Column

Dichten is geen wedstrijd

Dichten is geen wedstrijd, ook al kun je er prijzen mee winnen, zoals mij onlangs overkwam. Daarmee ben je nog niet de beste. Dat begrip bestaat niet in de poëzie. Je kunt de beste hardloper zijn, ook dat is maar tijdelijk.

Remco Campert Beeld .
Remco CampertBeeld .

Er komt een moment dat een ander je inhaalt. Iemand wordt de 'beste hardloper aller tijden' genoemd, maar niemand kent de toekomst. Het begrip 'de beste' is geen vaststaande waarde, noch voor hardlopen, noch voor poëzie.

Ach, dit zijn natuurlijk gedachten die bij iedereen kunnen opkomen. Ze gelden niet alleen voor hardlopen en poëzie, maar voor elk menselijk streven om zijn leven inhoud te geven. Iedereen is op zijn manier de beste. En nooit is dat goed genoeg.

Misschien zou je Gorter de beste dichter van de Lage Landen kunnen noemen, maar daar komen Lucebert, Kouwenaar, Van Ostaijen en Claus al aangesneld. En Frank Koenegracht. Voor die laatste ben ik bereid 'de beste' even te aanvaarden. Even maar, want ik wil hem niet verstikken.

Dit overkwam me bij nauwkeurige herlezing van Koenegrachts verzamelbundel Vroege sneeuw (De Bezige Bij, 2003).

Neem het gedicht 'Epigram'.

'Mijn ziel is onzichtbaar en stroomt aldoor
maar ik blijf zo kalm als een raam op zondag
en in mijn verbeelding zit ik
tweemaal zo stil als jullie denken
terwijl alles wat donker is komt aansluipen
als een langzame lelijke vlieg.
En als ons denken is als een hondje
In de bocht van de weg.'

Bij het laatste beeld spits ik de oren. Dit is geen slapende hond, maar een klaarwakkere. Het is de poëzie zelf.

Eigenlijk zou ik de hele bundel willen aanhalen. Slechts één gedicht eruit doet de andere gedichten onrecht. Twee ook. Toch maar een tweede.

'Langzame trein.'

'Het was winter. In de langzame trein
sliep boven ons in het bagagenet iemand
om te herstellen van zijn eerste verdriet.
Buiten verschoof het platte land. Het vroor.
Er lagen grote roestige buizen
waar doorheen de winterwind blies.
Daar lagen zij in het door niemand bevroren land
als mannen zonder moeders.'

'Grote roestige buizen'. Eens te meer vraag ik me af waar poëzie toch vandaan komt en waar ze naar toe wil. Nu ja, laat maar komen. En blijven.

Meer over