De zweetlucht van Zuid-Afrika

De veer daalt opeens uit de lucht tussen de hoge gebouwen door, tolt rechtop in het rond, aarzelt en keert zich om; op de golving van de wind keert hij zijn rug en schiet wapperend als een haastige pijl op de grond af om daar een beetje scheef tegen de...

Eigenaardig hoe de veer is gevallen.

Het komt niet vaak voor dat ik in deze rubriek een héél verhaal kan citeren, maar nu me daartoe, door de verhalenbundel Kort Afrikaans, de gelegenheid geboden wordt, maak ik er graag gebruik van (want de literatuur is, als het goed is, bijna altijd interessanter dan wat erover geschreven wordt).

Is het een perfect verhaal, dit 'Eigenaardig hoe de veer is gevallen' van de Zuidafrikaanse schrijver André le Roux?

De verwondering over het vallen van deze veer met zijn zo geheel eigensoortige zwaartekracht, is ontegenzeggelijk mooi, maar formuleringen als 'keert hij zijn rug' of 'een haastige pijl' (een haastige pijl?) doen voor mij enigszins afbreuk aan deze schoonheid. Misschien komt dat door de vertaling.

Zo kort als het verhaal van André le Roux is, zijn niet alle verhalen in de bundel Kort Afrikaans - een titel die wel erg nadrukkelijk op Kort Amerikaans van Jan Wolkers leunt. Bij hem sloeg die uitdrukking op een bepaalde haardracht in de jaren vijftig. De meeste verhalen in dit boek zijn aanzienlijk langer. Bij elkaar worden ze geacht een beeld te geven van de talenten in Zuid-Afrika, die niet in het Engels schrijven, maar 'in de taal van de onderdrukker', zoals dat heet.

Helemaal consequent is de samenstelster (en vertaalster) Riet de Jong-Goossens niet geweest, want ze heeft ook oorspronkelijk Engelstalige verhalen opgenomen (van iemand als Damon Galgut bijvoorbeeld) en zelfs een reportage van de Vlaming Tom Lanoye, die kort na de vrijlating van Nelson Mandela Zuid-Afrika bezocht. Maar wie daar niet al te zwaar aan tilt, krijgt door Kort Afrikaans wel degelijk een inzicht in de wijze waarop er nu - vooral door jongere auteurs - geschreven wordt in een land, waarmee wij sinds Van Riebeeck altijd een bijzondere binding hebben gehad. Vooral door de taal uiteraard.

Over die taal zegt de zwarte schrijver Abraham Phillips (De Jong-Goossens citeert hem in haar nawoord): 'Nog 'n groot kwessie wat met haat te doen het, is die twis oor die taal Afrikaans. Die swart mensen sal baie versigtig hieroor moet wees. Apartheid het niks met Afrikaans te doen nie. Die feit dat die opstellers van apartheid Afrikaanssprekend was, is bysaak. Baie Engelssprekendes het apartheid uitgevoer en ook daartoe bygedra. Daarby is amper (bijna) die hele bruin gemeenskap se huisstaal Afrikaans, dit is dus ook hulle taal. Dit is in elk geval hulle wat hom lewendig hou. Deur Afrikaans te vervang, sal die hele bruine gemeenskap ontgogel word en dit sal baie hartseer en ellende tot gevolg hê, net so erg als wat apartheid aan hulle gedoen het. In elk geval het Adolf Hitler Duits gepraat, maar geen mens kan die Duitse taal verkwalik vir dit was Hitler gedoen het of waarvoor hy gestaan het nie.'

De in dit boek afgedrukte verhalen zijn dus, zo begrijp ik, een pleidooi voor het gebruik van het Zuidafrikaans in de literatuur, of anders gezegd: ze moeten de Nederlandse lezers ervan overtuigen dat wat er in die taal geschreven wordt allesbehalve achterlijk of wereldvreemd is.

Het begint, na het geciteerde vertellinkje van Le Roux, al meteen tamelijk opwindend met een verhaal van Riana Scheepers, dat overigens ook in haar bundel Dulle Griet te vinden is.

Scheepers laat een tweetal zwarte vrouwen op bezoek gaan bij een sproetige, bleke Schot die in hun omgeving een nerinkje in van alles drijft. De mannen van de vrouwen zijn ver weg, in de mijnen.

'De vrouwen staan daar als donkere, uit hout gesneden beelden. Ze zeggen niets. Ze staan doodstil om de geur van de winkel op te snuiven. Balen hooi die tot hoog tegen het dak zijn opgetast, rollen stof, uitgebakken vet en de zweetlucht van Afrika, al die geuren worden door de schemerige hitte gebraden onder het zinken winkeldak. Ze zien de winkelier achter de toonbank. Ze heffen hun donkere armen om te voelen of de aarden potten nog recht staan, maar ze zetten ze niet af. De winkelier kijkt.'

Zo wordt de spanning opgebouwd en terwijl er geen woord gewisseld wordt komen twee soorten van begeerte, de seksuele van de Schot en de hang naar een zekere luxe van de vrouwen, broeierig op kookpunt. Een van de vrouwen betaalt de spullen, die zij niet met geld kan betalen, met haar lichaam. Heel zakelijk, maar daarom - in de context van dit verhaal - niet minder pijnlijk.

In veel verhalen in deze bundel wordt, al of niet seksueel of erotisch getoonzet, de verhouding tussen 'blank' en 'zwart' tot onderwerp gemaakt - soms niet direct maar zijdelings als een verhaal zich in strikt blanke kring afspeelt - en dat leert de Nederlandse lezer misschien meer dan alle objectieve berichtgeving in de krant of op de tv hoe juist in het persoonlijke vlak - het leven thuis of in de buurt - de boel grondig verpest is.

In dat opzicht is deze bundel (Nijgh & Van Ditmar, ¿ 34,90) een verhelderende momentopname. Dat er bovendien soms zo goed geschreven wordt, doet je uitzien naar meer werk van deze Afrikaansschrijvende auteurs (van wie sommigen volgende maand ook aan bod komen in een themanummer over Zuid-Afrika van het door Nijgh & Van Ditmar in Nederland verspreide Vlaamse Nieuw Wereldtijdschrift).

De opmerking van de schrijver Abraham Phillips over Hitler en het gebruik van het Duits deed me denken aan de joodse dichter Paul Celan (pseudoniem van Paul Antschel) die als geen ander het Duits weer tot een dichterlijke taal heeft gemaakt. Voor mij, en gelukkig voor mij niet alleen, is Celan een van de grootste dichters van de twintigste eeuw. Aan de hand van het Verzameld Werk dat bij Picaron Editions verschijnt, kunnen ook degenen die het Duits niet machtig zijn, zich een indruk vormen van deze sublieme poëzie, die in elke vezel van het leed van de Holocaust doortrokken is.

Ton Naaijkens, de vertaler, heeft nu Roes en memorie (Mohn und Gedächtnis) aan de twee bestaande delen toegevoegd. Het is verzorgd uitgegeven, al ontbraken in mijn exemplaar een aantal pagina's (¿ 39,50). In dit derde deel staat de veel geciteerde Fuga van de dood (Todesfuge), die begint met de indrukwekkende regels: 'Zwarte melk der vroegte we drinken haar 's avonds/ we drinken haar 's middags en 's morgens we drinken haar 's nachts/ we drinken en drinken/ we graven een graf in de luchten daar lig je niet krap/ Een man heeft een huis die speelt met de slangen die schrijft/ die schrijft als het donkert naar Duitsland je goudgele haar Margarete/ hij schrijft het en treedt voor het huis dan flitsen de sterren hij fluit om zijn honden/ hij fluit zijn joden te voorschijn laat graven een graf in de aarde/ gelast ons kom speel nu ten dans' - regels, die met hun huiveringwekkende kracht ten slotte de dood 'als een meester uit Duitsland' te voorschijn roepen.

Een meester uit Duitsland? Zo moet je het, denk ik, wel vertalen, maar als je de Duitse tekst erbij neemt en het woord Meister leest, dan gebeurt er iets anders met je dan in het Nederlands. Het Nederlandse woord meester is veel sulliger dan het Duitse Meister, dat ook kampioen betekent. De dood als een kampioen uit Duitsland, dat is even iets anders. Jammer, wil ik er maar mee zeggen, dat deze editie niet tweetalig is. Er zijn overigens vele goedkope Duitse edities van Celans werk.

Een tweetalige editie van Poesjkins Jewgeni Onegin is, dunkt mij, minder noodzakelijk, gezien de relatief grotere onbekendheid van het Russisch in Nederland. Het neemt niet weg dat zo'n tweetalige editie bestaat, in de gebonden editie van Poesjkins Verzameld Werk van Van Oorschot. Omdat er een nieuwe vertaling van dit imposante, verhalende gedicht bij Contact op komst is, heeft Van Oorschot Jewgeni Onegin in de geprezen vertaling van W. Jonker voor één keer als paperback alleen in het Nederlands uitgebracht (¿ 34,90). Het is, wonder boven wonder, alweer de vijfde druk (en dan zegt men nog dat er in Nederland niet gelezen wordt!).

Dat er in Nederland niet gelezen wordt, zal in elk geval Harry Mulisch hartgrondig ontkennen. Binnenkort wordt het feest gevierd van de honderdduizendste Ontdekking van de hemel (¿ 75,-), een mijlpaal die door De Bezige Bij van wat extra gewicht voorzien wordt door de publikatie van Harry Mulisch ontdekt, een beschouwing van Mulisch' huisgeleerde Frans de Rover over De ontdekking van de hemel en alles wat d'rum und d'ran zit. De Rover is hoogleraar Niederländische Philologie in Berlijn. Hij promoveerde in 1987 op het oeuvre van de meester.

De Bij zette niet alleen Frans de Rover aan het werk, maar ook Ivo Niehe, die iets moest doen met 'vijftig jaar bevrijding'. Zijn activiteiten resulteerden in het album Mijn bevrijding, dat de meidagen van '45 met veel foto's en herinneringen in beeld brengt (¿ 25,-). En ook verder zijn er weer boeken te kust en te keur. Mij viel als verrassing op een bundeltje verhalen - met als thema hoe een vrouw haar minnaars kiest - van de jonge Duitse schrijfster Alissa Walser: Dit is niet mijn hele verhaal. Het werd door Gerrit Bussink vertaald (Bodoni, ¿ 27,50). En een, eveneens zeer vrouwelijke vertelling van de Française Amélie Nothomb, Hygiëne van de moordenaar.

Hier signaleerde ik eerder van haar de roman waarin zij over haar jeugd in een diplomatenwijk in Peking vertelt: Vuurwerk en ventilators. In Hygiëne van de moordenaar laat Nothomb journalisten proberen een 83-jarige, door vetzucht aan zijn stoel gekluisterde schrijver, een Nobelprijswinnaar, te interviewen, wat geen sinecure is. Er is er maar één die slaagt, een vrouw, en wat er dan gebeurt, verklap ik niet om de spanning geen geweld aan te doen. Aardig is dat in die mislukte (en in dat ene min of meer gelukte interview) veel zinnigs over het schrijven te berde wordt gebracht (Goossens, ¿ 32,50).

Het geschrijf van de Vlaming J. M. H. Berckmans, met veel poep, pies, stront en kut, is minder aan mij besteed (omdat ik hem een epigoon van de Amerikaanse schrijver Bukowski vind, van wie De Bezige Bij onlangs een aantal 'romans' herdrukte), maar vele tijdschriftredacteuren en andere kritische lezers zijn een andere mening toegedaan. Bij hen valt Berckmans met zijn romantische hang naar de zelfkant, die hem niet verhindert achteloos de namen van filosofen als Heidegger en Nietschze - zo schrijft hij dat - door zijn proza te strooien, zeer in de smaak. Taxi naar de Boerhaavestraat is zijn jongste produkt (Nijgh & Van Ditmar, ¿ 34,90).

Meer over