Deregulering gaat met kind aan de haal

De beoogde liberalisering in de kinderopvang zal de kwaliteit beslist geen goed doen, betogen drie hoogleraren. Te grote groepen per leidster werken stress en agressie bij kinderen in de hand....

De Nederlandse kinderopvang is explosief gegroeid.

In 1988 waren er ongeveer 20 duizend opvangplaatsen, eind 2003 waren er al meer dan 190 duizend plaatsen voor ruim 320 duizend kinderen. De kinderopvang is een bedrijfssector waarin per jaar twee miljard euro omgaat (subsidies, bedrijfsgelden, en ouderbijdragen), en waar tegelijk een grote groep jonge kinderen wordt opgevoed. Dat geeft soms spanningen.

De overheid poogt met nieuwe wetgeving zowel kwaliteit als economische doelmatigheid te garanderen. Maar met de concept-Wet Basisvoorziening Kinderopvang (WBK), die het parlement binnenkort moet behandelen, slaat de balans door richting doelmatigheid. Hardnekkige strevend naar deregulering, breekt de regering met algemene, ook internationaal aanvaarde criteria voor groepsgrootte, voor het aantal kinderen per leidster en voor de fysieke ruimte, zoals aparte slaapruimtes voor baby's.

Vanaf 2007 zijn dergelijke structurele kwaliteitseisen afgeschaft. Ouders en kinderen zijn dan overgeleverd aan een wispelturige markt van vraag en aanbod. Minder mondige of minder draagkrachtige ouders kunnen niet meer vanzelfsprekend rekenen op pedagogisch verantwoorde kinderopvang. Omdat ook de verplichtingvan een pedagogisch beleidsplan verdwijnt, wordt het moeilijk het kaf van het koren te scheiden.

In het buitenland gaan kinderen doorgaans voltijds naar het kinderdagverblijf, hier zelden meer dan drie dagen per week. Toch is ouderschapsverlof in Nederland relatief kort (dertien weken). In een aantal Europese landen duurt het ouderschapsverlof een tot zelfs twee jaar, waardoor aparte baby-opvang overbodig is. Naast de eventuele pedagogische voordelen de ouders voeden zelf hun baby op is een langlopende verlofregelingniet per se duurder dan het kinderdagverblijf. Eigenlijk zouden alle ouders in het eerste jaar na de geboorte van hun kind de keuze moeten hebben tussen ouderschapsverlof en goede kinderopvang.

Over de gevolgen van kinderopvang voor het kind is weinig bekend, blijkt uit ons onlangs verschenen boek De Kwaliteit van de Nederlandse Kinderopvang (Boom, 2004). Het schaarse Nederlandse onderzoek bevestigt echter wel de uitkomst van buitenlandse studies, dat kinderopvang de ontwikkeling van taal stimuleert.Kinderopvang daagt kinderen uit, en dat is goed voor hun verstandelijke ontwikkeling.

Maar de groepsopvoeding gaat ook gepaard met ruzies en met onderlinge concurrentie om de aandacht van leidsters. Dat creeert spanningen die niet alle kinderen aankunnen. Riskant is dus dat kinderen overmatige angst en agressie ontwikkelen. Bovendien is de kwaliteit van de kinderopvang de laatste jaren achteruitgegaan. Peilingen in 1996 en in 2002 laten een dalende trend zien.

Recent Amerikaans onderzoek geeft ook reden tot zorg. De belangrijkstestudie naar kinderopvang onder meer dan duizend jonge Amerikaanse kinderen heeft veel onrust gezaaid, ook in Nederland. Het stof van de publieke en politieke discussie is intussen neergedaald. Dit zogenaamde NICHD-onderzoek laat zien dat kinderopvang een wat betere verstandelijke en taalontwikkeling tot gevolg heeft, maar mogelijk ook leidt tot meer agressie. Daarnaast is aangetoond dat kinderen in kindercentra flink gestresst zijn.

Zoals de ouders in de gezinsopvoeding een sleutelrol vervullen,zo is de leidster de spil waaromheen het leven van de kinderen in het kindercentrum draait. Daarom willen wij dat niet alleen de structurele kwaliteit wordt bewaakt (groepsgrootte, ruimte) maar ook het proces van de groepsopvoeding. Wat gebeurt er met de kinderen, hoe gaan de leidsters met de kinderen om?

De regering heeft echter besloten die proceskenmerken niet in haar kwaliteitsbewaking op te nemen. Haar drogreden luidt dat uit ons onderzoek zou blijken dat het meten van die proceskenmerken eigenlijk nog niet mogelijk is. Maar we hebben juist aangetoond dat er hiervoor wel degelijk mogelijkheden zijn. Helaas zullen de eisen aan de groepsgrootte, de inrichting van de ruimte en dergelijke maar tot 2007 landelijk geldig zijn. Daarna moeten de markt, lees: de ondernemers in de kinderopvang, hun werk doen. Ouders en overheid staan hierbij goeddeels buiten spel. Een absurde en zelfs gevaarlijke ontwikkeling die indruist tegen de belangen van de direct betrokken ouders, leidsters, en kinderen.

Ouders, leidsters en leidinggevenden vinden de aanwezigheid van een vaste, vertrouwde, en gevoelige leidster het belangrijkste kenmerk van kwaliteit. De regering verzuimt met de nieuwe WBK om een landelijke inspectie naar dit belangrijkste kwaliteitskenmerk verplicht te stellen. En tegelijk geeft ze alle ruimte aan een vergroting van het aantal kinderen per leidster en aan wisselend samengestelde 'open-deur' groepen. Hier gaat ongebreidelde deregulering ten koste van de kwetsbare groep jonge kinderen en hun werkende ouders.

Meer over