Delphine Lecompte

In Vlaanderen is de poëzie altijd zo ernstig, vindt Delphine Lecompte. Haar gedichten maakten haar een fenomeen: rapweg, autobiografisch en vol branie. 'Ik ben de dochter van een kermisattractie en een junkie.'

JOHN SCHOORL

In het huis van de oude kruisboogschutter is de oude kruisboogschutter er niet, maar wel zijn pantoffels en zijn dichteres. Delphine Lecompte zit aan tafel, met om haar heen het overdadig universum van de oude kruisboogschutter, daar in het centrum van Brugge: plastic bloemen, slagtanden, een foto van zijn vader die in twee wereldoorlogen heeft gevochten, een nep open haard en heel veel bordjes met historische plaatjes.

De oude kruisboogschutter is haar muze, op bladzijde zestien in haar eerste poëziebundel dook hij voor het eerst op, marcheerde daarna kordaat mee in de tweede en torent nu hoog uit boven haar nieuwe, wederom imposante bundel Blinde gedichten.

Mijn lief ligt te slapen

Zijn ademhaling piept als een

ongesmeerde kermisatractie.

Waja, zegt de dichteres met het helmachtige kapsel, en grinnikt nog maar eens. Haar oude kruisboogschutter heet dus Omer - Omer Minnebo. Wat een poëtische naam is dat toch, ze zou die naam nog weleens kunnen gebruiken, om opnieuw te beginnen, als de verbazingwekkende nieuwe dichter Omer Minnebo.

Hij is dus 79 jaar en zij 34. Maar hij ziet er nog goed uit hè, vult ze aan. Hij was cafébaas, heeft ramen geplaatst, wijnen verkocht en is graag onder de mensen.

Ze woonden al lang bij elkaar in de straat en zes jaar geleden had Delphine een envelop nodig. Ze belde bij hem aan en, nou nee nou nee, ze voelde zeker geen liefde, onmiddellijk, zoals met een donderslag, maar ze was wel geïntrigeerd door hem hè. Door die verhalen die hij had. Die verhalen over het koloniale verleden, omdat hij als soldaat in Congo was geweest.

Eerst werkte hij wel op haar zenuwen, met zijn gebabbel. Dat was nog het verzet, want wat moet ze met zo'n oude man. Oh, oh en hij kon ook zo zelfingenomen zijn. Maar we moeten vooral niet vergeten dat ze toen in een kwade fase zat, ze kon mokken tot het zwart zag.

Maar Omer heeft haar milder gemaakt. Hij is een goeiig mens, geestig en ook niet dom. Hij kookt voor haar echte Vlaamse pot: frieten en varkenskoteletten. Spaghetti is al te modern voor hem.

Stout en opstandig blijft ze echt wel, al heeft ze zich totaal aan die oude kapoen overgeleverd. Want je hoeft echt niet helemaal op te gaan in het wezen van oude kruisboogschutters. Oude kruisboogschutters hebben ook hun kuren, en dan doelt ze niet zozeer op haar oude kruisboogschutter, maar op oude kruisboogschutters in het algemeen.

Dat seksisme van de oude kruisboogschutters, laten we het daar eens over hebben. Het seksisme van de vereniging van Omer, het Sint Joris Gilde. Ze laten daar dus geen vrouwen toe. Vrouwen mogen niet schieten, die mogen een kaartje leggen en juichen als de mannen zich bekwamen in de Staande Wip of de Liggende Wip, zoals de disciplines in het handboogschieten heten.

Het gilde van haar oude kruisboogschutter heeft zeventig leden en het is niet het enige gilde in Brugge. Nee nee, er zijn er nog veel meer, en dan die rivaliteit hè, dat geprots over wie de oudste vereniging is, van die oude kruisboogschutters onder elkaar.

De oude kruisboogschutter kent de woorden

Om mij op te vrolijken

Hond, god, seks, ijs

Soms vlees en oog

Nooit hoorn of vuur

En minder vaak dan nooit stok.

Zie je die televisie met dat grote beeldscherm? Ja, die is goed te zien. Die had ze voor Omer gekocht. Ze is kleptomaan, ze mag graag stelen en had van hem het nodige kleingeld en eten gepikt. Toen gaf ze hem deze televisie cadeau. Soms probeert ze hem moeilijke films te laten zien. Maar dat neurotische, zelfdestructieve en gekwelde, dat begrijpt hij niet hè.

Hij is een optimistisch mens, en dat heeft zij nodig. Ze is dan wel veel aan het lachen nu, maar vergeet niet haar donkere kant, haar bittere angsten, de vrees om eropuit te gaan. Omer regelt alles voor haar optredens en gaat ook altijd mee. Hij neemt zelfs de small talk achteraf voor zijn rekening. Hoeft zij het niet te doen.

Waja, dan staat hij gewoon wat te babbelen met Gerrit Komrij. Dan zegt ze nog: aah, dat is de Gróte Gerrit Komrij met wie u praat! Maar dan haalt Omer zijn schouders op, en zegt dat hij gepraat heeft met een heel aardige man, en dat is wat telt.

Ze moesten eens naar Overveen, naar het Poëziefestival Elswout. Omer zag een man de trein uitstappen, en hij zei: 'Kijk! Daar gaat een dichter!' Dan kan ze zo kwaad worden, alsof dichters een uniform dragen waaraan ze eenvoudig te herkennen zijn. Maar hij had wel gelijk, want het was Pieter Boskma, de dichter die ook op het festival optrad.

Omer was dus twee keer getrouwd geweest. Zijn tweede vrouw was een Duitse helleveeg, een echt kreng, als ze de oude kruisboogschutter mag geloven. Ze was heel materialistisch en vooral heel mooi. Hij was verblind door haar schoonheid, en wel vijftien jaar lang.

Ook zijn eerste vrouw was prachtig van stuk, die was nog Miss Hasselt geweest, of Miss Limburg, een echte schoonheidskoningin. Toen was hij een jonge jongen die niks van het leven wist. Ze hield 'm maar wat aan het lijntje. Hij is toen naar Congo gevlucht om daar soldaat te worden.

Dat zijn twee kinderen tien jaar ouder zijn dan de dichteres, was voor alle partijen even wennen. Maar nu zijn ze verzoend, Delphine heeft zelfs een fiets van Omers dochter gekocht.

Als het gaat om haar eigen familie kan ze niet om haar grootvader heen, de wonderbaarlijke wonderdokter Herman Lecompte, een geziene Vlaming. Die zag eruit als avant-garderocker Captain Beefheart en in Congo noemden ze hem munganga mandefo: de tovenaar met zijn baard.

Dokter Lecompte had negen kinderen en eentje geadopteerd, uit Congo. Haar vader was de oudste zoon en is nog steeds niet minder dan een bohemien, een zigeuner, een dronkaard, die liedjes schreef voor Will Tura, de Keizer van het Vlaamse lied. Delphine groeide als enig kind op bij haar grootouders van moeders kant, omdat haar ouders uit dansen gingen - het huwelijk strandde vrij snel.

Haar vader vond altijd nieuwe vrouwen, vrouwen met wie hij geluk had, die zorgzaam waren, omdat hij eigenlijk nog een kwetsbaar jongetje is.

Haar nieuwe bundel heeft ze aan haar moeder opgedragen, maar die is niet blij met de gedichten, evenmin als haar vader. Ze willen erover praten, ze willen weten waarom ze zo grof is in die autobiografische schrijfsels. Delphine wil helemaal niet praten, voor haar is de kous af, wat ze wilde zeggen, staat in de gedichten. Ze voelt zich daar geen moment schuldig over.

Ik ben de dochter van een kermisattractie en een junkie

Mijn moeder had een baard

En mijn vader snoof

Eigenlijk was het omgekeerd

Maar daar kijkt niemand van op.

Ze is voltijds dichter. Haar baan als bejaardenverzorgster was geen succes. De hypochonder in haar raakte op drift. Want bejaarden kunnen dus zomaar dood in hun kamer liggen als je binnenkomt met de lunch. Even was ze nog stadsdichter van buurtgemeente Damme, maar toen ze poëtisch moest losgaan op de lokale wielerronde, vond ze het welletjes.

Drinken doet ze ook niet meer en vooral geen calvados, de drank van haar vader. De oude kruisboogschutter heeft haar laten schrikken met zijn verhaal dat hij haar in comateuze toestand vond, bijna dood. Dat was twee jaar geleden, niet lang na de brand in haar huis, veroorzaakt door een kaars die ze in dronken staat vergeten was uit te blazen.

In Vlaanderen zien ze haar als een fenomeen en minder als een dichter, vindt ze. Ach ja, die gekke Delphine toch, kijk haar toch eens. In Vlaanderen is de poëzie altijd zo ernstig en uitbulkend van plechtstatigheid, in al even bombastisch taalgebruik. Misschien is het daarom dat ze in Nederland werd ontdekt door Chrétien Breukers, die haar eerste twee bundels uitgaf in zijn Contrabas-reeks. Ze won de C. Buddingh'-prijs 2010 voor haar debuut.

Dat heeft zij dus niet, dat groteske, ze houdt in haar poëzie van branie en van medische adjectieven, decompressiekousen en bebloede tabberds en elkaar bedriegende lommerdhouders. Ze denkt weleens dat ze mysterieuzer zou moeten zijn, niet zo rapweg. Aja, ze schrijft nou eenmaal snel en als een gedicht af is, keert ze niet meer terug. Dat gewichtige geschraap aan gedichten, dat doet ze niet graag.

Ze trekt haar jas aan over haar dikke rode trui en trekt de capuchon over haar hoofd. Ze steekt de Schrijverstraat over. Drie huisjes verderop is de oude kruisboogschutter bezig in haar huisje, om de bovenboel te verven.

In een voorkamer met opgezette dieren en aan de muur ingelijste platenhoezen zien ze elkaar. Hij is klein van stuk en glimt aan alle kanten. Tijd voor zichzelf heeft hij niet meer, alles gaat naar haar. Mooi hè, zegt hij, en dat op zo'n leeftijd, dat hij met zo'n mooie talentvolle vrouw aan de zwier mag.

Dat hij als de ouwe kruisboogschutter zo aanwezig is in het werk van Delphine, is toch niet niks, al is hij niet zo van de moderne tijd. Hij is nou eenmaal opgevoed met Guido Gazelle, en dat alles altijd moet rijmen, als in het gedicht Boerke Naas- en begint subiet te declameren, in zijn kluskostuum:

Wie heeft er ooit het lied gehoord, het lied van Boerke Naas?

Hij strijkt ook alles, zegt Delphine en ze kijkt hem bedwelmd aan.

Jazeker, gaat de oude kruisboogschutter verder, hij is fier op haar. Dat ze maar mooi lang samen mogen leven.

Delphine Lecompte: Blinde gedichten.

De Bezige Bij Antwerpen; € 19,95.

ISBN 978 90 8542 345 4.

undefined

Meer over