Der Nederlanden Bijenkorf, de; Koninginnedag; Stamppot

De Nederlander bestaat niet, zei prinses Máxima. Daar werden veel Nederlanders kwaad om. Er is echt wel een Nederlandse identiteit, zeiden ze....

tekst en  wilma de rek & bert wagendorp,

bijenkorf, de Deze maand staat de Bijenkorf stil bij zijn 140-jarig bestaan. In 1870 drijven Simon Goudsmit en Abraham Polak een garen- en bandwinkeltje op de Nieuwendijk 132 in Amsterdam. Als Goudsmit sterft, vraagt zijn vrouw Sara haar neef Arthur Isaac het bedrijf voort te zetten. Isaac is degene die de naam De Bijenkorf verzint, en behalve garen en band ook kousen, korsetten en damesconfectie gaat verkopen.

De Bijenkorf groeit uit tot toonaangevend, trendy warenhuis dat in de jaren vijftig onder het motto ‘De Bijenkorf heeft ’t’ mensen aan zich weet te binden als Dimitri Frenkel Frank (als copywriter), Willem Sandberg (adviseerde bij de aankoop van kunst) en Benno Premsela (ontwierp etalages). Tegenwoordig heeft de Bijenkorf twaalf winkels en een webshop. Directievoorzitter Jacob de Jonge noemt zijn Bijenkorf in het laatste Bijenkorf Magazine een theater. ‘En in dat theater moet elke keer weer een andere voorstelling.’

koninginnedag Een jaar geleden reed een vereenzaamde malloot op Koninginnedag met zijn zwarte Suzuki Swift dwars door een menigte Oranjefans. Zeven mensen en hijzelf kwamen om het leven. Koninginnedag zou nooit meer worden zoals vroeger, schreven de kranten, en die constatering was minder opmerkelijk dan de woorden van liefde, warmte en weemoed waarmee ze gepaard ging.

Koninginnedag: was dat niet decennialang weggezet als merkwaardig tijdverdrijf voor homo’s en bejaarden, een restant uit de tijd waarin Oranjegezinde burgers op 30 april met hun 150 duizenden naar het defilé op paleis Soestdijk togen om Juliana de zoveelste krentenmik in haar maag te splitsen? Had Wim Sonneveld dat defilé niet al in de jaren zeventig de nek omgedraaid in de conference waarin hij als dronken Stalmeester herinneringen ophaalde?

‘En d’r wórdt wat aangedragen! Kijk, en dan gaat het erom dat je Hare Majesteit discreet ontlast, nietwaar, van zo’n reuzenkoek uit de een of andere achterhoek van dit land. Dat is dan aanpakken en even tussen je tanden sissen: ‘Kniksje maken, achteruit de trap af en wégwezen’, en dan zelf even de geschenken ongemerkt achter de rodondendrons sodemieteren.’

In 1885 werd Koninginnedag voor het eerst gevierd, op 31 augustus, al heette hij toen nog Prinsessedag. Het was de 5de verjaardag van prinses Wilhelmina. Toen haar vader – koning Willem III – vijf jaar later overleed, werd Prinsessedag Koninginnedag. Wilhelmina was onder de Nederlandse bevolking een stuk populairder dan haar oude, chagrijnige vader, mede dankzij de inspanningen van Wilhelmina’s Duitse moeder Emma.

Zij was in 1879 als 20-jarige getrouwd met de toen 61-jarige Willem III en kreeg om die reden van de gevreesde polemist Busken Huet het predikaat ‘Keulsche pottenmeid’ naar haar hoofd geslingerd, die ‘hare jeugd uit eerzucht heeft weggeworpen aan een afgeleefd man’. Keulse pot of niet, Emma nam na haar huwelijk de pr van het wankele en weinig geliefde koningshuis stevig in handen, trok met haar dochter het land in en redde de monarchie.

Tot 1948 vierde Nederland Koninginnedag op 31 augustus, daarna op 30 april; want in 1948 werd Wilhemina’s dochter Juliana koningin en braken de jaren van het eerdergenoemde defilé op Soestdijk aan, met de hele familie gezellig zwaaiend bijeen. Vanaf 1952 werd het defilé op televisie uitgezonden. Het was meteen een van de best bekeken mediamomenten van het jaar.

Juliana’s dochter Beatrix kondigde meteen na haar inhuldiging, in 1980, aan dat 30 april de datum zou blijven waarop Koninginnedag werd gevierd. Als eerbetoon aan haar moeder en ook omdat haar eigen verjaardag midden in de winter valt (31 januari). De viering zelf veranderde wel van karakter.

Beatrix trok het land in, steeds naar andere plaatsen. Vorig jaar zou ze voor het eerst sinds 1980 weer een defilé afnemen, in Apeldoorn, als slot van een vrolijk evenement, omdat het de 100ste geboortedag van Juliana was. Dit jaar viert Beatrix Koninginnedag in Zeeland, in Wemeldinge en Middelburg. Op 29 april onthult ze in Apeldoorn een monument ter nagedachtenis aan de slachtoffers van vorig jaar.

stamppot Er zijn gevallen bekend van mensen die zelfs hun nasi goreng prakken. En hoewel de prakkende mens door culi’s (en door buitenlanders) weleens met verbazing of pure minachting wordt bekeken, is er uit een oogpunt van efficiency niets om laatdunkend over te doen; waarom zou je je gammele kiezen niet wat werk mogen besparen?

Dat Nederlanders hun voedsel met geweld in stukjes hakken voor ze het in hun mond stoppen, komt vermoedelijk omdat ze zo van stamppot houden. Prakken maakt van elk maal een lekker stamppotje. Stamppot komt in andere landen ook wel voor, maar wordt toch vooral met de Nederlandse keuken geassocieerd. Een echte Hollander is ‘een jongen van de gestampte pot’ die van zijn ‘prakkie’ houdt.

De stamppot is door verschillende oorzaken populair geworden.

1. In de 19de eeuw, toen de gemiddelde plattelandsmens het grootste deel van zijn voedsel nog zelf produceerde, was de aardappel het basisvoedsel van de bevolking; drie keer per dag aardappels eten was heel gewoon (zie ook: Aardappeleters, de). En de aardappel is het hoofdbestanddeel van de meeste stamppotten.

2. Dat zelf produceren van voedsel klinkt romantischer dan het was. Veel meer dan aardappelen, groenten (’s winters vooral kool, peen, bieten en andere knollen) en wat fruit kwam er niet van het land. En niet alles kon worden bewaard – de diepvries bestond nog niet. Daarom werden allerlei conserveringsmethoden bedacht. Vlees werd nauwelijks vers gegeten maar ingezouten, gerookt of aan haken aan de zolder opgehangen zodat het kon drogen. Zo bedierf het niet.

Maar lekkerder werd het er ook niet op. Jozien Jobse-Van Putten schrijft in het boekje De gestampte pot: eetcultuur in Nederland: ‘Het gevolg was dat verschrompelde of uitgelopen aardappelen, te zout geworden groenten, te hard of droog geworden vlees, zelfs groen uitgeslagen ham of ranzig spek een jaarlijks weerkerend gebeuren waren.’

Het beste kon je dat harde vlees en die uitgelopen aardappelen bij elkaar in één pot mikken en door elkaar stampen, dan leek het tenminste nog ergens op: stamppot dus.

3. Het is lekker gemakkelijk. Jobse-Van Putten: ‘Omdat de vrouwen op het platteland vaak op het land of in het bedrijf meewerkten, was er niet veel tijd beschikbaar voor het koken van de maaltijden. Daardoor was het heel gebruikelijk om de aardappelen en groenten, zo mogelijk met inbegrip van een geconserveerd slachtprodukt, vroeg in de morgen in één grote kookpot bijeen te doen. Terwijl de vrouw aan het werk was, kon het eten dan gaarsudderen.’

4. Gewone keukens beschikten vroeger over maar één kookpunt, het open vuur. Pas toen de plattebuiskachel in de tweede helft van die eeuw in opmars kwam, konden er meerdere gerechten tegelijk worden klaargemaakt.

Overigens bestond er ook al voor de komst van de aardappel een soort stamppot. Die voorloper heette brij, en werd al in de Middeleeuwen gegeten. Brij werd gemaakt van groenten, granen, uien, peulvruchten en eventueel een stuk vlees of spek. Het hele spulletje werd in een pot boven een vuur gaar gemaakt en door elkaar geroerd. Zie je op schilderijen uit de 16de of 17de eeuw iemand uit een pot eten, weet dan dat hij zeer waarschijnlijk ‘brij’ tot zich neemt.

De aardappel werd pas aan het einde van de 18de eeuw populair, mede vanwege de hoge graanprijzen; vanaf dat moment werd brij ‘husselpot’. Later werd van husselen overgestapt op stampen en ontstond de stamppot. Hutspot, van husselpot dus, is van alle stamppotten de meest bekende. Elk jaar op 3 oktober wordt het gegeten bij de herdenking van het Leidens Ontzet (1574). Na het vertrek van de Spaanse troepen ontdekte, volgens de overlevering, de arme weesjongen Cornelis Joppensz. in het verlaten legerkamp potten hutspot van uien, wortelen, vlees en pastinaken.

De gemiddelde Nederlander kent vier stamppotten (zie ook: boerenkool, andijviestamppot, hutspot, hete bliksem).

Tegenwoordig is stamppot een delicatesse die in elk sterrenrestaurant op de kaart staat. Geraffineerde stamppotjes, dat wel, met truffeltapenade of van rauwe raapsteeltjes. Maar altijd met de aardappel als basisingrediënt; bij voorkeur een Hollandse.

Zilvervloot, de Op 8 september 1628 vielen vijftien schepen van de Spaanse St. Jacobsvloot bijna zonder slag of stoot in handen van Piet Hein, admiraal van een uit 31 schepen en vierduizend matrozen bestaande vloot van de West-Indische Compagnie. Aan boord bevond zich 177 duizend pond zilver, ter waarde van 11.509.524 gulden – ongeveer een half miljard euro in 2010. Met het geld werd het succesvolle beleg van Den Bosch gefinancierd. In 1844 dichtte J.P. Heije Een triomfantelijk lied van de Zilvervloot, in aangepaste vorm lange tijd populair bij sportwedstrijden.

Meer over