Dialect is niet fout

Het aantal lokale taalvarianten neemt af. Toch gaat het goed met de streektaal. Zelfs de zedenmeesters van de taal achten het dialect een congres waard....

Het dialect mag nooit verloren gaan, zegt Jos Swanenberg. Enerzijds dreigt zijn teloorgang, anderzijds gaat het beter dan ooit met de streektaal. Hij kan beide ontwikkelingen uit eigen praktijk aantonen.

Swanenberg, 41 jaar oud, groeide op in het Brabantse dorp Middelrode, een kleine gemeenschap met een eigen taal die in de jaren zeventig nog leidend was. Dat hij het Nederlands op jonge leeftijd machtig werd, dankte hij vooral aan zijn vader die goed doordrongen was van de beperkte mogelijkheden van het Brabants in de wijde wereld. ‘Maar mijn grootouders, die bij ons thuis woonden, spraken helemaal geen Nederlands.’

Drie decennia later spreekt zijn dochter, 10 jaar oud en woonachtig in Rosmalen, alleen maar Nederlands. ‘Als we met de ouders op het schoolplein staan te wachten, wordt er onderling dialect gesproken. Maar zodra de deuren opengaan, schakelt iedereen over op Nederlands.’

Toch ontsnapt zijn dochter – en dat is misschien weer hoopgevend – niet helemaal aan het regionaal idioom. ‘Van de zomer was ze op kamp bij Zaltbommel. Dat is toch niet heel ver bij ons vandaan, maar ze kwam thuis met de boodschap dat ze was aangesproken op haar taal. Andere kinderen vonden het gek dat ze douwen zei in plaats van duwen. Dat is inderdaad typisch Rosmalens.’

Jos Swanenberg ontvangt zijn bezoek aan de Parade, een glorieus plein met uitzicht op de Sint Jan, de kathedraal van Den Bosch – Brabantser kan het niet. Op het kantoor van Erfgoed Brabant is Swanenberg adviseur streektaal, en sinds begin dit jaar brengt hij als bijzonder hoogleraar aan de Tilburgse universiteit Brabantse dialecten in kaart.

Vandaag zal hij in Brussel op een congres van de Nederlandse Taalunie over dialecten een warm pleidooi houden voor meer tolerantie tegenover de talrijke taalvarianten. Die vermaning geldt in eerste instantie het onderwijs. Daarin moet het plaatselijke dialect een eigen plek krijgen, zonder dat Swanenberg wil pleiten voor aparte lessen in het Brabants.

‘Dat zou ik zelfs kwalijk vinden. Het is grote onzin om kinderen van wie de ouders uit het westen komen, Brabants op te dringen. Maar er moet wel op een andere manier met dialect worden omgegaan. Ik stel voor om taaloefeningen niet met rood te corrigeren als een kind Nederlands en dialect met elkaar verwart, maar met groen. Dialect is niet fout. Brabants hoort bij je woonomgeving erbij, zoals de Sint Jan bij Den Bosch hoort.’

Voor Jos Swanenberg zelf was de streektaal nog vanzelfsprekend in een dorp dat te klein was voor standsverschillen. Dankzij de inspanningen van zijn vader was hij in staat Nederlands te studeren in Utrecht.

Afgezien van de zachte g leek niets in zijn taalgebruik op een Brabantse jeugd te wijzen. Maar de andere studenten keken raar op toen Jos Swanenberg eens zei dat hij die ochtend was aangereden. Hij bedoelde slechts te zeggen dat hij die ochtend van elders was gekomen. Als je Swanenberg toen had gevraagd of hij na zijn studie zou terugkeren naar Brabant om zich te ontfermen over de dialecten, had hij je voor gek verklaard. ‘Het liefst was ik naar een land als Uruguay gevlogen om de staat van de indianentaal te onderzoeken.’ Maar Uruguay werd Nijmegen, en de indianen werden Brabanders. Een promotieonderzoek naar Brabantse dialectwoorden leidde naar zijn huidige baan bij Brabants Erfgoed.

Overigens is Jos Swanenberg in niets de muisgrijze conservator die zo’n functie doet vermoeden. Dat de streektaal niet meer bestaat in zijn volkomen staat is voor hem slechts een vaststelling. ‘Vroeger kon je het ene buurtschap van het andere onderscheiden door het specifieke woordgebruik. Dat is niet meer zo. Gebruik van het dialect is duidelijk afgenomen.’

Dat komt door het onderwijs. Op school wordt veel aandacht besteed aan een optimale beheersing van de Nederlandse taal, maar er is betrekkelijk weinig ruimte voor alternatieve lesonderwerpen. ‘Op zich is dat wel begrijpelijk, maar voor kinderen is het helemaal niet slecht om op jonge leeftijd twee talen te spreken. Dat helpt ze later bij het aanleren van Duits of Engels.’

In een verwaterde variant lijkt het dialect daarentegen op te bloeien. Swanenberg leidt dat af uit een ontwikkeling die hij typeert als glokalisering. In een samenleving waarin het gewoon is de vleugels uit te slaan, ontstaat als tegenbeweging juist de behoefte aan iets eigens. In die zin gaat het goed met de streektaal: zie zijn eigen loopbaan, en luister naar de popmuziek waarin het dialect een gewaardeerde uitingsvorm is.

Maar het dialect verspreidt zich ook onderhuids. Wat vroeger als Algemeen Beschaafd Nederlands wet was, wordt nu in Vlaanderen een ‘tussentaal’ genoemd. Aan schrijfvaardigheid worden nog altijd de strengste eisen gesteld, maar sprekend mag er veel.

Invloeden van verschillende streektalen zijn volgens Swanenberg goed hoorbaar in tv-soaps als een brevet van authenticiteit. ‘Alles kan. Wij zenden de Vlaamse politieserie Flikken met ondertitels uit, in Vlaanderen doen ze hetzelfde met Baantjer. En kijk eens naar de politiek. Nog maar een paar decennia geleden was het ondenkbaar dat in de Tweede Kamer een dialect werd gesproken. Nu is het al onderdeel van de imagovorming van politici.’

Alleen al het feit dat de Nederlandse Taalunie, de strenge hoeder van correct Nederlands, de streektalen een congres waardig acht, zegt volgens hem voldoende. ‘Het dialect als identiteitsbepaling zal altijd blijven bestaan. Wij Brabanders zullen ons altijd onderscheiden door een frietje en een pilsje te bestellen in plaats van patat en bier.’

Meer over