Defecte Lantaarnpalen

Ik woon in een van de langste straten van de stad. Schuin tegenover mijn huis staat het huis waar de schrijver W....

Tussen de huizen zijn draden gespannen waaraan de lampen hangen. Zij geven mooi licht, maar als het stormt bewegen ze heen en weer als verloren zielen. Sinds het begin van de herfst is er een lamp kapot, en die lamp is precies de lamp die mijn deel van de straat verlicht.

Het is nu werkelijk aardedonker in mijn deel van de straat. Je kunt geen hand voor ogen meer zien. Door die donkerte ben ik al een mooie muts en een paar handschoenen kwijtgeraakt. Ik had ze ergens neergelegd, en toen kon ik ze in het aardedonker niet terugvinden. Maar een zwerver die in mijn straat woont, in een bosje, vond ze de volgende ochtend, en nu loopt hij met mijn mooie muts op en mijn handschoenen aan door de buurt. De muts staat hem werkelijk zeer goed en hij is er blij mee, zo te zien aan de manier waarop hij ermee te koop loopt.

Je moet wel een ellendeling zijn om tegen hem te zeggen: hé, jij daar, zwerver die je bent, dat zijn mijn handschoenen en dat is mijn muts, hier ermee, jij schooier!

Die man slaapt elke nacht in de bittere koude onder de blote hemel, terwijl ik notabene een bed met warme dekens en een warme kachel heb, waardoor ik zo gelukkig ben als een bediende van Oblomow. Ik heb een nieuwe muts en nieuwe handschoenen gekocht, maar de nieuwe muts en de nieuwe rechterhandschoen ben ik alweer kwijtgeraakt in het donker voor mijn huis. Alleen mijn linkerhand blijft nu warm als het koud is buiten. Daarom heb ik gisteren Openbare Verlichting gebeld, afdeling Defecte Lantaarnpalen. En meer heb ik hierover niet te zeggen.

Sinds die lamp kapot is, is het bij mij net zo donker als aan de grachten van de stad. Daar was ik op een groot feest vorige week vrijdag, hoewel het die dag de dertiende was (een vriend van mij gaat op die dag de deur niet uit; hij blijft binnen tot het de veertiende is, zo bijgelovig is hij). Halverwege het feest kwamen er vier muzikanten binnen met een tuba, een grote trom, een viool en een gitaar. Die musici gingen niet zitten in een hoekje, als een echte band, maar zij liepen rond tussen de vele gasten en speelden al rondlopend de vrolijkste joodse liedjes. Ik geloof tenminste dat het joodse liedjes waren. Dat was zo vrolijk, hoe zal ik het zeggen? Het was zo vrolijk dat ik er helemaal vrolijk van werd.

De maandag na het feest was er een documentaire op tv over de chassidische joden die in Antwerpen wonen. Ik was onder de indruk. Voor alles wat zij doen is er een gebod of een wet of een verbod en zij vinden het een eer om zich daaraan te houden. Zij kijken geen tv, want de tv is het verderf, zeggen zij. Zij leven in het jaar 5757. Getrouwde vrouwen dragen kleren die armen en benen bedekken, om mannen niet op allerlei gedachten te brengen. Een bakker breekt met zijn eigen handen de 11 duizend eieren die er per week nodig zijn, om te zien of er geen bloed in zit.

Zij hebben misschien naar onze smaak te veel traditie, maar wij hebben te weinig. Ik moest denken aan de woorden van Salvador Dali: buiten de traditie is er niks, alleen woestijn. En dat was wat ik vandaag te zeggen had over van alles en nog wat.

Peter Bekkers

Meer over