Reportage

De zomer is het uitgelezen moment voor de dood, en zijn schat aan begraven verhalen

Tijdens de zomervakantie eens lekker uitpuffen op een strandbed? Niets daarvan. Spanje is 'pisheet'. De vrijwilligers Nel en Julius brengen de zomermaanden veel liever door op de oude begraafplaats van Spijkenisse. Ze onderhouden er de graven en vinden hun plezier in de verhalen die ze tegenkomen – ‘funerair erfgoed’.

Julius en Nel onderhouden de begraafplaats van Spijkenisse. Ze halen hun plezier uit het 'funerair erfgoed' en de verhalen die ze tegenkomen.  Beeld Guus Dubbelman / De Volkskrant
Julius en Nel onderhouden de begraafplaats van Spijkenisse. Ze halen hun plezier uit het 'funerair erfgoed' en de verhalen die ze tegenkomen.Beeld Guus Dubbelman / De Volkskrant

Het is zomer, een uitgelezen moment voor de dood. Dat vinden althans Nel van den Tol (62) en Julius Caesar (‘ja zo heet ik echt’, 71). Al acht jaar lang slijten zij hun zomermaanden op de oude begraafplaats Vredehof in Spijkenisse. Ze verzorgen er rondleidingen voor kinderen, open dagen en onderhouden het ‘funerair erfgoed’. Want in de weer gaan met een bezem en schoffel vinden ze een stuk zinvoller dan vegeteren op een Grieks eiland. ‘We zijn twee keer in Spanje geweest’, zegt Nel, ‘ik vond het er pisheet.’

Sinds Nel en Julius 16 jaar geleden als vrienden de Brielse Dom beklommen en als stel naar beneden kwamen, zijn ze samen actief als serievrijwilligers. De doktersassistent en de pensionado bemensen onder meer museumwinkel Mak en de historische vereniging van Spijkenisse, en Julius onderzoekt de Brielse begraafplaats. Ze willen ermee ‘zin geven aan een verder zinloos bestaan’. Al zit achter het vrijwilligerswerk op Vredehof ook een heel persoonlijke motivatie.

Dat zit zo. Na de dodenherdenking van 2013 liep Nel een rondje over de begraafplaats. Toen ze een foto wilde maken van een van de stenen, kreeg ze het ‘even helemaal koud’: het bleek het graf van haar opa Jacob en oma Johanna. Verderop vond ze ook tante Sjaan en tante Saar. Inmiddels heeft ze op de uitgeprinte plattegrond van de begraafplaats 28 kruisjes getekend. ‘Allemaal familie van me. En dan heb ik de Bodegommen nog niet eens gehad hé, de kant van de vader van mijn oma.’

Vanwege die persoonlijke band met Vredehof gingen Nel en Julius zich erin verdiepen. Er bleek een schat aan verhalen onder de grond begraven te liggen. ‘Deze begraafplaats stamt uit 1878, de tijd dat Spijkenisse nog een kleine dorpsgemeenschap was’, vertelt Julius terwijl hij over het natte gras loopt. ‘Vrijwel iedereen die hier in die tijd heeft geleefd, ligt hier dus ook begraven.’ En dat is wat een begraafplaats volgens hem zo bijzonder maakt: ‘Het gaat niet over de dood maar over het leven van die mensen.’

Bij elk graf een verhaal

Inmiddels kunnen Nel en Julius bij veel graven wel een verhaal vertellen, soms ondersteund met een zwart-wit foto (‘dan heb je een gezicht bij de steen’). ‘Kijk bijvoorbeeld hier’, wijst Nel naar het familiegraf van drie overleden kinderen. ‘Ik kwam er maar niet achter wat er met dat jongetje was gebeurd. Totdat ik in een oud krantenartikel uit 1924 las dat er een jongetje was doodgereden door een paard-en-wagen. Ik kreeg het helemaal koud. Dat moest Barteltje zijn!’

Voor sommige families onderhouden ze een graf. Gevraagd, maar soms ook ongevraagd. Omdat de overledenen toch een beetje zijn gaan voelen als hun ‘kindjes’. Zo is er het graf van de oude dorpsdokter Peppink. Voordat Nel en Julius het graf schoonmaakten stond het onkruid wel 50 centimeter hoog. Nel kan zich er nog steeds zichtbaar over opwinden: ‘Die man heeft 60 jaar lang de gemeenschap gediend, dan kan je iemand toch niet zo laten verpieteren?’

Door Vredehof netjes te houden, willen ze het bovendien behouden voor toekomstige generaties. Want dat is sinds de sluiting van de begraafplaats onzeker geworden. Eenpaar jaar geleden was er zelfs een ijverige wethouder die er een park van wilde maken. ‘Dat is gelukkig niet gebeurd. Dit is funerair erfgoed, dit mag nooit verloren gaan’, vindt Nel. ‘En mensen kunnen toch ook hier recreëren?’, zegt Julius.

Geoliede machine

Hoewel ze bij het onderhoud veel hulp krijgen van de gemeente, die de heggen snoeit en het gras maait, en zij zich dus vooral kunnen richten op ‘de overdracht van de funeraire cultuur’ is het werk soms nog een behoorlijke kluif voor twee personen. Toch moeten ze er niet aan denken dat er meer vrijwilligers op de begraafplaats zouden komen, want de twee zijn samen een geoliede machine.

‘Tijdens verhuizingen zeggen wij ook altijd: wij doen dit wel even met z’n twee, en dan tillen we zo een wasmachine op.’ Het geheim van die goede samenwerking? ‘We zijn een setje met ieder een eigen koninkrijk’, aldus Julius. ‘We werken samen maar solitair.’ Dus als hij in de weer gaat met de schoffel, plukt zij het onkruid. Al kunnen ze het natuurlijk niet laten om zich af en toe met het departement van de ander te bemoeien.

Na acht jaar op de begraafplaats kunnen Nel en Julius wel zeggen dat ze zich hier als een ‘vis in het water voelen’. Maar dat betekent niet dat ze graag nadenken over hun eigen dood. Ze doen er in ieder geval alles aan om het niet te bespoedigen: ‘we roken niet, we drinken niet, en eten geen vlees’. En als het dan toch zo ver is, dan wil Nel niet begraven worden maar gecremeerd. ‘Ik heb namelijk niet de illusie dat iemand zich om mij bekommert als ik dood ben.’

Meer over