Demonstraties uit de handschriftenkamer

MIJN mededogen met het klooster Lopsen, dat ook 'Hieronymusdal' heette en in Leiden was gelegen, is groot. Het werd omstreeks 1400 gesticht als een klooster van tertiarissen; later ging het op in de congregatie van Windesheim, die uit de Moderne Devotie is voortgekomen....

KEES FENS

Van het klooster is bewaard gebleven wat een 'wandcatalogus' heet. Die dateert van omstreeks 1495. Zo'n catalogus is een groot vel perkament, dat als een affiche in de bibliotheek werd opgehangen. Het volledige boekenbezit stond erop, naar rubrieken geordend. Het blijkt om zo'n tweehonderd boeken te gaan, wat niet weinig was. Een grondig onderzoek van die catalogus leidt - en daar wordt het verdriet groot - tot de conclusie dat Lopsen een 'naar de maatstaven van de tijd povere bibliotheek had'. Een centrum van studie was het klooster allerminst. In hoeverre de collectie ook armoedig was vergeleken bij die van andere kleine kloosters, is niet vast te stellen. Er is geen vergelijkingsmateriaal.

Op vergelijking berust wel de vaststelling dat het boekenbezit pover was naar de maatstaven van de tijd. Alleen wie de kennis van andere bibliotheken of de catalogi ervan heeft en vooral van de boeken (van de bibliotheek van Lopsen is niets overgeleverd) kan die vaststelling maken. Wat staat er, wat staat er niet, hoe volledig zijn bepaalde auteurs. De mogelijkheden leiden tot een oordeel over de werkelijkheid.

Maar er is nog iets anders. Tweehonderd boeken -handschriften en vroege drukken - was niet weinig. Maar de kwantiteit zegt niets over de kwaliteit. De studie waarin de bibliotheek van Lopsen bewonderenswaardig wordt gehanteerd, heet Een Hollandse kloosterbibliotheek van omstreeks 1495. De eerste zin ervan luidt: 'Het is lastig te achterhalen wat er in Holland op het einde van de middeleeuwen binnen de muren van een mannenklooster werd gelezen.' Dat is een wat merkwaardige probleemstelling. Alsof de aanwezige boeken allemaal gelezen boeken zijn. Zeker in kloosterbibliotheken is het bezit altijd groter dan de reële lectuur. De werkelijkheid is op haar best de mogelijkheid. Van de afdeling 'refterboeken' zijn we zeker: die zijn tijdens de maaltijd gehoord, want het eten was een ritueel. Maar heel veel van de andere rubrieken vertegenwoordigt een wellicht voor een enkeling nog levende, maar voor de anderen dode traditie. Maar de boeken hoorden wel aanwezig te zijn. En ze bleven aanwezig.

Die eerste zin maakte mij heel erg nieuwsgierig. Aan het einde moest ik 'lastig' helaas door 'onmogelijk' vervangen. Over de bibliotheek komen we alles te weten, over de lezers weten we tenslotte niets. Dus ook niet over hun spiritualiteit. Er schemeren hoogstens vermoedens. Het schitterende portret van de kloosterbibliotheek portretteert de broeders niet. Wat de Leidenaars kònden lezen, wordt zichtbaar. En dat was een armoedig geheel.

INCONSEQUENTIE kan soms sieren. De genoemde studie is de negende van de veertien verzameld in het boek De middeleeuwen in handen van Pieter Obbema, tot begin van dit jaar conservator van de westerse handschriften aan de Leidse Universiteitsbibliotheek. De tiende studie begint zo: 'Er kan een wereld van verschil zijn tussen de boeken die iemand bezit, en die iemand leest. De boekenlijsten die tot nu toe aan de orde kwamen, zeiden niets over de omgang met de literatuur, tenminste als wij de boeken voor de refterlezing in de catalogus van Lopsen, de libri refectoriales, buiten beschouwing laten.' Maar wat moeten we nou met de eerste zin van de hieraan voorafgaande studie? Een dergelijke vergeetachtigheid is bij een discipline als paleografie en codicologie die zo'n sterk geheugen vragen, wat verwonderlijk. In elk geval, die tiende studie, 'Boeken in een meditatieschema uit Deventer' geeft niet alleen inzicht in het boekenbezit, in dit geval van het Heer Florenshuis in Deventer, een vestiging van de Moderne Devoten, maar ook in het gebruik ervan. We weten - voor een deel - wat zij lazen. Het meditatieschema is een schriftelijk hulpmiddel: voor de meditatieve onderbrekingen van de dag worden de punten vastgelegd. Bij elk punt wordt verwezen naar een boek uit de bibliotheek dat het bepaalde punt kan verdiepen. Waardoor men dus stof kreeg voor de meditatie. Door zo'n document weten wij veel over de spiritualiteit van die gemeenschap, naar de vorm en naar de inhoud. Een specialist in spiritualiteitsgeschiedenis vindt hier uiteraard schitterend materiaal, ook ter vergelijking. Maar zonder een deel van diens kennis had de handschriftkundige het document misschien wel kunnen vinden, maar niet op zijn waarde kunnen schatten.

De studies van Obbema hebben als tijd van handeling de late middeleeuwen, veelal de vijftiende eeuw. Wat er aan boeken en handschriften uit de de middeleeuwen is bewaard gebleven, is maar een fractie van wat er is geweest. Het meeste is verloren gegaan, zeker van de religieuze literatuur, zowel in het middelnederlands als in het Latijn. Natuurlijk is, in de Noordelijke Nederlanden, de reformatie een van de grote vernietigers met name van de kloosterbibliotheken geweest. Dat van de bibliotheek van het Utrechtse kartuizerklooster zo veel nog in Universiteitsbibliotheek van die stad aanwezig is, is uitzonderlijk. Ook de boekdrukkunst liet veel manuscripten verdwijnen. Voor wat bewaard bleef, kende men in latere eeuwen lang niet altijd interesse. De geest van de tijd was helaas niet de onze! Maar dat is de tragiek, waarvan de gevoelens even pijnlijk als nodeloos zijn. En ze is op alle gebieden aanwezig. In elk geval: de conservator, met name van middeleeuwse handschriften is ook een hoeder van gaten. En die kunnen hem voortdurend pijnigen, want de oplossing van problemen die het ene handschrift stelt, onmogelijk maken. Laat staan dat hij uit dat ene handschrift enige algemene conclusies kan trekken. Kenmerken blijven vaak bijzonderheden, bij gebrek aan vergelijkingsmateriaal, handschriften of boeken vaak onvermijdelijk en bijna tegennatuurlijk unica. Wat de beoefenaar van de toegepaste wetenschap, die de handschriftkunde is, het liefst wil: de geestelijke wereld achter en rond het boek zichtbaar maken of andere wetenschappers daartoe in staat stellen, wordt hem meestal onmogelijk gemaakt. Zijn enige kans blijft de vergelijking. En het geluk van het vinden van vergelijkingsmateriaal.

ALS Obbema's boek van iets overtuigt, dan is het van de beperktheid van de titel ervan. Het kan natuurlijk een historische sensatie zijn een middeleeuws handschrift in de hand te houden, hoewel dat een gevoel is dat tot weinig meer leidt dan ruime en dus vage bespiegelingen. Het wordt pas boeiend, als je weet wat je in handen hebt. Maar daarvoor moet je de middeleeuwen in je hoofd hebben. En dat heeft alleen de deskundige. Het hele boek is een prachtige demonstratie van kennis, die allemaal de nodige voorkennis is, om tot wat veelal een reconstructie is te kunnen komen. En dat betreft kennis op vele gebieden: theologie, liturgie, literatuur, patristiek geschiedenis, maar ook zeer technische kennis van papier, perkament, lettertypen, het schrijfambacht. De handschriftkundige heeft iets van een detective (die heeft aanvankelijk ook alleen maar gaten en reconstrueren is ook zijn vak), misschien nog meer van die schervenherschepper bij uitstek: de archeoloog. Die zeer uitgebreide kennis is ook nodig om in het bijzondere het meer algemene te kunnen zien; in wat uniek lijkt, het representatieve. In het ene voorwerp moet de geschiedenis ervan, maar, waar mogelijk, ook die van de gebruikers ervan en daarmee de geest van tijd, zichtbaar gemaakt worden. Je weet pas wat je in handen hebt als je het boek in de hele cultuurgeschiedenis hebt kunnen situeren. Dan is het van voorwerp een erfstuk van de beschaving geworden.

Die hele ontwikkeling wordt voortreffelijk zichtbaar in wat misschien het hoogtepunt van het boek is: de slotstudie, 'Het Leids getijdenboek in een nieuw perspectief'. Het boek krijgt een eerste eigenares, daarmee een eigen klooster en door het geluk van het toeval - de ontdekking van een ander manuscript - wordt ook de plaats waar het werd gemaakt, overtuigend geïdentificeerd. De studie is een prachtige reconstructie. Maar ze resulteert in meer: een achtergrond, een milieu, personen zelfs, de wereld van dit boek. En dat is de wereld van een deel van onze geschiedenis.

In het groot geldt hetzelfde voor de zevende studie, 'De overlevering van de geestelijke literatuur'. Ze is een fraaie staal van vergelijkingskunst: de gaten in noord-Nederland worden gevuld vanuit een zekere volheid van zuid-Nederand en omgekeerd. De studie is een, dunkt mij, uitstekende, ook zeer volle geschiedenis van de middeleeuwse handschriften in de erop volgende eeuwen. Met de onachtzaamheid (ook de barbaarsheid) van de tijdgenoten als oorzaak van de vernietiging, de kaalslag door de reformatie en daarmee een breuk in de traditie al evenzeer, en het toeval als redder.

Wat in het noorden vooral verloren ging waren de middelnederlandse religieuze geschriften. 'Hoeveel er omstreeds 1600 moet zijn verdwenen, blijkt bij een speurtocht naar het religieus-literaire leven in grote vrouwenabdijen op het platteland, als Rijnsburg en Leeuwenhorst. Het is vrijwel vergeefse moeite. Datzelfde moet ook gezegd worden van de boekerijen voor lekebroeders in het noorden, zoals die van Windesheim, Agnietenberg, Mariënborn en Eemstein, die ooit schatkamers waren van geestelijke literatuur in de landstaal. Als er iets bewaard is, is het te danken aan het toeval. Van wat bijvoorbeeld de lekebroeders lazen in de Amsterdamse kartuize, zou helemaal niets bekend zijn geweest als niet een verder onbekende lekebroeder omstreeks 1575 drie boekjes uit de bibliotheek voor eigen gebruik had meegenomen, toen hij naar een zusterklooster in Duitsland in ballingschap ging.'

Natuurlijk citeer ik dit fragment vanwege de laatste zin: even wordt een lezer zichtbaar. Een nog dappere ook.

IETS van de noodzakelijke verfijningen die de wetenschap vraagt, zijn twee meer voor specialisten geschreven technische studies: 'Een bijzondere manier van schrijven: werken op onopengesneden vellen' en 'De opkomst van een nieuw schrifttype: de littera hybrida'. Specialistische kennis wordt hier aan de opvolgers in het vak doorgegeven. De auteur wil echter, zoals hij in het voorwoord dat de titel van het boek heeft, schrijft, de vreugde die hij aan zijn werk beleefde, aan een volgende generatie doorgeven, 'in het besef dat die in het algemeen nog veel verder van de middeleeuwen afstaat dan de mijne. Zaken die voor het begrijpen van dit verleden onmisbaar zijn, bijbel, theologie en liturgie, en die nu meestal moeizaam moeten worden aangeleerd, verwierf ik nog als een vanzelfsprekendheid.'

Obbema wijst hier op een niet gering probleem: de scheiding die zich in zijn, maar ook in andere wetenschappen begint te voltrekken en een gevolg is van een even rigoureuze breuk als die zich in de zestiende eeuw heeft voorgedaan. De generatie waarvoor kennis (en belevingsmogelijkheid) van de middeleeuwse en ook latere christelijke cultuur voor de hand lag (om niet te zeggen dat ze die in handen had) en die die kennis bijvoorbeeld in de praktijk van een eeuwenoude liturgie vrijwel dagelijks kon vernieuwen en verdiepen, zal over een paar decennia zijn uitgestorven. Daarmee zullen niet hele onderzoeksgebieden braak komen te liggen, maar ze zullen alleen nog het terrein zijn van grote specialisten, die werken voor andere specialisten. Maar misschien zal dit het ergste zijn: de mogelijkheid tot beleving, die de kennis kan richten, verbanden kan doen aanbrengen, bijna instinctief, in elk geval van nature inzicht geeft, zal helemaal verdwijnen. En het spel met de mogelijkheden, die alleen bij niet aangeleerde kennis mogelijk is, zal nog weinig kansen krijgen. Boeken zullen onleesbaar worden, bibliotheken geen samenhang meer vertonen, de geest zou wel eens uit de wetenschapsbeoefening kunnen verdwijnen. Obbema heeft uiteraard zijn vak geleerd, maar hij bracht zeer veel voorkennis mee. Onaangeleerd.

Zo maakt deze vreugdevolle doorgave, in wat een demonstratie uit de handschriftenkamer kan worden genoemd, toch wat droevig. Zoals heel wat studies uit het boek het doen, want er wordt heel wat aan cultuurondergang in zichtbaar, op verdwijnen staande historische of te vermoeden historische figuren ook, die nu nog als heel verre geestgenoten beschouwd kunnen worden. Er zullen over een halve eeuw heel veel mensen uit het verleden eenzaam zijn, al mag God dan hun ziel hebben.

Pieter Obbema, De middeleeuwen in handen; Verloren, Hilversum; prijs ¿ 49.

Meer over