De zelfoverschatting van een hihihaha-schilder

Het heeft 'm altijd dwars gezeten, Reinier Lucassen. Dat de Nieuwe Figuratie, de stroming waarvan hij in de jaren zestig en zeventig een van de belangrijkste woordvoerders was, nooit de waardering heeft gekregen die zij volgens hem verdiende....

Rutger Pontzen

Nu hadden de Nieuwe Figuratieven ook wel wat te bevechten. De jaren zestig en zeventig waren toch de jaren van het minimalisme, het conceptualisme en de pop art, van de video's en performances en de strijd tegen de hardnekkige nalatenschap van het Amerikaanse abstract expressionisme. Schilderen was niet echt bon temps, laat staan het schilderen van herkenbare taferelen.

En dat was precies wat Lucassen (1939) destijds deed; en met hem geestverwanten als Roger Raveel, Alphons Freijmuth, Pieter Holstein en Hannes Postma. Op de overzichtstentoonstelling van Lucassen, nu in De Hallen in Haarlem, is dat goed te zien. Hoe hij rond 1965 begon met schilderijen die losjes waren gebaseerd op de alledaagse werkelijkheid van hotdogs, stripfiguren (Kuifje), films (James Bond) en een dagje naar Zandvoort. Aanvankelijk opgezet in grove verfstreken, maar na een korte aanlooptijd steeds gedetailleerder uitgewerkt.

Hoe hij later, begin jaren zeventig, zijn bekende citeer-schilderijen maakte, hoewel Lucassen liever spreekt van zijn 'synthesestijl', omdat citeren volgens hem alleen maar leidt tot 'vrijblijvendheid' en 'quasi-intellectuele spelletjes'. Schilderijen die een collage zijn van details uit het werk van kunstenaars als Max Ernst, Renagritte, Jim Dine en Allen Jones. Een werkwijze die kan worden samengevat in de titel van zijn eerste presentatie in de Haarlemse Hallen (1973): Lucassen. Schilderijen in iedere gewenste stijl.

Hoe Lucassen, halverwege de jaren tachtig, een eigen stijl vond, doordat hij geeresseerd raakte in primitieve kunst (waarvan hij een belangwekkende verzameling heeft opgebouwd). Niet alleen werden zijn doeken vanaf die tijd een stuk kleiner, ze werden bovendien een stuk abstracter iets dat je van de Nieuwe Figuratieschilder pur sang niet zou hebben verwacht. Vreemde doeken en op het eerste gezicht behoorlijk onbegrijpelijk. Maar wel een stuk intrigerender dan het werk uit de decennia ervoor. Wat op zich merkwaardig is: de amorfe vormen, cijfers, letters en tekens zijn veel cryptischer, zonder directe, herleidbare verwijzingen naar andere kunstenaars. Of het moeten de schilderijen zijn van Picabia en natuurlijk de Afrikaanse kunst.

Ook die tijd is weer voorbij, afgaande op het werk van de laatste paar jaar. Lucassen is terug op het figuratieve pad dat hij rond 1985 verliet. Terug naar de collage van beelden. Nu niet langer opgetrokken uit verf alleen, maar gecombineerd met knopen, Batmanpoppetjes, plastic letters en een Venetiaanse miniatuurgondel.

Gekke man, die Lucassen. Pessimist tot op het bot ('De werkelijkheid is een hoop stront') en altijd tegendraads geweest. Is iedereen bezig met video en performances, begint hij koelkasten en zeegezichten te schilderen. Raakt de herkenbare schilderkunst ineens en vogue, vat hij plots de liefde op voor traditionele houtsnijders uit Oceanif de Iniet, een volk uit Papoea Nieuw Guinea dat zijn beelden placht te begraven onder het zand. Denkt iedereen dat hij daarmee zijn draai heeft gevonden, keert hij terug naar zijn vertrouwde collagestijl.

Ondertussen schrijft, scheldt en kankert hij op de 'visieloosheid en totaal gebrek aan inhoud' van de Amerikaanse pop art. Dat hij niet kan begrijpen waarom de zeefdrukken van Warhol, de opgeblazen sculpturen van Oldenburg ('oubollige grap') en de schilderijen van Lichtenstein ('fopartikel') wereldwijd zoveel aandacht hebben gekregen. Met als onderliggende boodschap: m aandacht en waardering dan zijn eigen werk. Een boodschap die gedrenkt is in een dikke pastasaus van cynisme en miskenning.

Toegegeven, geen schilder die zo treffend een flesje Odol-mondwater op een tafelkleed kon schilderen (naar het voorbeeld van Jim Dine) als Lucassen destijds. Of een imitatie van Magritte. Wat niet wegneemt dat een enkel schilderij van Magritte zelf een groot deel van het oeuvre van Lucassen overbodig maakt. De recente terugkeer naar de collagevorm geeft aan dat hij nog steeds gelooft in het werk uit de jaren zeventig. Collages die wel heel veel ingredien en referenties naar andere kunstvormen nodig hebben om hun punt duidelijk te maken. Het zal wel te maken hebben met de ludieke jaren zestig. En met een generatie kunstenaars die de ernst van de kunst en de 'wereld van de kunstautoriteiten' wilde ondermijnen wat op zich een prijzenswaardig streven is.

Maar die door en door relativerende houding van Lucassen heeft zich uiteindelijk tegen de schilder zelf gekeerd. Uitgezonderd de abstracte doeken, leverde zijn knipoog naar de schilderkunst niet alleen een hoeveelheid werk op met een hoog hihihaha-gehalte. Het heeft hem blijkbaar ook het recht gegeven anderen, met beter werk en meer internationaal succes, te kapittelen. Wat veel lef is voor een kunstenaar die nauwelijks over de grens heeft geoseerd en verkocht.

Meer over