Die gordel van smaragd, met zijn slingerend beleid

Indonesië heeft alles om een economische grootmacht te worden: rijk aan bodemschatten, een grote afzetmarkt, lage lonen. Maar zijn zwalkende beleid roept de vraag op: wíl het land eigenlijk wel buitenlandse investeerders? Door

De nationale marketing-jingle is dezer dagen niet van CNN en BBC weg te slaan. Indonesië gooit er weer eens flink wat reclame-geld tegenaan om zijn imago in het buitenland op te poetsen: 'Invest in remarkable Indonesia', investeer in het opmerkelijke Indonesië. De financiële instituten Finch en Moody's krikten de rating van Indonesië op tot optimistische hoogte. Dus waar blijven ze, die investeerders?


Indonesië is booming, zou je zeggen. De economie groeit al jaren met meer dan 6 procent, de crisis lijkt helemaal aan het land voorbij te zijn gegaan. Het land is lid van de G20, de club van de twintig rijkste landen, en wil in 2030 een van de drie grootste economieën ter wereld zijn. Een snel groeiende middenklasse consumeert erop los, en motor- en autofabrikanten openen de ene na de andere fabriek om aan de enorme vraag van 100.000 auto's per maand te kunnen voldoen. Ook elektronikafabrikanten beleven gouden tijden. De consumptie-economie stuwt het land vooruit, zonder dat de overheid er een vinger naar hoeft uit te steken.


Maar in plaats van toe te stromen, rennen buitenlandse investeerders weg of mijden het land. De groei is het laatste kwartaal ineens flink afgeremd. Analysten zeggen al dat Finch en Moody's te snel waren met hun oordeel. Zij wijzen naar Standard & Poor's, dat vorige maand juist zijn investeringsadvies voor Indonesië naar beneden bijstelde. Dat ging van 'positief' naar 'stabiel', wat wil zeggen dat de vooruitgang begint te haperen, en dat investeerders goed moeten nadenken voordat zij in Indonesië een avontuur aangaan. Indonesië is minder makkelijk dan het lijkt.


'Alles hier is moeilijk', zegt Umar Juoro, vooraanstaand econoom in Indonesië en onder meer directeur en lid van een aantal economische denktanks. Korter kan hij het niet samenvatten. Indonesië maakt het zijn investeerders helemaal niet gemakkelijk. 'Een supermarktketen opzetten is nog wel te doen, maar mijnbouw, olie, gas en fabricage voor de export kampen met zo veel problemen.'


De zon schijnt genadeloos in Tanjung Priok, in het noorden van Jakarta. Er is geen schaduw, er is alleen maar stof. Twee roestige vrachtwagens met gebutste containers komen steeds dichterbij, tot er nog maar twee centimeter tussen de trucks over is. Het profiel van de vrachtwagenbanden is al lang geleden verdwenen. In het rubber zitten scheuren, waardoor je de ijzerdraden binnenin kunt zien. De twee vrachtwagens proberen tegelijkertijd een plekje te vinden op de enige rijstrook waarop het verkeer nog een beetje beweegt. Geparkeerde minibusjes, kapotte vrachtwagens of op de rijbaan neergeplante eettentjes blokkeren de rest.


De wegen rond de containerterminal van Tanjung Priok, de haven van Jakarta, zijn permanent verstopt. Alleen al om eruit weg te komen ben je gauw een uur kwijt. Maar dan volgen nog de overvolle wegen en tolwegen van Jakarta, de stad met de eeuwige files. En daarna het binnenland van Java: tweebaans wegen die het elk jaar opnieuw begeven onder het gewicht van denderende vrachtwagens en het regenseizoen. Er is geen alternatief: dit is de manier waarop bijna alle goederen Indonesië in en uit gaan. Een groot deel van de containerhaven verkeert in dezelfde staat als de vrachtwagens die ze halen en brengen.


Plannen genoeg om daar iets aan te doen. Er is bijvoorbeeld een nieuwe haven gepland, 'Tanjung Priok Dua' (twee). Kosten ongeveer 1 miljard. Maar die haven is er nog niet. De bouw had al in volle gang kunnen zijn: tenders waren uitgeschreven en buitenlandse bedrijven stonden klaar om met het werk te beginnen. Maar plotseling, in januari 2012, schrapte de regering alle tenders. Kennelijk had zij bedacht dat het miljardenproject net zo goed door Indonesische bedrijven kon worden uitgevoerd, en dat de winst zo binnen de landsgrenzen kon blijven. Sindsdien wacht de nieuwe haven op de benodigde vergunningen.


De verrassende beslissing van de Indonesische regering was een van de inmiddels vele 'nationalistische' oprispingen die het investeringsklimaat ernstig verzieken. Indonesië leeft inpermanente angst dat buitenlanders aan Indonesië kunnen verdienen. Die vrees beheerst de huidige economische politiek.


'Indonesië is niet te vertrouwen', zegt econoom Juoro. 'Het is goed dat het land zelf wat wil verdienen, maar beslissingen zoals deze, en de manier waarop ze worden genomen, bewijzen dat je er niet van op aan kunt. Dat is het hoofdprobleem voor investeerders in dit land: onzekerheid.'


De haven is lang niet het enige voorbeeld van 's lands onvoorspelbaarheid. Neem de banken: tot voor kort konden buitenlandse banken Indonesische banken kopen, en voor 99 procent eigenaar zijn. Totdat de Singaporaanse bank DBS de Indonesische bank Danamon wilde kopen. Toen speelden anti-Singaporese en pro-Indonesische sentimenten op: van de ene op de andere dag besloot de regering dat buitenlanders nog maar 40 procent mochten bezitten. De koop werd opgeschort en dreigt nu helemaal niet door de gaan. De Indonesische nationale bank zwakte toen de beslissing weer af en zegt nu: als Singapore Indonesische banken meer ruimte geeft, kan aan die 40 procent weer worden gesleuteld.


Mijnbouwbedrijven ondergaan eenzelfde lot. In een opwelling besloot Indonesië een jaar geleden dat die voortaan niet meer voor 80, maar nog maar voor nog maar 49 procent eigenaar mochten zijn van hun Indonesische activiteiten. In eenzelfde opwelling besloot Indonesië ook dat elke mijn een eigen, dure smelter moest bouwen. Zo kon het gewonnen erts nog in Indonesië verwerkt worden en zou Indonesië twee keer verdienen in plaats van één. Om de mijnbouwbedrijven te dwingen geldt er vanaf 2014 een volledig exportverbod op erts.


Geen van de mijnen in Indonesië heeft tot nu toe een smelter gebouwd. De investering blijkt totaal oneconomisch en veel te duur. Kleinere mijnbedrijven zijn al vertrokken en nieuwe komen er niet. Onderzoek onder mijnbouwbedrijven wees uit dat het onberekenbare Indonesië, met al zijn bodemschatten, wereldwijd inmiddels het 'minst favoriete' land is voor investeringen in de mijnbouw.


Dat was nu ook weer niet de bedoeling, dus krabbelt ook het ministerie van Mijnbouw terug. Onderminister Susilo Suswo Utomo vertelde op een bijeenkomst met Australische mijnbedrijven dat die smelters niet zo letterlijk genomen moeten worden: 'Het gaat erom dat er iets met het erts wordt gedaan. Soms kan het genoeg zijn als het wordt gewassen.' Het gedraai maakt de geloofwaardigheid van Indonesië er niet groter op.


De olie-industrie is er misschien wel het belabberdst aan toe. Ook hier leeft de angst dat het buitenland te veel profiteert. Die angst heeft geleid tot de plotselinge sluiting van BPMigas, het staatsorgaan dat de olie-industrie reguleerde en het aanspreekpunt voor de olie- en gasbedrijven. Een aantal groeperingen, waaronder twee grote islamitische religieuze organisaties, hadden BPMigas aangeklaagd bij het Constitutionele Hof, omdat het de grote multinationals zou bevoordelen. Het Constitutionele Hof gaf de klagers gelijk, en BPMigas werd ontmanteld.


De klacht was absurd. Buitenlandse bedrijven zijn de enige die kostbare exploraties kunnen doen. Staatsoliebedrijf Pertamina heeft daarvoor het geld noch de technologische knowhow. De kosten van de exploraties worden doorgaans ingehouden op de latere opbrengst van een olie- of gasveld. In het nationalistische Indonesië is dat niet altijd zo zeker. Contracten en afspraken blijken weinig waard, kunnen ineens worden opengebroken als Indonesië behoefte voelt te gaan heronderhandelen.


De exploraties zijn daardoor bijna tot stilstand gekomen, met als gevolg dat er geen nieuwe olievelden meer worden ontgonnen. De velden raken snel leeg. De olieproductie is de afgelopen jaren gekelderd tot een nieuw dieptepunt van amper 800.000 vaten per dag, veel te weinig om nog te kunnen meedoen met de organisatie van olie-exporterende landen OPEC. In 2008, na ruim 40 jaar, moest Indonesië hieruit stappen, omdat het definitief olie-importeur was geworden.


Indonesië produceert nu, bijna zes jaar later, nog maar de helft van wat het zelf verbruikt, en moet de rest duur importeren uit het Midden-Oosten. Dat kost het land twee keer geld: het moet de olie kopen tegen de marktprijs, en vervolgens moet het nog een berg subsidie bijleggen om de benzineprijs in eigen land laag te houden. Die brandstofsubsidie bestaat al jaren en verlaging ervan is onbespreekbaar. Maar de prijzen stijgen en de inkomsten dalen, en inmiddels gaat zo'n 15 procent van het nationale budget op aan subsidie. De druk die dat legt op de economie begint de groei in de weg te staan.


Moody's waarschuwde onlangs dat het zijn waardering van Indonesië naar beneden zal bijstellen als de regering er niet snel in slaagt die subsidie in te tomen. Maar president Susilo Bambang Yudhoyono aarzelt, en het parlement aarzelt mee. Niemand wil zijn vingers branden aan een zo impopulaire maatregel, zeker niet een jaar voor de verkiezingen.


Net zo heilig, en net zo oud als de subsidie, is de Indonesische droom volledig selfsupporting te zijn. Het land is dat op geen stukken na, en wordt het steeds minder: behalve olie moet Indonesië ook al eerste levensbehoeften als rijst, suiker, soja, rundvlees en knoflook importeren.


Buitenlandse producten zijn veel goedkoper dan Indonesische omdat de landbouw in landen als Australië en Thailand veel verder ontwikkeld is. Om de Indonesische boeren te beschermen, worden voortdurend nieuwe quotaregelingen bedacht en importstops uitgevaardigd. Gevolg: tekorten en prijsstijgingen. Dat moet dan maar, vindt minister van Handel Gita Wirjawan: 'Het is gewoon fout als wij goedkope producten uit andere landen kopen om te voldoen aan onze behoeften. Daarmee maken wij die landen alleen maar rijker.'


Een plotselinge rem op import van rundvlees leidde vorig jaar tot een tekort en een reusachtige prijsstijging: Indonesië had ineens het duurste bief ter wereld. De prijs steeg zo sterk, dat melkboeren hun producerende koeien begonnen te slachten om snel winst te maken. Indonesië heeft nu minder koeien dan ooit tevoren.


De importquota zijn inmiddels weer verruimd, nadat geruchten over varkens- en hondenvlees in rundergehakt de ronde begonnen te doen. Smeergeld van machtige vleesimporteurs deed de rest. De minister van Landbouw, Suswono, en een aantal leiders van zijn islamitische partij PKS staan nu terecht omdat zij van een grote importeur drie miljoen euro zouden hebben aangenomen om diens rundvleesquota te verhogen.


Dit 'Beefgate'-schandaal bewijst opnieuw dat Indonesië nog steeds een door en door corrupt land is. Die corruptie wordt versterkt door de regionale autonomie, die veel macht bij de lokale bestuurders heeft gelegd. Die gebruiken hun macht naar willekeur, en niet zelden om zichzelf schaamteloos te verrijken: zij werken voor de hoogste bieder. En dat kan voor bedrijven enorme problemen opleveren.


Econoom Juoro: 'Als er een nieuwe lokale leider aan de macht komt, kunnen de vergunningen die je van de vorige hebt gekregen ineens niets meer waard zijn.' Dat merkte mijnbouwbedrijf Churchill Mining aan den lijve (zie kader).


Desondanks blijven investeerders naar Indonesië komen. Het land is gewoon te aantrekkelijk om weg te blijven. De problemen met infrastructuur, importstops en exportbelastingen maken Indonesië te duur voor exportproducten, maar met 245 miljoen inwoners is het meer dan groot genoeg voor bedrijven die consumptiegoederen voor de lokale markt willen verkopen. Alleen moet je als bedrijf een stevige buffer hebben om verrassingen als belastingverhoging, veranderde regels, problemen met papieren en salarisverhogingen van 40 procent op te vangen.


Veel hoop op verbetering is er niet. De huidige regering is door bijna iedereen afgeschreven. Indonesië en de rest van de wereld kijken vooruit naar 2014, als er een nieuwe president wordt gekozen. Er is hoop dat die een consistenter beleid weet te voeren dan de huidige.


Maar gevreesd wordt dat in de aanloop naar die verkiezingen de nationalistische oprispingen alleen maar erger worden. Want nationalisme levert nog altijd heel veel stemmen op in Indonesië.


Kader: Papieren en stempels zijn niets waard tegen de belangen van de machtigen

Churchill Mining is een Australisch bedrijf, dat in 2007 en 2008 een meerderheidsbelang kocht in een Indonesisch bedrijf, Ridlatama, dat beschikte over concessies in Oost-Kutai, op Kalimantan. Dat bleek de jackpot: bodemonderzoek wees uit dat de concessie bijna drie miljard ton steenkool bevatte, goed voor een jaarlijkse winst van tussen de 600- en 800 miljoen euro, en dat 25 jaar lang. Zodra de vondst bekend werd, begonnen de problemen. Churchill kwam terecht in een nachtmerrie. Een Indonesisch conglomeraat, de Nusantara-groep, claimde plotseling eigenaar te zijn van concessies voor het gebied en beweerde dat de concessies van Ridlatama vervalst waren. Politie en ministerie van Bosbouw bevestigden de echtheid, maar toch bleken uiteindelijk alle papieren en stempels niets waard. De nieuwe bupati (regent) van Oost-Kutai trok in 2010 Churchills concessies in en gaf ze aan Nusantara. Dat bedrijf is mede-eigendom van Prabowo Subianto, ex-schoonzoon van ex-dictator Soeharto, ex-commandant van elite-legerkorps Kopassus, en kandidaat voor de presidentsverkiezingen in 2014. Een andere eigenaar van de groep was Anthoni Salim, een van de rijkste mannen. Tegen dat machtige duo had Churchill geen kans, in een land waar rechtbanken tot de corruptste instituties behoren. Het mijnbedrijf begon een rechtszaak, voerde die tot aan de Hoge Raad, maar verloor. Nu heeft Churchill internationale arbitrage aangevraagd in de VS. Het bedrijf eist een schadevergoeding ter waarde van 1,5 miljard euro. De reactie van president Yudhoyono typeerde de nationalistische sfeer. 'Ik hoop dat we winnen. Ik wil niet dat multinationals kunnen doen wat zij willen en hun internationale macht gebruiken om zich ontwikkelende landen als Indonesië te onderdrukken.'

Meer over