Dichter van kwetsbaar, afgewogen oeuvre bereikte een groot publiek

Als psychiater Rudi van den Hoofdakker zocht hij antwoorden, als de dichter Kopland stelde hij tijdloze vragen. Zijn werk is veelvuldig bekroond.

ERIK MENKVELD

'Uw meest geliefde dichter' - zo werd de afgelopen woensdag op 77-jarige leeftijd overleden Rutger Kopland al in de jaren negentig aangekondigd op de Utrechtse Nacht van de Poëzie. Bij de eerste verkiezingen voor de Dichter des Vaderlands in 2000 kreeg hij de meeste stemmen, maar hij bedankte voor de eer. En nog altijd is zijn werk ongekend populair. Het verschijnt geregeld in rouwadvertenties. Van zijn bundels zijn in totaal meer dan 200 duizend exemplaren verkocht, en ze worden nog steeds herdrukt.

Die grote populariteit zal ongetwijfeld te maken hebben met Koplands toegankelijke, bedachtzame stijl, zijn milde ironie, zijn weemoed, en met de voor velen herkenbare onderwerpen, vooral in de vroegere poëzie. Zijn (christelijke) jeugd, de omgang met zijn kinderen (en later kleinkinderen), het sterven van zijn ouders, het ouder worden, zijn idyllische tuin en de omringende natuur van herfstige bosranden en paarden in opkomende nevel.

Al in zijn tweede bundel, Het orgeltje van Yesterday (1968) schreef hij: 'Dichtregels worden de dichter gegeven,/ dat heb ik nooit geweten, wel dat soms/ een vreemd soort ontroering opkomt/ waarvoor ik naar woorden zoek.' Om de verwoording van die ontroering was het hem tot in zijn laatste bundels te doen, al werd de taal daar steeds kariger en had de ontroering er, nadat de dichter ternauwernood een hartinfarct en een ernstig auto-ongeluk overleefde, steeds meer te maken met het geluksgevoel 'dat ik er nog ben en dit mag beleven'.

'Het gaat uiteindelijk toch over het besef dat alles voorbijgaat en over hoe dat besef ook iets troostends kan hebben,' zei hij tegen het Vlaamse weekblad Humo. 'Dat beleef ik steeds meer als ik in een landschap loop, alles aanschouw en bedenk dat dat er nu zo ligt en dat dat er denkelijk straks ook zo ligt als ik er niet meer ben.'

Rutger Kopland werd als Rudi van den Hoofdakker in 1934 in het Overijsselse Goor geboren. Zijn vader was gasfitter en het gezin verhuisde veel. Kopland bezocht in Assen de middelbare school, ging medicijnen studeren in Groningen en specialiseerde zich in de psychiatrie. In de jaren zestig werkte hij als psychotherapeut en vanaf de jaren zeventig was hij verbonden aan de afdeling biologische psychiatrie van de Groningse universiteit, van 1981 tot aan zijn emeritaat als hoogleraar in 1995.

Hij publiceerde enkele spraakmakende boeken op zijn vakgebied, zoals Het bolwerk der betweters (1970) en Een pil voor Doornroosje (1976). Als hersendeskundige was hij fel gekant tegen de eenzijdig mechanistische opvatting van het menselijke brein, zoals die de afgelopen jaren opgang maakt, bijvoorbeeld in boeken van Dick Swaab.

Verfrissend

Op aandringen van zijn vriend en toenmalig Tirade-redacteur Aad Nuis debuteerde hij in 1966 als dichter met Onder het vee. Ook het pseudoniem Rutger Kopland was een idee van Nuis. In een tijd waarin het experiment en het hermetisme van de Vijftigers hoogtij vierden, naast het coole hyperrealisme van de Zestigers, werd Koplands ironisch-persoonlijke parlandopoëzie als verfrissend en vernieuwend ervaren.

Met generatiegenoten als Judith Herzberg, Dick Hillenius en Jan Emmens bleek hij tegen wil en dank zelfs een nieuw strominkje in de poëzie: die van het anecdotisme. Met klassiekers als Onder de appelboom, Weggaan en Jonge sla en met bundels als Een lege plek om te blijven (1975) en Al die mooie beloften (1978) bereikte hij een voor een dichter ongekend groot publiek, dat na de bloemlezingen Herinnering aan het onbekende (1988) en Geluk is gevaarlijk (1999) nog toenam.

Zijn werk als wetenschapper en dichter hield hij intussen strikt gescheiden. Als dichter wilde hij zijn eigen werkelijkheid scheppen en uitsluitend vragen stellen; als wetenschapper moest hij de werkelijkheid zo objectief mogelijk vaststellen en antwoorden vinden. In de essaybundel Twee ambachten uit 2003 zette hij zijn werk als psychiater en als dichter nog eens nadrukkelijk tegenover elkaar. Voor de waardering maakte het niet uit. Zowel professor R.H. van den Hoofdakker als de dichter Rutger Kopland werden overvloedig geëerd. Hij ontving meerdere eredoctoraten, kreeg in 1988 de P.C. Hooftprijs en tien jaar later de VSB-Poëzieprijs.

Dat zijn werk niet altijd wordt gelezen zoals het is bedoeld, daarover heeft de dichter zich in interviews herhaaldelijk vrolijk gemaakt. Ga nu maar liggen liefste in de tuin, dat in vele rouwadvertenties opduikt, was voor hem eerder een erotisch gedicht dan een gedicht over het laatste afscheid.

Voor veel jongere dichters in de jaren tachtig en negentig waren Koplands toon en manier van dichten van een onontkoombare besmettelijkheid. Al was er ook toenemende kritiek. Boudewijn Büch noemde Koplands werk bedaagde, sentimentele kitsch; latere liefhebbers van een brutalere en rauwere toonzetting, onder wie Ilja Leonard Pfeijffer, deden er nog een schepje bovenop.

Het kon Kopland nauwelijks deren. In zijn ogen was de beste poëzie de kwetsbaarste, die het aandurft helder, tijdloos en persoonlijk te zijn en op de rand van het sentiment te balanceren. In vele gedichten van zijn afgewogen oeuvre is hij daar op een onvergetelijke manier in geslaagd.

Psalm

Dan zullen deze geluiden wind zijn,

als ze opstijgen uit hun plek, dan

zullen ze verwaaien, zijn ze wind.

We hebben geademd en onze adem was

als zuchten van bomen om een huis,

we hebben gepreveld en onze lippen

prevelden als een tuin in de regen,

we hebben gesproken en onze stemmen

dwaalden als vogels boven een dak.

Omdat wij onze naam wilden vinden.

Maar alleen de wind weet de plek

die wij waren, waar en wanneer.

Uit: Geduldig gereedschap, 1993

undefined

Meer over