Dead Troops: een magnetiserende sensatie van afschuw

Whitechapel Art Gallery, Londen: Jeff Wall. Tot en met 5 mei. Catalogus, £ 15,-...

Thierry de Duve, Arielle Pelenc en Boris Groys: Jeff Wall. Phaidon, £ 19,-.

Jeff Wall: Dead Troops Talk. Kunstmuseum Luzern, £ 11,95.

De naam Jeff Wall kan het beste worden beschouwd als een stenografische variant op de mededeling dat alles, de hele schepping, de hele kunstgeschiedenis nog een keer moet worden overgedaan. De veelgehoorde klacht dat het zinloos zou zijn om aan het bestaande iets nieuws te willen toevoegen - want alles is al eens eerder gedaan - wordt door Wall systematisch getransponeerd tot een programma: het gegeven dat iets eventueel al eens bedacht zou kunnen zijn, vormt de belangrijkste legitimatie om het opnieuw te bedenken.

Het kan overigens nog beknopter, zeven in plaats van acht letters: haunted. 'Bezocht', het Nederlands is hier zwakker dan het Engels: de voorstellingen van Jeff Wall zijn niet alleen de echo's van wat eerder is gemaakt, het zijn tevens beelden die niet anders zijn te interpreteren dan als datgene wat de waarnemer liever niet zou willen zien, wat hij liever zou onderdrukken, negeren, verstoppen.

Het geldt voor de glimlach die sommige voorstellingen van Wall produceren - en die men liever niet op zijn eigen gezicht voelt. Het geldt voor de sensatie van ontgoocheling waarmee men onvrijwillig zit opgescheept, vele uren, etmalen nadat men bepaalde configuraties in zich heeft opgenomen.

Zo vergaat het mij tenminste. Ik heb het Vlot van de Médusa gezien, van Géricault, De executie van Keizer Maximiliaan, van Manet, De Dulle Griet, van Brueghel, The Menin Road, van Paul Nash. Maar de betrekkelijke onverstoorbaarheid waarmee ik aan die schilderijen kan terugdenken, valt geheel in het niet bij de magnetiserende sensatie van afschuw die zich aandient bij het bestuderen van Dead Troops Talk: A Vision after an Ambush of a Red Army Patrol, near Moqor, Afghanistan, Winter 1986.

Het tableau, ontstaan in 1991-1992, is nooit in Nederland geëxposeerd, ook niet anderhalf jaar geleden, toen werk van Wall in de De Pont Stichting in Tilburg was te zien. Men moet ervoor naar Londen, waar het op dit ogenblik deel uitmaakt van een beknopte maar flamboyante overzichtstentoonstelling in de Whitechapel Art Gallery.

Het is opnieuw zo'n opgeblazen cibachrome-dia, die zoals steeds bij Jeff Wall gemonteerd is in een glazen lichtbak, ongeveer zoals de reclames in een bioscoopfoyer of in de vertrekhal van een vliegveld. Het licht valt niet op de voorstelling zelf, maar wordt er van achteren op geprojecteerd. Haunted, het lijkt of het beeld zichzelf verlicht. Als bij een spookverschijning maakt het licht geen deel uit van de ruimte waarin het beeld zich bevindt.

Dertien soldaten van het Sovjet-Russische leger, opgestaan uit de dood. Hun ingewanden uit hun romp, hun hersenen uit hun schedel geschoten. Links een strijder van de mujahedin, die onverstoorbaar bezig is de inhoud van een gevechtstas te inventariseren. Tegen een achtergrond van ontwortelde bomen, geblakerde golfplaat, verpulverde uitrusting. En begeleid door een commentaar dat in feite uitsluitend kunsthistorisch van toon is.

Want behalve dat je ernaar kijkt, krijg je onvrijwillig al die iconografische en bijbelse associaties gepresenteerd. Je begint te tellen, je denkt aan het Laatste Avondmaal - hoewel je dan puzzled overblijft met die losse mujahedin-soldaat. Je denkt aan het Laatste Oordeel, bijvoorbeeld aan de versie van Rogier van der Weyden, waarop de doden ook ongeveer aldus uit de opengescheurde aarde aan het daglicht treden.

En je denkt aan al die persfoto's en televisiebeelden, die het bereik van de verbeeldingskracht hebben verminkt, en die maken dat de poging greep te krijgen op het spektakel van de verschrikkingen - zelfs in de versie van Jeff Wall - in laatste instantie altijd weer door een zweem van ironie moet worden begeleid. Want waarom toont men grimassend zijn verschroeide buikholte, waarom bevindt zich op het snijpunt van de diagonalen van de voorstelling het aan zijn staart hangende en bebloede kadaver van een muis?

Het bedenken van een adequate expressievorm voor datgene wat tot de moderne verbeeldingswereld behoort, is sedert Édouard Manet de standaardopdracht van de beeldende kunst. Niet het beeld van een historische veldslag, niet een portret van de maîtresse van het staatshoofd, niet een van vanitas-symboliek doortrokken stilleven, maar de voorstelling die een actuele stand van zaken voor zover mogelijk verbindt aan een actuele interpretatie. Volgens die definitie hanteert men sedert nu al ongeveer meer dan een eeuw het begrip moderne kunst.

De methode die door Wall wordt gevolgd, tekent zijn twijfels. Technisch maakt hij gebruik van de meest geavanceerde middelen. Hij maakt dia's, hij stopt ze in lichtbakken, hij zorgt ervoor dat niets aan zijn aandacht ontsnapt.

Inhoudelijk en formeel tracht hij door te gaan waar zo langzamerhand iedereen het spoor bijster is: hij oriënteert zich op de achttiende en negentiende eeuw, op Poussin, op Cézanne, op Hokusei, op de impressionisten, en de meest wezenlijke vraag die hij daarbij aan de orde stelt is wat zij ervan zouden hebben terechtgebracht, indien ze in dit desolate vierde kwart van de twintigste eeuw hadden geleefd. Wat blijft er over van de actualiteit, wanneer je haar onderbrengt in een kunstwerk?

Het antwoord daarop draagt onvermijdelijk een zeer grimmige signatuur en ligt besloten in Dead Troops Talk. Het fotografische beeld is veranderd in een hinderlaag, waar de politieke en de naturalistische interpretaties elkaar definitief hebben uitgesloten. De wereld is gebroken.

Melchior de Wolff

Meer over