Dieren die in deze indeling voorkomen

Ik was op zoek naar de grenzen van het denken, maar voor ik het wist was ik verzeild in de etymologie van 'hupsakee'....

Marjolein Februari

Allereerst: we nemen vandaag het smalle pad. We gaan niet de wijken in, we gaan niet naar de kiezer luisteren, we lachen niet naar de camera en we trekken ons niks aan van de verkoopcijfers. We charmeren niet. We gaan op een stoel zitten en proberen het onmogelijke te denken. 'Wees realistisch, vraag het onmogelijke', stond vroeger op de muren. Wel, zo realistisch willen we vandaag zijn. Alleen vrágen we het onmogelijke niet, we dénken het. Waarom? Luister: een paar weken geleden vroeg Vrij Nederland wat mensen uit de wereld van de kunst naar hun ideale museum. En alsof de laatste tijd al niet genoeg werd gepleit voor een terugkeer naar 'de gewone gang van zaken' en 'het normale handwerk', stuurden ook de kunstmanagers ons terug naar de wereld van alledag. Het ideale museum bleek als twee druppels water te lijken op de musea die we al hebben.

De zittende directeuren bleken de ideale directeuren voor het ideale museum; de huidige locaties bleken de ideale locaties voor het ideale museum; het ideale museum had 'een mooie centrale hal met een informatiebalie, een winkel, een kassa', en het had 'een perfecte boekhandel en een perfect restaurant'. Wat? Helemaal geen wensen? O jawel, er was behoefte aan 'touch-screens op alle verdiepingen zodat je makkelijk informatie kunt krijgen', en het ideale museum moest ook 'dicht bij een station en een grote parkeerplaats' liggen. Natuurlijk deed iemand toen nog een beetje haar best met een digitaal museum. En de chronologisch indeling werd ingeruild voor een collectie 'waarbij alles door elkaar zit'.

Onbegrijpelijk. Dat mensen met interesse voor kunst, gevraagd naar het ideale, niet verder komen dan het bestaande, vind ik, nee, niet alleen onbegrijpelijk - ik vind het ook angstaanjagend. En daarom bleven de gedachten over het ideale museum wekenlang door mijn hoofd spoken, en steeds moest ik daarbij denken aan het lachen van Foucault. En hoewel het lachen van Foucault de kassa niet laat rinkelen en ook volledig ongeschikt is voor de krant, moeten we daarom nu het smalle pad van het ondenkbare inslaan.

Zijn boek Les Mots et les choses, schrijft Michel Foucault, is geboren in een lach: een lach die alles dooreenschudt 'waar het denken - namelijk óns denken zoals dat bij onze tijd en bij ons aardrijkskundig besef behoort - mee vertrouwd is.' Het lachen barst los in Foucault wanneer hij een tekst leest van de schrijver Borges, die op zijn beurt 'een zekere Chinese encyclopedie' citeert. En in deze Chinese encyclopedie staat over de dierenwereld geschreven dat je dieren kunt indelen in: 'a) die de Keizer toebehoren, b) gebalsemde, c) tamme, d) speenvarkens, e) sirenen, f) fabeldieren, g) loslopende honden, h) die in deze indeling voorkomen, i) die in het rond slaan als gekken, j) ontelbare, k) die met een fijn, kameelharen penseeltje getekend zijn, l) et caetera, m) die juist een kruik gebroken hebben, n) die uit de verte op vliegen lijken.'

De lach van Foucault ontstaat vanuit verbazing. Deze volstrekt bizarre indeling brengt ons in één sprong bij de grenzen van ons eigen denken: het is immers onmogelijk om al denkend greep te krijgen op het verband tussen de woorden. Het probleem met de Chinese indeling is niet dat de categorieën zo weinig met elkaar te maken hebben. Het probleem is veel meer dat we zelfs de 'ruimte' niet kunnen voorstellen waarin die categorieën elkaar zouden ontmoeten, en met elkaar te maken zouden kunnen hebben. 'Sirenen', 'etcetera' en 'dieren die een kruik gebroken hebben': zulke categorieën bestaan alleen naast elkaar in de taal. En die taal schetst niets anders dan een niet te denken ruimte.

Kijk maar eens naar een museum: er zijn natuurlijk standaardmanieren van indelen en denken, zoals de indeling van een museum in een zaal, een winkel en een kassa. Er is een chronologische indeling van kunst. En een thematische. En er zijn manieren om daarvan af te wijken, zoals het voorstel om een collectie te maken waarbij 'alles door elkaar zit'. Maar er zijn blijkbaar ook denkwijzen en indelingen die voor ons onmogelijk zijn, die de grenzen van ons denken te buiten gaan, zodat we geen schema's meer hebben om, in de woorden van Foucault, het gewemel der levende wezens tot rust te brengen.

'Deze tekst van Borges heeft me een hele tijd laten lachen', schrijft hij, 'maar niet zonder een zeker moeilijk te overwinnen gevoel van onbehagen. Misschien, omdat in het spoor van die tekst een vermoeden begon te rijzen, dat er erger wanorde bestaat dan die van het niet-samenpassen en van het naast elkaar stellen van wat niet samenhoort.' Een wanorde die vorm krijgt als we brokstukken van allerlei denkbare ordeningen aan elkaar plakken in een ondenkbare ruimte: een 'wetteloze geometrisch niet te bepalen dimensie.' Ha! Now we're talking! Hebben we daar niet precies ons ideale museum?

Het is een beetje jammer dat Foucault op een gegeven ogenblik is uitgelachen, maar het is ook noodzakelijk voor de filosofie. Lachen, zou ik zeggen, is een bij uitstek religieuze aandrift, en de filosofie keert op zeker moment weer terug naar het hier en nu. Foucault keert dus terug naar onze cultuur, waarin we niet alleen begrijpelijke indelingen gebruiken, maar waarin we ook vanzelfsprekend uitgaan van de mogelijkheid van indeling en ordening, het bestaan van een ruimte waarin we de dingen een plaats kunnen geven. De cultuur waarheen ook uiteindelijk museumdirecteuren moeten terugkeren - nadat ze het smalle pad hebben bewandeld.

Ik zocht naar bijval voor het omstreden lachen van Foucault in filosofische woordenboeken, en zocht naar 'lachen', 'grenzen', naar het verschrikkelijke woord 'humor' desnoods.

Maar in mijn nieuwste woordenboek, van de filosoof Cornelis Verhoeven, vond ik alleen 'hupsakee'. Een woord dat 'aanzet tot actie', maar niet behoort tot 'de gewone taal waarin woorden naar iets verwijzen'.

En zo wist ik na lang nadenken precies wat ik onze museumdirecteuren wil toeroepen. Hupsakee!

Meer over