De zware luchten van de ballingschap

HET IS na lezing van het leven van de dichteres Christina Rossetti onmogelijk niet te denken aan het schilderij Ecce Ancilla Domini!...

KEES FENS

Het schilderij werd voltooid in 1850. Voor Maria was Christina, toen twintig jaar, model. Een uitstekende beschrijving van achtergronden, ontstaan en geschiedenis van het schilderij staat in de catalogus van de grote overzichtstentoonstelling The Pre-Raphaelites, die in 1984 in de Tate Gallery werd gehouden.

Vrij van schuwheid en lijdelijkheid is Maria niet; de gouden aureool rond haar hoofd accentueert de ziekelijkheid van het gezicht. Zij krijgt van God niet het geluk, maar het lijden aangezegd. Zij lijkt het te aanvaarden. Het bed wordt een ziekbed. Het schilderij had deel moeten zijn van een diptiek. Het tweede schilderij zou

Maria's sterven uitbeelden; de schilder is er nooit aan begonnen. Het gedachte einde moet het beeld van het begin hebben bepaald.

Het beeld van Christina dat in het geheugen achterblijft, is dat van een levenslang lijdende, maar door geloof in dat lijden berustende. Als zij twintig is, heeft ze al een grote geestelijke inzinking, die rond haar twaalfde begon, achter zich. En in het jaar van de voltooiing van het schilderij verbrak zij haar verloving met de schilder James Collinson, korte tijd lid van de Prerafaëltische Broederschap. Hij keerde terug tot het rooms-katholicisme, voor Christina onaanvaardbaar.

Al sloot de roomse kerkdeur zich achter hem, vergeten is zij hem nooit. Zij gold (en dat beeld zal haar leven lang terugkeren) als schuw, teruggetrokken, vertoon was haar vreemd, maar afkeer daarvan bij meisjes paste ook in het victoriaanse cultuurbeeld. Haar aanleg tot zelfwegcijfering werd door de heersende opvattingen versterkt, zoals de ziekelijkheid haar schuwheid lijkt gecultiveerd te hebben. Haar geloof in het enige en grote geluk in het hiernamaals - zelden zal in poëzie zoveel van de ziel naar de zaligheid, van hart naar hemel zijn gekeken - deed haar berusten in het persoonlijk ongeluk.

Zij was strijdbaarder voor anderen, de verdrukten van die meedogenloze maatschappij van de negentiende eeuw, dan voor zichzelf. De lijdende werd de troosteres der bedroefden. De vergelijkingen met het Mariabeeld op het schilderij van haar broer, dringen zich steeds meer op. Zij was voor zijn Maria meer dan een uiterlijk model. Gabriel moet de levensloop van Christina hebben voorzien. De dienstmaagd van de Heer, levenslang. Maar ook de dienares van de poëzie en daarmee van haar eigen gevoelens. Christina heeft zeer veel geschreven, poëzie en proza, en intiemer en verfijnder is er in gedichten van haar tijd niet gezucht. Het tekort wordt haar overvloed. En haar sentimenten en moralismen werden door tijdgenoten herkend en gewaardeerd, zoals haar verhalende gedichten, vaak van een sprookjesachtig karakter, zeer populair waren. Die laatste stellen meer raadsels dan de eerste, althans voor de huidige lezer.

Christina's vader, Gabriele, was een balling. Hij had om politieke redenen uit Italië moeten vluchten. In 1824 kwam hij aan in Londen. Hij was dichter, librettist, redenaar, improvisator, vol van de grote gevoelens van de romantiek en de retoriek van zijn land. Een geweldenaar van taal, autocraat ook en de uitbundige patriarch van het gezin dat hij zal stichten. Hij huwde met Frances Polidori, dochter van een Italiaanse immigrant. Zij was tweetalig, zoals ook de kinderen het Engels en het Italiaans in gelijke mate zullen beheersen. Voor de improviserende talenten van Gabriele waren de Engelsen doof.

H IJ BEGON een wetenschappelijke carrière. Hij werd Dante-specialist en professor aan King's College in Londen. Hij mislukte. En het verhaal van zijn neergang is dat van een libretto voor een hartverscheurende opera. Zijn Dante-studies bleken fantastische grootspraak, die niet ernstig werd genomen. Hij werd ook uit de wetenschap verbannen. En Italië bleef onbereikbaar. Een mislukte en langzaam ook lichamelijk en geestelijk aftakelende vader zal jarenlang de huisgenoot zijn van Christina, die de jongste dochter was.

De balling is een vreemdeling. Zijn vaderland ligt elders. Voor Christina werd het leven op aarde een ballingschap en het vaderland was in de hemel. Haar religieuze opvattingen moeten mede uit haar karakter zijn voortgekomen, zoals ze dat karakter hebben versterkt. Het Italië van haar vader werd bij haar het hiernamaals. De moeder en de twee dochters waren de zeer strenge richting van de anglicaanse kerk toegedaan. Zondegevoel en boete stonden centraal en dat was niet zozeer hoog-anglicaans, alswel typisch negentiende-eeuws. Het wereldbeeld was er ook naar. (De katholieken dachten en baden even zwart-wit).

De vader en de twee zoons, Gabriel en William, bleven buiten die strikte kerkelijkheid, wat de positie van moeder en dochters in huis extra uitzonderlijk maakte. Hun anders-zijn als vrouw werd er voortdurend benadrukt. De cultuur van die midden-victoriaanse tijd, de onzekerheid van het leven door vele ziekten, de Italiaanse afkomst, de strengheid van de geloofsopvattingen, de reus van de mislukte vader - alles moet Christina hebben gevormd tot die schuwe, teruggetrokken figuur die zij haar leven lang zal blijven, vol angsten (die voor ons in haar sprookjesachtige gedichten zichtbaar zijn geworden, want Freud heeft ons het dubbellezen geleerd, voortkomend uit het veronderstelde dubbelleven), vol onbeantwoorde en ook nooit vrijgelaten hartstochten. Het lijkt er in veel opzichten op dat hier en hiernamaals voor Christina de aarde nauwelijks bewoonbaar hebben gemaakt. Het raadsel van haar poëzie wordt erdoor vergroot.

Ballingen kennen een grote verbondenheid. Dat kan de hechte band tussen de broers en zussen Rossetti verklaren - zij stimuleerden elkaar ook zeer - de sterke banden met de familie Polidori ook. Zo wordt de biografie van Christina vanzelf een familieverhaal, van het bloeiende begin tot het eindpunt, wanneer Christina met een tante samenwoont. Een in veel opzichten tragische familiegeschiedenis, waarin zich ziektes naar lichaam en geest herhalen, een droevig verhaal onder die zware victoriaanse luchten van de ballingschap. Jan Marsh heeft de biografie geschreven. Die werd ook de geschiedenis van de geest van een tijdperk.

De levensbeschrijving kreeg als ondertitel mee A literary biography. De omvang van het boek, 635 pagina's, kan al doen vermoeden dat er meer dan de dichteres en het werk alleen aan de orde moet komen. Dat blijkt ook zo. Al staan het werk en de ontwikkeling daarvan centraal en wordt dat werk - misschien soms iets te veel - als biografisch gelezen, het boek is de geschiedenis van een familie, waarvan Christina dan het middelpunt is gemaakt. De wereld van de vader krijgt zeer uitgebreide aandacht en zijn neergangsproces wordt zeer nauwkeurig beschreven. De moeder blijft merkwaardigerwijs enigszins een figuur in de schaduw, geestelijk dan. Dat maakt de vader nog overheersender. Haar activiteiten worden beschreven - zij moet een school beginnen om geld te verdienen - maar haar karakter blijft toch wat onbestemd. In de tweede helft van het boek is zij alleen onzichtbaar aanwezig, om bij haar overlijden even tot leven te komen.

U ITVOERIG IS de auteur ook over de geschiedenis van de twee broers. Het ontstaan en de geschiedenis van de Prerafaëlitische Broederschap (daar zijn de samenzweerderige ballingen weer) worden uitgebreid beschreven. Afzonderlijk en nauwelijks in relatie tot Christina, laat staan haar werk, hoewel er sentimentsovereenkomsten moeten zijn, gelijkheid in romantische beleving ook. In de biografie lijkt Christina meer persoonlijke relaties te hebben met de leden van de broederschap dan geestelijke met hun werk. (Hoeveel van de vrouwefiguren op de schilderijen van de Prerafaëlieten zouden niet gedicht hebben als zij, denkt men herhaaldelijk).

Gabriel, schilder en dichter, krijgt uitvoerige aandacht. En uiteraard zijn vrouw, Lizzie Siddall, een fascinerende roodharige beroemdheid, model voor veel schilders, zelf schilderes (Jan Marsh schreef eerder een boek over haar), die vrij jong zelfmoord pleegde. Ze nam laudanum in. Gabriel begroef zijn gedichten met haar, maar zal die na vijf jaar weer opgraven en met succes publiceren.

Hij zal later op dezelfde manier zijn leven trachten te beëindigen; hij werd in de tijd teruggehaald, maar zijn geest was onherstelbaar aangetast. Er volgen jaren die in veel opzichten de geschiedenis van de vader herhalen. Zinnelijkheid en mystiek gaan in de liefde als verbeeld in zijn poëzie samen. Hij lijkt in veel opzichten een symbolist, zoals het werk van de Prerafaëlieten een voorafbeelding is van de symbolistische schilderkunst. Christina was als dichteres traditioneler, maar de zinnelijkheid - die zich in de ontkenning laat vermoeden - en de mystiek gaan ook bij haar samen. Zij verzwijgt wat hij belijdt. Alleen de grootheid van de verzwegen passie kan de hartstocht van haar dichten verklaren.

William krijgt minder diepgaande, maar even uitvoerige aandacht. Hij zal iedereen vele jaren overleven - hij sterft pas in 1909, negentig jaar oud - en de chroniqueur van zijn familie worden, de uitgever ook van de poëzie van Christina en Gabriel en van hun brieven. Hij is deelnemer en toeschouwer tegelijk.

Dan is er de zus Maria, geestelijk de meerdere, artistiek de mindere van Christina. Zij is haar voorbeeld en geweten. En veel van de religieuze overernst van Christina moet haar door Maria zijn toebedeeld. Tot haar intrede in een - anglicaans - klooster zal zij met Christina en de moeder samenwonen. De moeder en de twee gezusters. Alles wordt gedeeld. En opnieuw: de zelfstandigheid van Christina als dichteres wordt opnieuw een raadsel. Zij is nog maar kort zuster of zij sterft.

Deze familiegeschiedenis is ook een groot dodenboek. Er moet in de victoriaanse tijd veel zijn gerouwd; dat maakt het succes van Tennysons In Memoriam misschien begrijpelijk. Dat Christina's poëzie van dood en vergankelijkheid, van onvervulbaarheid ook, doortrokken is, hoeft niet te verwonderen. Dat ze veel werd gelezen evenmin. Zij dichtte, stichtte en troostte, want de dood wil meer dan het leven worden gedeeld.

Er worden ons weinig details van het leven van Christina en haar familieleden bespaard. Dat werkt soms vermoeiend, maar meestal verhelderend: in de nauwkeurige beschrijvingen het dagelijkse leven en de vakanties wordt heel veel van de tijd zichtbaar. Eentonigheid blijft niet uit, want erg gevarieerd is het leven niet en de ziekten en ongemakken dienen zich ook in monotone refreinen aan. En de dood is ook geen dief in de nacht. Haar poëzie lijkt dat alles in de eentonigheid ervan te spiegelen. Zij beheerste het vak, haar verzen zijn zeer gaaf, maar beeldrijk zijn ze niet en de zucht wint het te vaak van de zinnen. De gedichten zijn wat in de kritiek heet, zuiver, maar wel in een wat schemerige kamer neergeschreven. Of zij nog (veel) wordt gelezen, weet ik niet.

Dit is, denk ik, de grote tegenstelling die de biografie oproept: de niet te ontkennen droevigheid van de familiegeschiedenis en het succes van het artistieke werk van Gabriel en Christina. Haar gevierdheid heeft haar niet minder schuw gemaakt; therapaeutisch werkte de poëzie niet, want zij blijft lichamelijk en geestelijk lijden. Maria op haar ziekbed, met alleen de Engel als troost.

D AT BETEKENT niet, dat zij zich helemaal verborgen hield. Zij koos partij in de grote politieke en maatschappelijke twistpunten van haar tijd, is een tijdje werkzaam in een van die typisch negentiende-eeuwse charitatieve instellingen. Ze neemt het op voor de lijdenden (ook voor de lijdende dieren), voor de achtergestelde vrouw ook, maar dat laatste tot de grens die haar religie had getrokken. Behalve aan haar twee grote liefdes, de genoemde rooms-katholieke schilder en een ontroerend onhandige amateur-geleerde en -dichter, Charles Caley genaamd, is zij altijd het meest trouw gebleven aan haar kerk. En aan haar familie natuurlijk, kortom aan alle leden van de ballingschap.

Haar geestelijke en lichamelijke ineenstorting op jonge leeftijd en ook haar latere geestelijke en lichamelijke crises - er is bijna altijd een samenhang - blijven raadselachtig. Zoals de ondergrond van sommige sprookjesgedichten dat blijven. De auteur doet niet zonder voorzichtigheid een gewaagde poging tot verklaring. Op grond van een symbolische interpretatie van enkele sprookjesgedichten veronderstelt zij een geestelijke beschadiging in de jeugd. En dan dient zich incest of poging daartoe door de vader haast vanzelf aan, zou ik haast vanzelf zeggen. De veronderstelling kan Christina's terughoudendheid en scrupulositeit in lichamelijke zaken in haar latere leven verklaren, het geestelijk karakter van de in de poëzie verwoorde passies ook.

Ik weet niet wat ervan te denken. Het recht tot de speculatie ligt in de door de auteur beschreven victoriaanse wereld, die niet alleen onder een zware lucht lag en in mist was gehuld, maar onder de oppervlakte waarvan ook zeer veel broeide, zoals we uit de studies van Peter Gay weten. Misschien geven die onderhuidse hitte, die verborgen werkelijkheid onder of achter de zichtbare, de vele vermoedens die deze biografie oproept, tenslotte het boek wel dat zeer droevig stemmende karakter. Niet toevallig toonde het boek mij voor het eerst het ware gezicht van Maria, lijdend bij de blijde boodschap.. Een fascinerende biografie, nee geschiedenis, is Christina Rossetti zeker.

Jan Marsh: Christina Rossetti - A Literary Biography, Jonathan Cape, Londen, prijs ¿ 79,25.

Meer over