voor de nieuwsgierigen: Anton hééft inderdaad zijn mannetjes hier, die Sylvia's man vreselijk aftuigen. Maar de getroffene komt er als herboren uit tevoorschijn! Hoe, dat kan niet verklapt worden.

De kern van de zaak is dat Sylvia Verroen haar gedachten en handelingen de vrije loop heeft gelaten, zodat de verkramptheid van haar aanvankelijke reactie (niks zeggen, ook niet tegen haar man) wordt geslecht. Met haar verworven vrijheid slaat ze een bres in de 'loop der dingen', de onafwendbaarheid en onverstoorbaarheid waarmee het leven zich soms ontrolt.

Tegen het type nuchter en realistisch denken over het leven als een éénbaansweg die ieder mens moet afleggen, graag of niet, daartegen verzet Maria Stahlie zich met hand en tand. Ze doet dat door haar personages van het rechte pad af te sturen, en bovendien door voor haar verhalen ruim de tijd te nemen. Tot in de lengte van haar zinnen demonstreert Stahlie dat zij niet van beperkingen houdt. Zij is de gulheid toegedaan, zodat er in haar zinnen, alinea's en verhalen lucht komt. Vergelijkbaar met de personages die - hoe verschillend ook - aan het eind van zo'n verhaal, als het goed is, een zekere staat van opgeluchtheid hebben bereikt.

In 'Dwaalsporen' neemt de weerspannige puber Vera (15) haar buurjongetje Tim (5) achterop de fiets, nadat ze heeft gezien dat zijn moeder thuis in een bad met bloed ligt. Voor die onaangepaste buurvrouw voelt Vera sympathie: 'Al vanaf haar jeugd spaart ze dingen in de vorm van andere dingen. Een asbak in de vorm van een stoeltje. Een theepot in de vorm van een zwaan. Toen ze nog maar pas naast ons woonde, stelde ze me voor aan haar zoontje, haar konijntje en haar hondje. 'Het is onmogelijk ze uit elkaar te houden', zei ze. 'Ik heb een zoontje in de vorm van een hondje, een hondje in de vorm van een konijntje en een konijntje in de vorm van een zoontje. . . gelukkig kunnen ze het goed met elkaar vinden.' '

Dit is een cruciale passage. Het leven wordt opgerekt, krijgt meer soepelheid en kleur, als je in het ene ook iets anders kunt zien. Door dat vermogen kan de mens zijn verbeelding aanspreken, metaforen uitvinden, de wereld met verhalen verrijken. Overigens kan die mens door datzelfde vermogen ook volkomen uit het lood schieten, wereldvreemd of gevaarlijk worden, een slachtoffer van zijn essentiële onberekenbaarheid.

Dat is dan jammer voor hem, maar voor Maria Stahlie is ook die beklagenswaardige een figuur waar ze wat mee kan. De verhalen in Zondagskinderen gaan over kinderen en volwassenen, Amerikanen en Hollanders, een automonteur wiens toekomstverwachtingen worden verbrijzeld als zijn vriendin met wie hij naar Nieuw-Zeeland wil zomaar een baby kidnapt, en de tandarts Joyce die dagelijks tot haar intense tevredenheid de vaste route naar haar werk aflegt.

Dat wil zeggen, totdat Stahlie zich met haar gaat bemoeien. Het is dan gauw gebeurd met overzichtelijke bestaan van deze Joyce. Nadat ze door een voorbijgangster van een wisse dood in het verkeer is gered, is haar opgeruimde humeur spoorloos verdwenen. Chagrijn, onrust en agressie komen er voor in de plaats.

Ze was bijna-dood. Eigenlijk had ze dood moeten zijn. Wat ze nu beleeft, is dus een vorm van leven na de dood. Haar onvrede en ongedurigheid zijn een corrigerende respons op de gemoedsrust die Joyce zichzelf in het hiernumaals had wijsgemaakt.

Ze kan haar eigen leven met terugwerkende kracht anders beschouwen. Ze ziet, om het zo te zeggen, hetzelfde ding in de vorm van een ander ding - en die eigenschap levert Stahlie de brandstof voor een verhaal.

Vervolgens leeft de schrijfster zich uit, waardoor haar verhalen aangenaam uitwaaieren, ten bewijze dat vertakking en springerigheid altijd winstgevend zijn. Deze verhalen navertellen is funest, want Stahlie is op haar best in de uitweidingen die ze haar malende hoofdpersonen toestaat.

De puber Vera bijvoorbeeld klaagt dat haar rechtlijnige vader altijd maar in de encylopedie neust: 'Daar is hij het woord autodidact ook ooit tegengekomen. Het stond bij de A zodat hij al vrij snel wist wat hij zelf was. Wat is een autodidact? Iemand die zichzelf allerlei dingen leert. Er staat nergens dat een autodidact vervolgens al die dingen aan andere mensen moet gaan leren!'

Leuk, zo'n vroegwijze dochter die haar commanderende vader nog maar met moeite kan uitstaan. Nog leuker is, dat Vera er weliswaar met het zoontje van buurvrouw Marcia vandoor fietst, maar dat diezelfde vermoeiende vader intussen precies weet hoe hij moet handelen, wanneer hij ontdekt dat Marcia een zelfmoordpoging heeft gedaan. Laat dat maar aan een autodidact over.

Gedurende het hele verhaal 'Dwaalsporen' volgen we zijn dappere dochter die de kleine Tim nog niet wil confronteren met een dode moeder. Vera doet er alles aan, hem een paar laatste zorgeloze uren te schenken.

Zowel Vera als haar vader heeft goed gehandeld. Zij vanuit het hart, hij vanuit het hoofd. Door zijn ingrijpen is Marcia in leven gebleven. Door Vera's avontuurlijke tocht met die kleine jongen achterop de fiets, is Maria Stahlie's verhaal tot leven gekomen.

Waarmee zij niks wil zeggen over welke houding verkieslijk is. Hooguit over welke houding artistiek bezien interessanter is. Net zoals 'Zondagskinderen' ook geen aanbeveling aan getrouwde vrouwen is, in een wilde bui eens de koffer in te duiken met een moddervette Rus die uit alle gaten riekt naar zweet, ether en spiritus.

Maar voor het verhaal, dat moet gezegd, is het genieten geblazen.

Meer over