Dichter

'Mag ik het even aanraken', vroeg de roodaangelopen vrouw aan de dichter die in het stampvolle café De Kale Jonker eenzaam aan een tafeltje bij de deur zat....

'Natuurlijk', zei de dichter.

Een jaar of zestig, een baard.

Dun, naar achteren gekamd haar.

Een mosterdkleurig jasje.

Bruine ogen, mild als de regen in mei.

De vrouw die bezig was haar jas aan trekken, aarzelde even: ging ze tot aanraking over terwijl ze half in haar jas zat, of ging ze zich eerst geheel en al in de jas hijsen?

Ze koos voor het eerste.

Ze boog zich lichtjes voorover en streelde het boek dat op tafel lag. Haar blonde haar viel voor haar ogen. De hand die het boek niet streelde, hield het tafeltje vast, ze zou wel eens om kunnen vallen.

De dichter liet zijn blik langs haar gestalte dwalen: de grofgebreide trui zat scheef, en ook de pantalon was in het ongerede; een reepje blote buik was zichtbaar, onwerkelijk wit vlees dat tussen al dat textiel een eigen leven leek te leiden. De dichter keek snel weer omhoog.

'Het voelt lekker', zei de vrouw. Haar vingers waren klaar met de in het dikke karton gestanste letters van de titel: Onverwoestbaar Mooi.

'Dank je', zei de dichter.

'Een mooi boek hoor', vervolgde de vrouw. Ze viel even stil en veranderde van toon. 'Maar mijn lievelingsboek is Liefde in tijden van cholera van Marquéz. Dat heb ik tig keer gelezen.'

'Ach', zei de dichter, 'dat is heel andere koek.' Hij trok zijn boek behoedzaam onder haar strelende vingers vandaan en legde het buiten haar bereik weer neer, naast zijn sigaren, op de rand van de tafel, vlakbij de vensterbank.

'Nou ja, ik zal op je stemmen hoor', zei de vrouw en ze ging verder met het aantrekken van haar jas, een worsteling die de dichter met tot spleetjes geknepen ogen en een vriendelijke glimlach gadesloeg, in het geheel niet verwonderd dat de vrouw hem totaal vergeten leek, een kenner van het caféleven, een kenner van vrouwen of een kenner van beide.

Jas en vrouw werden het uiteindelijk eens, en de strijd met het dikke gordijn dat de deur scheidde van de gelagkamer nam een aanvang. Enige tijd later was de vrouw verdwenen, het Zuiderdiep op, donker Groningen in.

'Bert', riep de dichter naar de barkeeper. Hij gebaarde naar zijn glas. Bert kwam met de fles rode wijn en schonk de dichter bij.

Driek van Wissen was de naam van deze dichter. Het boek bij zijn elleboog dat de vrouw zo teder had gestreeld, bevatte zijn verzameld werk; honderden sonnetten uit bundels met titels als Het mooiste meisje van de klas, De badman heeft gelijk, De volle mep, Meisjesgenade, Een loopje met de tijd.

Hij wachtte op een journalist, de dichter, om zich te laten ondervragen over zijn pogingen om Dichter des Vaderlands te worden, de zoveelste journalist, want Driek van Wissen voert al maanden een uitputtende campagne: hij wil werkelijk de opvolger van Gerrit Komrij worden. Heel Groningen steunt hem hierbij.

De dichter nam een slok van zijn wijn. De deur van het café kraakte, het tochtgordijn bolde. De journalist sloeg het opzij, en stapte binnen. Hij herkende de dichter aan het boek dat op tafel lag, en plofte neer op de stoel tegenover hem. De dichter wenkte de ober.

Meer over