DESI BOUTERSE

In zijn uiterlijke verschijning is hij toch en vooral nog steeds de sportman, waardoor sommigen direct al door enige huiver worden bekropen, of wat wellicht zelfs al verdacht maakt....

Met soepele pas treedt hij nabij, slank weer, waar hij ooit wat dikker was, onberispelijk gekleed, charmant. Een vrouwenman, onmiskenbaar. Hij lacht en praat en schudt handen. Maakt grapjes, is of doet althans joviaal. Met zijn 51 jaar zou hij nu wat dan wordt genoemd 'een wat oudere man' kunnen of moeten zijn, maar daar is geen sprake van. Zijn tweede vrouw zal hem vast jonger hebben gemaakt, en de kinderen uit dat huwelijk eveneens, maar zeker ook het geruststellende besef dat hij Suriname al min of meer in zijn zak heeft en dat het verder een kwestie van wachten is op het juiste moment.

Dat kan hij als geen ander, wachten. Hij wacht waar anderen te vroeg sprongen en misten. Hij mist niet. Hij heeft de tijd en zijn tijd om te springen komt wel, altijd, al duurt het jaren. Want meer nog dan een sportman is hij een buitenman, geen stadsmens, en een jongen uit het volk. Hij verstaat de taal van de natuur, die van de bossen en die van de mensen. De natuur heeft nooit haast en de prooi komt ooit langs.

Zijn jeugd bracht hij door op de savannen tussen Paramaribo en Zanderij, te midden van de arme creoolse bevolking. Hij identificeert zich nog steeds met die bevolkingsgroep, al heeft hij ook indiaans bloed, wat zijn niet erg donkere huidskleur verklaart. Sommigen verklaren daaruit ook zijn aangeboren talent tot het oefenen van geduld. Als je in het bos loopt, op jacht, ga je niet als een wilde tekeer. Dan jaag je alles en iedereen weg en vang je niets. Je moet het gevaar als het ware kunnen ruiken, wil je overleven. Je moet behoedzaam sluipen en goed om je heen kijken, intussen ook bedacht zijn op onverhoedse aanvallen van achteren door onbekende vijanden; van links of van rechts kunnen ze ook komen. Strikken en vallen kun je er zetten, en valkuilen graven, en dan afwachten of er iets in loopt.

Hij is soms tijden onzichtbaar. Dan hurkt hij buiten ieders gezichtsveld in het politieke struikgewas. Men dreigt hem bijna te vergeten, hij lijkt geen rol van belang meer te spelen, maar hij is er nog wel: hij kijkt en wacht tot hij zijn kans schoon ziet. In de dekking bevochtigt hij zijn vinger in zijn mond, steekt hem in de lucht en weet dan uit welke hoek de wind waait en ook wat hij moet doen. Met acrobatische lenigheid legt de voormalige sportinstructeur dan zijn politieke opvattingen parallel aan de heersende windrichting.

Na de sergeantscoup van 1980 had menigeen geen idee van de rol van Bouterse in de machtswisseling. Hij en zijn makkers hadden zich in het destijds in alle opzichten gedesoriënteerde Suriname ingezet voor de oprichting van een vakbond voor militairen. Meer eigenlijk niet. Maar het werd niet minder dan een staatsgreep. Bouterse trad pas later uit zijn schuilbosje. Aanvankelijk hielden buitenstaanders hem voor een figuur op de achtergrond, een meeloper, zoiets als een bodyguard, tot bleek dat alles om hem draaide en dat hij een leidende rol in het leger vervulde. En dat hij al de coup had gepleegd die anderen nog maar beraamden.

Chin A Sen zou premier worden en haalde Haakmat uit Nederland naar Suriname om minister te worden. Vanachter een gordijn beloerde Bouterse op vliegveld Zanderij de aankomst van het toestel met de nieuwe bewindsman. Hij liet zich niet zien, maar zag alles en hield iedereen in de gaten. Haakmat zei: 'Ik wil niet meedoen met een rechtse coup hoor, ik wil een linkse coup.' Nou, zei Bouterse, daar heb ik geen probleem mee hoor, dan maken we er een linkse coup van.' Hij is de feitelijke gebruiker van de macht, waar anderen menen die te hebben.

Naïef was Bouta aanvankelijk zeker over zijn revo. Van alle kanten kreeg de Bevel, gevraagd en ongevraagd, adviezen over de te volgen nieuwe koers van het land, wat bij hem het besef deed groeien dat hij was uitverkoren om de nieuwe leider te worden, maar hij miste de achtergrond om die adviezen te kunnen toetsen. Zoals hij zelf zei: 'Ik heb weinig scholing maar ik leer snel.' En inderdaad. De Leider van de Revolutie, wiens heerszuchtige gelaatstrekken de openbare gebouwen sierden, buurtte wat bij Fidel Castro, bij Kadhafi, in Ghana, in Brazilië, wist niet welke kant het op moest, maar had wel snel door dat zijn revolutie dreigde te verzanden in geldgebrek, doordat Nederland de hulp verminderde, in onrust onder het volk en tegencoups. Hij stak zijn vinger in zijn mond en voelde dat hij weer toenadering moest zoeken bij de 'oude politici', die hij eerder met veel instemming aan de kant had gezet.

Macht wil hij, linksom of rechtsom. Politieke macht, en die is in sommige landen te koop, dus verzekerde hij zich eerst van financiële macht. Het maakt het volk niet zoveel uit waar dat geld vandaan komt, of er sprake is van eerzame handel of van dubieuze, van zaken doen of van zakken vullen. Voor hen is hij de volksjongen die een geslaagde zakenman werd, de rijkste man van het land, die opkomt voor de armen - een rolmodel voor de arme creolen in de volkswijken.

Na zijn terugtreden als bevelhebber in 1992 - hij zag scherp in dat je in tijden van stijgende prijzen van levensmiddelen beter oppositieleider kunt zijn dan legeraanvoerder - verdween hij weer voor even in de bosjes. Ongetwijfeld ook om zaken te doen, maar hij hield intussen zijn ogen open en zijn natte vinger in de lucht.

Met alle partijen in de maatschappelijke hiërarchie kan hij goed overweg, maar hij werpt zich nu op als de leider van de creolen, van wie hij het meest heeft. Hij wil een van hen zijn en dat benadrukt hij al jaren in zijn uiterlijk, in zijn doen en laten. Hij wil donkerder zijn dan hij is, en bereikt dat effect met zonnebril, snor en baardje. Angstiger dan voor vijanden moet hij zijn voor weer een nieuwe grijze haar.

Als jongen, bij de fraters van het rooms-katholieke internaat Sint Bonifatius in Paramaribo, was hij minder geïnteresseerd in het vervaardigen van kerkbanken en doodskisten, veel meer in de sportende Nederlandse militairen van de nabijgelegen Prins Bernhardkazerne. Zo kwam hij na de mulo in Weert terecht bij de beroepsopleiding voor onderofficieren. In Duitsland, later, gaf hij sportinstructie aan NAVO-militairen.

Maar Suriname trok. Daar kon hij de viriele Zuid-Amerikaanse macho zijn. Daar kon hij in het oerwoud jagen, vissen, barbecuen, met een speedboot over de rivier racen. Hij heeft alle survivaltrainingen voor moderne managers al lang gedaan. Hij zag zich ooit in de voetsporen van Pengel treden. Hij heeft veel geleerd en hij is er nu klaar voor. 'Dat ding van '82', zoals hij de moord op vijftien vermeende tegenstanders aanduidt, moeten we nu maar eens vergeten. En ook die andere half of helemaal onverklaarde plotselinge sterfgevallen. 'Noem mij een revolutie die zonder bloedvergieten verloopt.' Het is zo lang geleden, dat boek kan dicht. Hij heeft lang genoeg gewacht in zijn bosje om het volk te doen vergeten en op handen gedragen te kunnen worden. Hij vindt het nu wel eens tijd dat hij zijn land gaat leiden. Hij hoeft niet op het schild gehesen te worden. Ze hoeven het alleen maar klaar te houden, hij springt er zelf wel op.

Meer over