Die zit, hoor je hem denken Ik-figuur van Joris Moens schopt verbaal tegen mens en ding

Een mens is een zak met slijm, kraakbeen, bloed en stront. Aldus de definitie van Gerrit Komrij, te vinden onder het lemma 'Walging' in zijn encyclopedie van het gevoel Humeuren & temperamenten....

ARJAN PETERS

De naamloze ik-figuur die met deze binnenkomer wil aangeven dat we met een ferme knaap van doen krijgen, zou zich wel kunnen vinden in Komrij's omschrijving van de gemoedsgesteldheid die walging heet. Dat zijn eigen taalgebruik minder bloemrijk is - en zijn walging derhalve minder hard aankomt -, mag tekenend heten. Op die plaatsen waar Moens' roman aan andermans werk doet denken, pakt de vergelijking steevast onvoordelig uit. Om een ander voorbeeld te noemen: het fenomeen van een rouwdouw die uit liefdesverdriet om zijn Aanbeden Ex de ene meid na de andere afwerkt, is aanzienlijk krachtiger verwoord in het openingshoofdstuk van Turks fruit, de roman waarmee Jan Wolkers liefst 26 jaar geleden terecht opzien baarde.

Zondagskind is een titel van een zelfde ironisch gehalte als Heldenjaren (1994) van P.F. Thomèse. Beide boeken handelen over jonge mannen die met een mengeling van onmacht en onwil telkens deelname aan het volle leven uitstellen. Maar terwijl Thomèse als het ware binnensmonds gniffelend afstand bewaart tot het personage Lucas Visch, laat Moens nergens doorschemeren dat hij de arts-assistent van bijna dertig jaar die hij een boek lang het woord verleent, niet serieus neemt.

Dat is raadselachtig, want de branie van die klier blijkt niets anders te zijn dan een grof geboetseerd mombakkes waarachter een vat vol clichés schuilgaat en een lafbek, die bovendien een gebrekkige kennis van het Nederlands heeft. Daarnaast heeft hij van de wereldliteratuur ook weinig kaas gegeten, zo kan men op bladzijde 3 reeds voorvoelen, als een citaat van Fernando Pessoa ('Onbewustheid is het fundament van het leven') ontoelaatbaar wordt gesimplificeerd ('Doe je werk en sta er niet bij stil'). Bokkig grauwend sleept de arts-assistent zich door het bestaan. Hij voelt zich een hele bink met zijn uithalen. Filosofen-prietpraat, 'je hebt er geen zak aan'. Die zit, hoor je hem denken. Het is er mijlen naast. Zo suf schelden doet heus geen pijn.

Deze flinkerd moet in een ziekenhuis een zwangere Ghanese medische assistentie verlenen bij haar gecompliceerde stuitbevalling. Tijdens die werkzaamheden en in de doorwaakte uren erna trekt de geschiedenis van zijn verbroken relatie met het aanbeden meisje Büsra aan zijn geestesoog voorbij. Zij is reporter voor een radio-programma en vlindert van item naar item, een manier van werken die goed past bij haar grillige levenswijze. Veranderlijk en wisselvallig is altijd de vrouw, schreef Vergilius al, Geerten Meijsing echode het hem na, en zo lijkt Joris Moens op zijn beurt te onderschrijven. Zijn ik-figuur vindt het maar lastig dat gegeven te aanvaarden. Verbaal schopt hij tegen mens en ding binnen zijn benauwende blikveld, in een naar cynisme neigende blasé-houding die hem ervan weerhoudt zich met hartstocht aan iets of iemand over te geven.

Net als in Bor (1993), de debuutroman over een zestienjarig straatschoffie, weet Joris Moens niet hoe zijn verhaal van A naar B moet. Het blijft steken in een patstelling. De mooie Büsra is een kameleon, en haar vriendje komt met die wispelturigheid niet in het reine. Hij houdt van haar, maar durft zijn grote mond niet open te doen als zij hem vertwijfeld vraagt wat hij eigenlijk met haar aan moet. Niet dat zijn gedachten stilstaan. Een heel rijtje dooddoeners trekt langs. Büsra houdt 'zijn bloedeloze ziel warm'; 'Eén blik op haar en ik voelde het bloed in mijn bast weer borrelen. Maar ik hield mijn bek en draaide me knorrig op mijn andere zij.'

Geen wonder dat de affaire spaak loopt - zo ze ooit werkelijk van de grond is gekomen. 'Ik wilde haar als vriendin, als steun, als partner', klaagt de man als Büsra wijselijk de kuierlatten heeft genomen. Te laat. Hem resteert solistisch gemonkel. Later verneemt hij dat Büsra na haar vertrek abortus heeft laten plegen. Zou het kind van hem geweest zijn, de arts-assistent die vrouwen juist kan helpen bij het baren?

Wat een tranentrekkende coïncidentie! En zouden wij iets dienen te voelen voor de hork, die alleen schaapachtig kan grinniken dat hij 'een talent voor nietsdoen' heeft, en eindigt zoals hij begint, onveranderlijk en onwisselvallig in zijn zelfgenoegzame wrok tegen de wereld, wier genietingen hij zichzelf onthoudt?

Ik dacht het niet. Als de man een vette bek gaat halen in een snackbar, schampert hij op de 'monosyllabische' types die de cliëntèle van het droefgeestige etablissement vormen. Toch zijn de one-liners van de pokdalige vrouw met de kale bouvier die hij daar opvangt, de geestigste uit het boek. Zelf slaat hij menige polysyllabische flater, en Moens voelt zich niet geroepen zijn hoofdpersoon voor deze uitglijders te behoeden. Zondagskind krioelt van de ellendige tangconstructies ('het gelaat van een me de vorige dag nog hoopvol aankijkende patiënt') en enormiteiten. Wat te zeggen van een 'plotselinge weduwe' (vrouw die onverwacht weduwe is geworden), 'Piekeren berooft het leven van haar glans', 'Als verlamd kom ik tot stilstand' (ooit een verlamde tot stilstand zien komen?), 'de situatie van haar en mij die hier samen aan het tafeltje achterbleven', 'deze merkwaardige tijd met haar voortdurende telefoontjes' (ooit een telefoontje van de tijd gehad?) en mensen die zinnen 'hoofdschudden' in plaats van ze uit te spreken (kan de auteur deze acrobatische taalhandeling eens voordoen)?

Joris Moens heeft een talent voor fout doen, en dat is de enige navoelbare tragiek van deze roman.

Joris Moens: Zondagskind. De Bezige Bij, ¿ 32,50.

Meer over