die bepaalde probleemgroep

'HET EERSTE WAT DIE MAROKKAANSE JONGENS ROEPEN ALS JE ZE AANSPREEKT OP HUN WANGEDRAG IS: JIJ DISCRIMINEERT. DAAR HEB IK ZO GENOEG VAN....

tekst caspar janssen ; illustratie tobias schalken

Het zijn verwarrende tijden voor Reinier Kramer, secretaris van tennisclub Domstad in het Utrechts Kanaleneiland. Als goedopgevoede, goedwillende, maatschappelijk betrokken Nederlands staatsburger vond hij altijd dat je terughoudend moest zijn in het benoemen van die bepaalde allochtone probleemgroep waarvan iedereen weet dat het die bepaalde allochtone probleemgroep is. Want voor je het weet stigmatiseer je de hele gemeenschap waartoe die bepaalde probleemgroep behoort. Of je voedt latente vreemdelingenhaat bij je medeburgers. Maar ja, wat moet je als je club door die bepaalde probleemgroep zodanig wordt geterroriseerd dat het voortbestaan ervan in gevaar komt?

Aanvankelijk probeerden Kramer en zijn medebestuursleden de problemen nog binnenshuis te houden, althans: te bespreken met het gemeentebestuur zonder ophef te maken. Dat hielp niet. Het gemeentebestuur nam het probleem niet al te serieus en er volgden geen adequate maatregelen. Het probleem verergerde zich. Dus schreef het bestuur van de tennisclub vorige maand niet alleen een brandbrief naar de gemeente, maar zond het ook een persbericht de wereld in. Toen gingen de ontwikkelingen sneller dan ooit. Zojuist heeft de tennisclub samen met de gemeente en de politie een uitgebreid en behoorlijk vergaand 'pakket aan maatregelen' vastgesteld die de veiligheid van bezoekers en vrijwilligers van de tennisclub moeten garanderen. Wat daarbij ook hielp was dat de Utrechtse politiecommissaris Voge len zang de wereld vorige maand liet weten dat het zo echt niet verder kon met de onverbeterlijke groep van rond de vijftig Marokkaanse jongeren op Kanaleneiland. Reinier Kramer vindt het nog steeds een twijfelachtig geluk dat juist het expliciet benoemen van het probleem het zoeken naar oplossingen aanmerkelijk versnelde. Want ja, die stigmatisering, hè. En die latente vreemdelingenhaat. 'We hebben ook Marokkaanse leden en die generen zich voor wat er gebeurt.'

Wat overigens die problemen waren? La ten we zeggen: de gebruikelijke. Vorig jaar zomer verhuisde de tennisclub naar Kanalen eiland en al bijna direct ging het mis. Marokkaanse jongens die de boel op stelten zetten in de kantine, die leden en vrijwilligers uitscholden, intimideerden en bedreigden, die autoinbraken pleegden. Met het begin van het nieuwe buitenseizoen, in april van dit jaar, begonnen de problemen opnieuw, maar dan heviger. In een paar maanden tijd telde de politie 49 auto-inbraken, (vrouwelijke) leden gingen de club uit angst mijden, de uitbater van de kantine hield het voor gezien, totaal afgeknapt op de treiterijen, al was het maar omdat hij iedere avond bij het afsluiten van het clubgebouw en het terrein werd bedreigd. Het clubhuis ging dicht. Kramer zucht: 'Zeker, het is verbijsterend en het is cynisch. Je vraagt je af: waarom. We hebben echt geprobeerd om contact te zoeken met die jongens. Maar het lukt niet.'

De maatregelen zijn inderdaad vergaand. Op korte termijn komt er bewaking en toezicht, maar op lange termijn zal het terrein van de tennisclub, samen met dat van het naastgelegen zwembad De Hommel en het gebouw van de brigdebond volledig omheind worden. 'Nee, nee, het wordt geen fort', haast Kramer zich te zeggen, 'maar het wordt wel een terrein waar je veilig je auto kunt parkeren.' De secretaris is nog altijd hoopvol. 'We gaan toch ook weer proberen om in contact te komen met die groep. Je kunt wel muren optrekken en afstand creëren, maar misschien kunnen we ook een paar jongens uit die groep trekken die wel wat willen.'

Die hoop heeft Ruud Bochardt, een halve kilometer verderop, inmiddels opgegeven. Terwijl hij er toch voor betaald wordt om de lastige jongens uit de wijk op het rechte pad te krijgen. Maar Bochardt, manager Jeugd be leid van de Stichting Welzijn Utrecht-West, heeft de handdoek in de ring gegooid. Sterker: een particulier beveiligingsbedrijf moet in de toekomst een groep criminele Marokkaanse jongens weren uit de buurthuizen in de wijk. Opdat hij en zijn medewerkers zich kunnen richten op de groep die nog wel aanspreekbaar is.

Bochardt zit al wat langer in de jeugdhulpverlening en herinnert zich nog dat ze bij het vroegere jac (Jongeren Advies Cen trum) rollenspelen deden waarbij de vraag was: je stapt in de trein, er zijn twee plaatsen vrij, ga je naast die Nederlandse of die Surinaamse mevrouw zitten? Zo halverwege de jaren tachtig was het, zo weet Bochardt, 'absoluut fout' om onderscheid te maken tussen verschillende groepen. 'Het was ook not done om te registreren of iemand bijvoorbeeld van Turkse of Marokkaanse afkomst was. Iedereen was bang om geassocieerd te worden met de cd.'

Pas sinds een paar jaar registreert de jeugdhulpverlening (en nog lang niet overal) de achtergronden van haar 'cliënten'. Bo chardt: 'Natuurlijk moet je onderscheid maken naar nationaliteit en achtergrond. Zoals je ook onderscheid maakt tussen jongens en meisjes en zelfs naar opleiding. Hoe meer je weet van de specifieke achtergronden van jongeren, hoe beter je kunt werken aan adequate oplossingen. Dat is van een verpletterende logica, ja, maar daar waren we een paar jaar geleden nog niet aan toe. We proberen nu Marokkaanse ouders meer te betrekken bij het zoeken naar oplossingen. Ik kreeg de terechte vraag: "Waarom hebben jullie dat niet eerder gedaan?" Nou, het antwoord is simpel: omdat we tot voor kort niet eens toegaven dat het om een specifiek Marokkaans probleem ging.'Vorige week nog zei een pvda-kamerlid tegen hem: je stigmatiseert. Dat soort opmerkingen ergert hem in toenemende mate. 'Ik denk dan: "Dat moet dan maar even." Met onze politieke correctheid hebben we jarenlang de problemen verdoezeld. Die tactiek heeft dus niet gewerkt. Zie de uitkeringsfraude, zie de toegenomen overlast en criminaliteit. Ik hoor dit soort discussies ook nooit over bijvoorbeeld voetbalsupporters. Over hen oordeelt iedereen terecht vrijpostig en strijdlustig. Toch beweert niemand dat bezoekers van voetbalwedstrijden per definitie niet deugen.'

Bochardt heeft het in zekere zin als 'bevrijdend' ervaren dat hij een paar weken geleden in het openbaar kon toegeven dat de miljoenen guldens subsidie die zijn organisatie kreeg om de 'harde kern' van Marokkaan se probleemjongeren op het rechte pad te krijgen, vooral opging aan beveiliging, bewaking en bescherming van het eigen personeel. 'Het is niet makkelijk om te zeggen: we kunnen het niet meer. Overal, bij gemeenten, bij instellingen heerst de angst: haal ik de eigen organisatie niet onderuit? Of: ben ik nu aan het discrimineren? Toch is openheid over het eigen falen te verkiezen. Je zult toch een keer los van je angsten moeten nadenken over creatieve oplossingen. Bij mijn eigen medewerkers bespeur ik ook een soort opluchting. Een aantal van hen hield het gewoon niet meer vol. Een paar jaar geleden hadden ze dan gezegd: Ruud, ik ga weg, ik wil weleens wat anders. Nu kunnen ze in alle openheid zeggen: ik kan dit niet aan en ik heb geen zin om iedere dag weer bedreigd te worden.'

Tegenwoordig zegt Bochardt hardop dat taakstraffen niet bepaald afschrikwekkend werken voor Marokkaanse crimineeltjes. 'Dan hoor ik vaak terug: maar gevangenisstraf helpt ook niet. Dat kan best, maar die jongens zijn dan wel uit de buurt.'

Oplossingen zullen veel meer dan vroeger uit de Marokkaanse gemeenschap zelf moeten komen, meent hij. 'Maar ja, dan zullen we ook een ander type oplossing moeten accepteren. Marokkaanse vaders zeggen: ik zou mijn zoon het liefst een draai om de oren geven. Maar daarmee hebben ze in het verleden problemen gehad. Dan kwam de politie of de kinderbescherming in het geweer. Die ouders zijn hun gezag ook kwijt, als ze al niet zelf worden geterroriseerd door hun zonen.'

Als De Volkskrant, zoals vorige week, onversaagd koppen als 'Marokkaanse bende roofde uit homohaat' boven artikelen gaat zetten, dan duidt dat op een omslag in het denken over de relatie etniciteit en criminaliteit. Twee weken eerder had Volkskrant-journaliste Mirjam Schöttelndreier al persoonlijk afscheid genomen van het politiek-correcte denken. Mede namens vrienden en kennissen van Groen Links-signatuur schreef ze, grof samengevat, dat het allemaal ongetwijfeld niet makkelijk was voor de Marokkaanse medemens, maar dat het nu toch echt maar eens moest ophouden met het gescheld, het gedreig, het geweld en de criminaliteit van Marokkaanse jongeren op Kanaleneiland. Haar artikel volgde na de hardop uitgeproken overweging van de Utrechtse politiecommissaris Vogelenzang om het volwassenenstrafrecht toe te passen op de harde kern van Marokkaanse crimineeltjes. Vogelenzang op zijn beurt had wellicht goed in zijn oren geknoopt dat de socioloog Herman Vuijsje een paar maanden eerder in deze krant al opmerkte dat er inmiddels vrijmoedig werd gesproken over dit soort kwesties. Die stelling werd niet lang na het uitspreken bewaarheid toen de Rotterdamse imam El Moumni zich uitliet over homoseksualiteit. Het was het zetje dat blijkbaar nog nodig was om alle media in beweging te krijgen over het opzichtig falen van de integratie van Marokkanen in Nederland, een discussie die eigenlijk vorig jaar al begon, toen Paul Scheffer het thema eindelijk ook voor 'links' Nederland onontkoombaar maakte met zijn essay Het multiculturele drama in NRC Handelsblad.

Nu zijn media niet de maat der dingen, maar het gebrek aan tegengeluid doet vermoeden dat de verontwaardiging in de krantenkolommen wel degelijk een reflectie is van wat er leeft bij althans het autochtoon-Nederlandse volksdeel. In de privé-sfeer is het laten vallen van het woord 'Marokkanen' inmiddels een garantie tot een reeks gruwelverhalen met 'die Marokkaanse kutjochies' in de hoofdrol. Het lijkt op een soort opluchting die volgt na een lange periode van onthouding; eindelijk kunnen we die zelfopgelegde verstikkende deken van politieke correctheid afwerpen en vrijuit spreken over wat er eigenlijk aan de hand is, zonder angst om te 'stigmatiseren' of om voor racist te worden versleten.

De explosie van aandacht voor de overlast van Marokkaanse jongens komt niet uit de lucht vallen. Je moet wel heel erg je best doen om niet te zien dat een aanzienlijke minderheid van de Marokkaanse jongeren behoorlijk ontspoort. 'Overlast' is daarbij nogal eens een eufemisme voor intimidatie, diefstal, geweld, vernieling en aanranding. En het verschijnsel beperkt zich niet tot de grote steden; van Roermond tot Gouda, van Maassluis tot Ede, van Eindhoven tot Zand voort houden groepjes Marokkaanse jongeren de gemoederen bezig.

Maar ook de houding van de brave autochtone en allochtone burgers jegens dit soort gedrag is aan verandering onderhevig. Wie de statistieken erop naslaat ziet dat Ma rok kanen (en Antillianen) vijf jaar geleden ook al verantwoordelijk waren voor een aanzienlijk deel van de 'kleine' criminaliteit. Toch beginnen dergelijke feiten pas sinds eind jaren negentig stelselmatig in de media door te dringen. De documentalist die voor dit verhaal op trefwoorden als 'Marokkaanse jongeren', 'overlast' en 'rellen' de anp-berichtjes opzocht vanaf begin jaren negentig tot nu, vond tot 1998 niet meer dan twintig artikelen, maar over de drie jaar daarna bijna honderd. Wellicht is dat te verklaren met een opmerking van de voorlichter van stadsdeel Zuider-Amstel in Amsterdam: 'Als er tien jaar geleden in het Mirandabad problemen waren met Marokkaanse jongeren dan werd er keurig gemeld dat het om 'jongeren uit De Pijp' ging.'

'Die houding is nu wel veranderd', heeft ook Jos de Beus, hoogleraar politieke theorie aan de uva, gemerkt. 'Interessant is: wat waren de argumenten om het probleem altijd klei ner te maken dan het was? We zijn jarenlang bezorgd geweest over vreemdelingenhaat, over stereotypen, over de intolerantie van anderen. Dus moesten we in de openbare wetenschap, in de politiek, in het beleid, steeds het tegengeluid laten horen. Corrigeren. We zeiden voortdurend: er zijn te veel Nederlanders die van het slachtoffer, de allochtoon, een dader maken. Nederlanders die dus zelf verkeerd denken. Dan krijg je al snel de versnelling naar racistisch en hysterisch. Met andere woorden: niet de Marokkanen zijn het probleem, maar die mensen.

'Als ik dan een grote stap neem kom ik weer uit bij het misverstand van de Tweede Wereldoorlog dat ons weer parten speelt. Omdat we de bezetting zo hebben vergroot tot het uur nul voor waakzaamheid, heulde iedereen die maar iets zei over bijvoorbeeld Marokkanen al met de nationaal-socialistische vijand onder ons. En daartegen kun je natuurlijk niet vroeg en hard genoeg optreden. Pas door de werkelijke Nederlandse verhoudingen goed te bekijken zie je dat die benadering nergens op slaat. Aan de ene kant werd duidelijk dat er toch iets te veel Marokkaanse jochies niet deugden, aan de andere kant zagen we dat het in Nederland meevalt met de massale en politieke steun voor racisme. Zo ondermijnde die politiek-correcte manier van praten zichzelf. Ik vind het bevrijdend dat we nu eindelijk gewoon feitelijk over de moeizame integratie van allochtonen kunnen praten.'

'De relatie etniciteit en criminaliteit was ook in mijn vakgebied lange tijd taboe', weet Henk van de Bunt, deeltijd-hoogleraar criminologie in Amsterdam en Rotterdam. Vol gens Van de Bunt, tot vorig jaar directeur van het Wetenschappelijk Onderzoeks- en Documentatie Centrum (wodc) van het ministerie van Justitie, kwam de kentering 'ergens in de jaren negentig en de parlementaire enquête Van Traa in 1995 was daarbij een ijkpunt.'

Zelf maakte Van de Bunt in het kader van die enquête deel uit van de Onder zoeks groep Fijnaut die voor het eerst de relatie legde tussen georganiseerde misdaad en allochtone gemeenschappen. 'In de cijfers over gewone criminaliteit zijn Marokkanen oververtegenwoordigd. Maar als je kijkt naar de georganiseerde misdaad dan zie je dat daarbij veel Turken betrokken zijn. Dus het beeld dat Marokkanen het zoveel slechter doen dan anderen is niet helemaal juist. Alleen: Marokkanen treden wat meer op de voorgrond, ze plegen de wat zichtbaarder criminaliteit.'

Van de Bunt heeft zich, zo zegt hij 'ook schuldig gemaakt aan de taboeïsering van het onderwerp. In de jaren tachtig sprak ik voor onderzoek veel met politiemensen en officieren van justitie. Die zeiden nogal eens dingen als: 'Acht van de tien verdachten zijn van buitenlandse afkomst.' Als ik dan vertrok dacht ik: "Weer zo'n racist".'

Hij herinnert zich hoe twee Amster dam se gemeente-amb tenaren eind jaren tachtig een rap portje uitbrachten waarin voor het eerst expliciet melding werd gemaakt van overlast die 'zwerfgroepen Ma rok kaanse jongeren' veroorzaakten. 'De reacties waren heel heftig, maar een paar jaar later werd het toch gebruikelijk om aan het probleem aandacht te besteden. Het trieste is dat, juist omdat het een taboe is, zo'n onderzoekje in eerste instantie wordt gedaan door niet goed geschoolde mensen die basisfouten maken. Dat zag je onlangs weer in Gro nin gen. De relatie asielzoekers en criminaliteit is nog taboe, dus zie je dat een paar politiemensen zelf op onderzoek uitgaan. Ze maken dan fouten en iedereen valt vervolgens over hen heen.'

De huidige explosie aan verontwaardiging over het gedrag van Marokkaanse jongeren verklaart Van de Bunt uit het feit dat 'de grenzen van het absorptievermogen kennelijk zijn bereikt. Kijk, iedere samenleving heeft criminaliteit, en iedere samenleving heeft de veerkracht om rampen, rampjes en delinquent gedrag te absorberen, om gewoon door te leven. Maar er zijn grenzen aan het absorptievermogen. Ik wil niet dramatisch doen, maar ik denk we nu zo langzamerhand aan onze taks zitten. Volgens de cijfers is er een continue stijgende lijn in het aantal geweldsmisdrijven. Dat zegt alvast iets, maar veelzeggender vind ik dat niet alleen privé-personen uit angst vermijdingsgedrag vertonen, maar dat ook instellingen dat nu doen. Zelf woon ik in de Betuwe. Ik heb twee zoontjes, die naar verschillende middelbare scholen gaan. Een van die scholen geeft al geen feesten meer op school; alles wordt gedaan in een beveiligde discotheek. En die andere school heeft politiebewaking. Dat heeft in beide gevallen te maken met de problematiek van allochtonen. Zelfs in de Betuwe. Ik vind dat zorgelijk.'

Van de Bunt is nu alweer jaren een voorstander van het zo specifiek mogelijk benoemen van problemen, al is het maar omdat je 'anders met het beleid de plank misslaat'.

Overigens bestaan er wel (schaarse) gegevens over criminaliteit van allochtonen. Vorig jaar november hield het ministerie van Binnenlandse Zaken de publicatie tegen van een rapport van de Nationale Recherche In for matie. In dat rapport staat becijferd dat 31,8 procent van de verdachten van misdrijven in 1998 niet in Nederland is geboren. An til lianen 'scoren' relatief het hoogst, gevolgd door de geboortelanden 'overig Afrika', Marokko en voormalig Joegoslavië. Dezelfde cijfers staan wel vermeld in het vorige week verschenen rapport Criminaliteit en Rechts hand having van het ministerie van Justitie.

De auteurs van het rechercherapport gaven in hun samenvatting al aan dat de registratie niet optimaal is omdat in Nederland geboren allochtonen (zo'n veertig procent van het totaal aan allochtonen) niet zichtbaar zijn in de registratie. Met andere woorden: het percentage van 31,8 is een ondergrens. De auteurs bepleiten betere registratie.

Van de Bunt beaamt. 'De huidige politiecijfers geven geen goed beeld van de achtergronden van de daders. De politie registreert alleen de eerste generatie allochtonen. Als je hier geboren bent sta je potentieel te boek als Nederlander, ook al zijn je ouders Turk of Ma rokkaan. Dat betekent dat relevante informatie niet beschikbaar is. Dat is niet alleen slecht voor het beleid, maar je neemt ook jezelf en de ander niet serieus als je alsmaar omfloerst over bepaalde gedragingen van specifieke groepen praat. Je zult het beestje toch bij de naam moeten noemen.'

Dat is letterlijk wat Heino Jacobs, zwembaddirecteur te Nijmegen heeft gedaan. Vanwege permanente overlast door een deel van de aanwezige Marokkaanse jongeren in het Sportfondsenbad Nijmegen-West, voerde hij onlangs een legitimatieplicht in bij alle Sportfondsenbaden in de stad. En hij vertelde erbij dat het puur en alleen vanwege die groep Marokkaantjes was. Dat laatste had hij een paar jaar geleden nog niet gedaan, vermoedt hij zelf. Toen probeerde hij zich nog in die 'typisch Nederlandse spastische bochten' te wringen om het werkelijke probleem maar niet te benoemen. 'Dat ben ik nu spuugzat. Het eerste wat die jongens roepen als je ze aanspreekt op hun wangedrag is: jij discrimineert. Daar heb ik zo genoeg van dat ik heb besloten om vanaf nu altijd precies te zeggen om wie en om wat het gaat.'

Wat overigens de problemen waren? Laten we zeggen: de gebruikelijke. In 1999, na de opening van het nieuwe 'recreatieve gedeelte' van het zwembad, ging het meteen mis. Groepjes jongeren namen bezit van het bubbelbad, de nieuwe glijbaan, de whirlpools en gedroegen zich onbeschoft tegen andere badgasten. Op een van de eerste vrijdagavonden werd een meisje aangerand door een groepje (niet alleen Marokkaanse) allochtonen. Jacobs: 'Daarmee stortte de vrijdagavond in. Die jongens kwamen niet meer, maar ook het andere publiek niet. Er was het idee: vrijdagavond is het daar mis.' Vervolgens liep het ook fout op de drukste dag, de zondag. 'Die jongens bezetten massaal de whirlpool, de glijbaan, het bubbelbad. Er hing een hele negatieve sfeer. Toen hebben we een gezinsuur ingesteld: van elf tot twee in het recreatiegedeelte. En dus verplaatste het probleem zich naar de middag. Met z'n tienen in de stoomcabine, met z'n tienen in de whirlpool die geschikt is voor twee man, met z'n tienen op een keukenblad zitten, net zolang tot het instort. En als je ze aanspreekt heeft dat geen enkel effect. 80 Procent van ons personeel is vrouw en die jongens hebben een totaal gebrek aan respect voor vrouwen. Ze kijken langs ze heen, stoïcijns, uitdagend, met een blik van: wat denk je dat je kunt doen? Op de laatste zondag voordat we besloten om legitimatie in te voeren was het weer heel erg. Ver nie lingen, het andere publiek lastigvallen, nou ja, het bekende roofdierengedrag. Toen zijn personeelsleden ook zodanig bedreigd dat we wel iets moesten doen.'

Opmerkelijk genoeg kreeg Jacobs geen enkele reactie uit de Nijmeegse politiek op de invoering van de legitimatieplicht en zijn openlijke motivatie van die maatregel. 'Als we dit vijf jaar geleden hadden gedaan dan had de gemeenteraad op zijn kop gestaan. Maar geen enkele partij heeft zich geroerd, ook niet van linkse signatuur. Er valt blijkbaar geen stem meer mee te winnen.'

'Het is een hype, zwembadje pesten', weet Marlon Heije, eerste zwemmeester in het Amsterdamse Jan van Galenbad uit eigen ervaring. Hij en zijn medewerkers dreigden vorig jaar het werk neer te leggen als de stadsdeelraad niet ingreep. 'Ik heb gezegd: wij stoppen ermee. Ik ben kwetsbaar, maar die jongens zijn anoniem. Er kan van alles gebeuren en je weet niet wie het gedaan heeft. Het werd te veel. Iedere dag weer die agressie, bedreigingen, stelen.'

De deelraad nam maatregelen. Er kwam een camera bij de kassa, een groot bord met gedragsregels, toezicht in de vorm van stadswachten en er kwamen mobilofoons voor de badmeesters. Dat heeft gewerkt. Toch houdt Heije iedere zomer zijn hart vast. 'Ik heb nog altijd gemengde gevoelens als het mooi weer is. Dan denk ik: wat staat me vandaag te wachten? Je gaat niet met plezier naar je werk. Het personeel denkt er precies zo over. Dus krijg je opmerkingen als: ik hoop dat ze dit jaar allemaal lekker naar Marokko op vakantie gaan.'

'Weet je', zegt Heije, 'ik vind het vooral jammer voor die Marokkaanse jongens die wel serieus zijn. Ik ben ook sportbuurtwerker in deze buurt. Ik ken hier alle Marokkaanse jongens. Daar zitten hele leuke gasten bij. Maar de jongens die hier in het zwembad de sfeer verzieken komen niet uit deze buurt. Ik ken er niet een van, ze opereren in de anonimiteit, ze wonen in de omliggende wijken.'

'Kijk', grapt Heije, 'ik ben Surinamer, dus ik discrimineer niet.' En serieus: 'Maar ik vind het een grote opluchting dat we nu eindelijk het beestje bij de naam kunnen noemen. Want je moet toch iets doen. Het Nederlandse beleid is te soft en te onduidelijk, daar lachen die jongens om.'

Het had nog heel wat voeten in de aarde om met Marlon Heije te praten. Daarvoor was eerst een intensief contact met de 'communicatie-afdeling' van het stadsdeel voor nodig.

Het is inmiddels gemeentelijk beleid om te voorkomen dat bedrijfsleiders van zwembaden zomaar praten over waar ze deskundig in zijn; de situatie in hun zwembad. Dat levert eigenaardige situaties op. Badmeesters in alle Amsterdamse zwembaden die moeten doorverwijzen naar stadsdelen, alwaar de trefwoorden 'journalist', 'Volks krant', 'Ma rok kaan se jongens' en 'zwembaden' alle seinen op: 'pas op, dreigende dijkdoorbraak' lijken te zetten.

Aan de andere kant van de telefoon vallen spreekwoordelijk bureaustoelen om, er worden spoedberaden belegd, wethouders worden uit vergadering geroepen, kortom: de afdelingen 'com municatie-advies' draaien op volle toeren. Er worden wethouders aangeboden die best willen vertellen hoe ze via een uitgekiend pakket aan maatregelen de problemen te lijf gaan of dat ze de situatie inmiddels stevig onder controle hebben. Maar zomaar met een bedrijfsleider van een zwembad praten, nee, dat behoort tot de onmogelijkheden.

Enige uitzondering is het stadsdeel Zuider -Amstel, waaronder het Mirandabad ressorteert, maar zij hebben dan ook goed nieuws te melden. In het Mirandabad lukte het de politie om een team toezichthouders te formeren uit een groep probleemjongens. Het kost een aardige duit - de jongens krijgen een een-op-eenbegeleiding van de politie - maar het werkt.

De gemeente Utrecht voert hetzelfde voorlichtingsbeleid als Amsterdam. Dat resulteert in een bizar telefoongesprek met een mevrouw van de afdeling communicatie-advies, waarbij de mevrouw zegt dat het hier 'een kwetsbare groep' betreft en dat ze het, als het dan per se moet, best goed vindt dat we communiceren met de bedrijfsleider van zwembad Den Hommel, maar dat die gehouden is aan het uitdragen van het gemeentelijk beleid. Zeker, hij kan op persoonlijke titel praten, maar dan zal ze hem toch dringend adviseren niets te zeggen.

Omdat we toch in Utrecht moeten zijn, gaat het gesprek door. Drie mannen in het zonnetje, op het terras bij het zwembad, op de rustigste ochtend van de week. Alledrie, de communicatie-adviseur, bedrijfsleider Stephan Rasing en de journalist in het besef dat hier een uur lang zo min mogelijk gezegd gaat worden.

Nu zijn de problemen in Den Hommel ook minder geworden. Drie, vier jaar geleden was de overlast op zijn hoogtepunt, zo horen we later van de voormalige bedrijfsleidster, en toen zijn er drastische maatregelen genomen. Beveiliging, toezicht in de vorm van een als badmeester verklede agent en een speciale caravan waarin ontzeggingen werden uitgeschreven; lik op stuk dus. Rasing benadrukt nog dat Den Hommel nu ook Marokkaanse en Turkse medewerkers in dienst heeft en probeert te krijgen.

Bij het wijkteam van de gemeente in Kanaleneiland zijn ze in ieder geval een stuk opener dan bij de centrale gemeente Utrecht, wellicht omdat ze inderdaad wat dichter op het vuur zitten. De wijkmanager Nancy Kok steekt haar grote dilemma niet onder stoelen of banken als ze enerzijds zegt: 'We staan met de rug tegen de muur', en anderzijds vraagt: 'Schrijf je wel een beetje aardig over Kanalen eiland?'

Dat laatste is niet eens zo moeilijk. Voor een probleemwijk ziet Kanaleneiland er alleraardigst uit. De wijk is ruim opgezet, met afwisselend laagbouw en hoogbouw die nooit de vier verdiepingen overstijgt. Een groot deel van de wijk heeft uitzicht op stroken groen en op het Amsterdam-Rijnkanaal. In ieder geval niet de uitzichtloosheid die je zou verwachten bij zoveel criminaliteit.

Dat beaamt Jaap van Kampen, voorzitter van de Vereniging van Huiseigenaren. 'Dit zou een hele aardige wijk kunnen zijn. Alleen: de wijk is te eenzijdig samengesteld. In dit gedeelte is 70 procent allochtoon en daar is niemand, ook veel allochtonen niet, gelukkig mee.'

Zelf heeft Van Kampen, voorheen werkzaam in de jeugdhulpverlening, nooit problemen met Marokkaanse jongeren. De vorige voorzitter wel. Die zei ooit: 'De problemen zijn de schuld van de Marokkanen', en kreeg sindsdien zo vaak stenen door de ruit dat zijn glasverzekering werd stopgezet.

Volgens Van Kampen is de eenzijdige samenstelling van de wijk een gevolg van het automatische toewijzingssysteem van woningen. 'Dat werkt getto-vorming in de hand.' Hij hekelt de politieke correctheid van de Utrechtse gemeenteraad. 'Vorig jaar werd een predikant hier in de wijk zwaar aangevallen door gemeenteraadsleden. Hij had gezegd dat er een zekere 'herspreiding' van de bevolking zou moeten komen. Dat mocht niet. Maar nu gaat de gemeente hier een heleboel flatgebouwen platgooien. Met precies hetzelfde doel, alleen: de gemeente noemt het herstructurering.'

Oscar Dros, chef van het politiedistrict Marco Polo, en Ted Elbertse, wijkchef Kanaleneiland, zijn trots zijn op hun politiecommissaris Vogelenzang. Mede op basis van de ervaringen in het dictrict Marco Polo besloot de hoofdcommissaris dat het onderwerp op de politieke agenda moest.

Dros: 'We constateerden dat de hele keten van politie, hulpverlening en justitie uiteindelijk niet genoeg rendement had. We vroegen ons af: wat moet je in hemelsnaam nog meer doen dan die jongens in de nek grijpen, dezelfde jongens soms tien tot vijftien keer per jaar. We zien gewoon dat het effect op hen niet bijzonder is. Ze lachen ons uit, in zekere zin.'

In het district Marco Polo worden per dag 46 aangiften gedaan, een absoluut record in Utrecht en omgeving. Elbertse: 'En dan moet je weten dat we lang niet alles constateren wat er gebeurt. We merken dat mensen vaak niet meer durven te reageren op agressie. Er zijn vaak ook geen getuigenverklaringen. Want die kunnen niet anoniem. Mensen zijn bang. De angst regeert. Dan moet je echt iets gaan doen.'

Dros: 'Je moet als overheid in staat zijn om diegenen die echt onverbeterlijk zijn een passende straf te geven, ook al zijn ze minderjarig. Het kan beter en het kan sneller.'

Dros en Elbertse zijn wel degelijk bang voor stigmatisering en willen graag gezegd hebben dat het met 85 procent van de Marokkanen wel goed gaat, maar, zo zegt Dros: 'Je moet toegeven dat het jarenlang verhullen van het probleem averechts heeft gewerkt. Dat we nu kunnen zeggen dat er een specifiek probleem is met groepen Marokkaanse jongeren is een erkenning voor de mensen die in de alledaagse praktijk werken. En het biedt kansen op gerichte oplossingen.'

Meer over