DEUGDZAAM EN TOCH LIBERAAL

ZELDEN zal een uitspraak van een anoniem partijlid zo vaak geciteerd zijn. Toen de partijraad van de VVD vorig jaar discussieerde over de liberale moraal aan de hand van een als moralistisch beschouwd preadvies, dreigde een verontwaardigde spreker de partijtop met pek en veren te overladen als deze het begrip...

Dit - behoorlijk onliberale - dreigement duikt steeds weer op in artikelen over het intellectuele debat binnen de VVD. Het dreigement is niet zonder gevolgen gebleven.

De partijleider hoor je tegenwoordig bijvoorbeeld niet zo vaak meer over het belang van christelijke waarden of een 'bezielend verband'. En de commissie-Opstelten, die bij de laatste ledenvergadering van de VVD - voor een pijnlijk slecht gevulde zaal - de liberale toekomstvisie Vrij en verantwoordelijk verdedigde, deinsde terug voor beschouwingen over burgermansfatsoen en deugdzaamheid.

Het nieuwe toverwoord is een term waaraan niemand zich zal storen: verantwoordelijkheid. Welhaast tot vervelens toe benadrukken VVD'ers momenteel dat vrijheid slechts kan bestaan indien mensen zich verantwoordelijk gedragen. Als reactie op het verwijt dat zij genadeloos kapitalisme en 'Amerikaanse toestanden' in de hand werken, voegen zij hier graag aan toe dat juist liberalen de fundamenten hebben gelegd voor het sociale-zekerheidsstelsel dat wij vandaag de dag kennen.

Die bewering is trouwens geheel juist. Aan het eind van de vorige eeuw rekenden sociaal-liberalen definitief af met het laissez faire-denken. Liberale voorlieden zochten het gulden midden tussen Manchester en Eisenach, tussen het klassieke liberalisme en het marxistische socialisme. Zij maakten de weg vrij voor het krachtdadige ministerie-Pierson/Borgesius (1897-1901), dat door zijn imponerende wetgevende arbeid als 'het kabinet van de sociale rechtvaardigheid' de geschiedenis is ingegaan.

Deze sociaal-liberalen staan centraal in het zojuist verschenen proefschrift Deugdzaam liberalisme. In dit boek portretteert Stefan Dudink de liberale intellectuelen en politici die verantwoordelijk waren voor de invoering van de eerste sociale wetten in Nederland en een ingrijpende modernisering van ons staatsbestel.

Het aardige van de dissertatie is dat zij duidelijk maakt hoezeer het sociale activisme van de vaderlandse liberalen voortkwam uit een moralistische inslag. Het Nederlandse sociaal-liberalisme, zo laat Dudink zien, ontwikkelde een notie van het sociale die gebouwd was op de deugdzaamheid van het individu en bepleitte een sociale politiek die deze individuele deugdzaamheid moest bevorderen.

De negentiende-eeuwse liberalen zagen het individu niet als een pre-sociaal wezen dat wordt geleid door natuurlijk egoïsme. Nee, zij gingen uit van een individu dat deel uitmaakt van een historisch proces van zedelijke verbetering.

Beschaving hing volgens de liberalen samen met de ontwikkeling van morele kwaliteiten als plichtsbesef, zelfbeheersing en offervaardigheid. Een vrije maatschappij die niet bijeen wordt gehouden door de zedelijke dispositie van haar burgers, glijdt snel af naar anarchie of tirannie.

Daarom diende, onder meer door goed onderwijs, de ontwikkeling van een moreel hoogstaand karakter bevorderd te worden. De sociaal-liberalen ontplooiden initiatieven tot volksontwikkeling en zagen in de coöperatiebeweging een belangrijke bijdrage tot harmonie in de samenleving. Tevens braken zij, zonder in het etatisme van de socialisten te vervallen, een lans voor een moderne sociale politiek om een ieder de mogelijkheid te bieden zich tot volledig burger te ontwikkelen.

Bestudering van het sociaal-liberale gedachtegoed levert ons geen recepten voor hedendaagse kwalen, stelt Dudink. Wie in het sociaal-liberalisme de wortels wil zien van een actueel pleidooi voor een aantrekkelijke combinatie van markt en overheid of een verzoening van individuele vrijheid en gemeenschapsgevoel, laat de sociaal-liberalen onze vragen en problemen oplossen, wat een onmogelijkheid is.

Voor een terugkeer naar de deugden die liberalen honderd jaar geleden propageerden, is volgens Dudink ook geen plaats. Onze maatschappij zou zich namelijk kenmerken door een 'diepgaand moreel pluralisme'.

De vraag is of dit wel klopt. Is de maatschappij echt zo veranderd dat het aanzetten tot fatsoenlijk gedrag volgens het klassiek burgerlijk-liberale ideaal geheel verouderd is? Hebben multiculturalisme, relativisme en postmodernisme een pleidooi voor zelfbeheersing en plichtsbesef werkelijk tot een anachronisme gemaakt?

Hoe het ook zij, boeiend is het in ieder geval om te zien aan de hand van welke morele idealen onze liberale voorouders intellectueel worstelden met de grote maatschappelijke vraagstukken.

Het handjevol intellectuelen in de VVD kan wellicht ook troost en inspiratie putten uit de rijke vaderlandse liberale traditie. Met hun pleidooi voor een deugdzaam liberalisme vinden zij hun partijraad tegenover zich. Maar na lezing van Dudinks dissertatie weten zij nu dat de wijze liberale voorlieden uit het verleden achter hen staan.

Meer over