De zelfgemaakte mythe

VOLGENS DE bevindingen van de Amerikaanse gevangenispsycholoog Gilbert zou hij niet eens de slimste zijn geweest van de in Neurenberg berechte Duitse oorlogsmisdadigers....

Of kon Gilbert zich hebben vergist?

Dertig jaar later liet de inmiddels uit Spandau ontslagen Speer zich in een lange reeks sessies interviewen door de journaliste Gitta Sereny. Haast niets bleef in die intense gesprekken onaangeroerd, dus ook het psychologisch onderzoek uit 1946 kwam aan de orde. Speer moest glimlachen bij de herinnering. Hij had het welbewust gesaboteerd, zei hij, want hij had het onzin gevonden.

Waar? Gelogen? Iets daar tussenin?

Dat is het onopgeloste, misschien wel onoplosbare raadsel gebleven rond het zondagskind in Hitlers hofhouding. Hij was net 28 toen hij tot zoiets als de opperarchitect van het Derde Rijk werd benoemd, en zonder enigerlei politieke status regelrecht doordrong tot de kring van intimi op de Obersalzberg. Tien jaar later, na de dood van Fritz Todt, werd hij 'bewapeningsminister' wat er op dat moment - het is 1942, 'Duitsland vecht voor Europa op alle fronten' - op neerkwam dat hij de leiding kreeg over de totale oorlogsindustrie: een cruciale politieke post die hem in zekere zin verhief boven en daarmee de giftige naijver wekte van vrijwel alle andere nazi-ministers. Nog weer drie jaar later zat hij in Neurenberg in de verdachtenbank.

Hij was toen precies 40; op 19 maart 1945 had hij als verjaardagscadeautje nog net een portret van zijn Führer mogen ontvangen, mét een beverige handtekening, want het schrijven wilde in die laatste paar maanden niet meer zo vlotten. Precies 40: iets meer dan de helft van zijn leven zat erop. De andere helft - twintig jaar in de gevangenis, en daarna nog vijftien jaar op vrije voeten - heeft hij ongeveer fulltime besteed om de eerste als het ware te hermonteren: sommige feiten en gebeurtenissen te verdoezelen of te verdringen, andere te benadrukken of in een gewijzigde samenhang te plaatsen, weer andere eenvoudig te vergeten of te ontkennen.

Het is mogelijk dat hij met dat proces - alsof je jezelf een geheel nieuwe biografie aanmeet - pas is begonnen op het ogenblik dat hij werd gearresteerd. Het is ook niet ondenkbaar dat hij er al eerder mee bezig is geweest in de dagen waarin zijn twijfel aan een 'Endsieg' plaats ging maken voor de absolute zekerheid dat Duitsland de oorlog niet meer kon winnen (hoewel hij die overtuiging tot het laatst toe voor Hitler is blijven verzwijgen).

Vaststaat dat hij de 'herschikking' van zijn leven vanaf zijn arrestatie grondig ter hand heeft genomen, en dat het eerste resultaat het Neurenbergse vonnis is geweest. Hij had rekening gehouden met de doodstraf, en de Russen hadden ook de strop geëist, maar bij de Amerikanen kon hij van meet af aan een potje breken (z'n eerste ondervragers heetten John Kenneth Galbraith, George Ball en Paul Nitze: alle drie nieuwsgierig naar de manier waarop hun arrestant, ondanks eindeloze vernietigingsbombardementen, zijn oorlogsmachinerie nog zo lang draaiende had kunnen houden), en hij kwam er af met twintig jaar.

En op de meest vitale vragen - zou hij inderdaad niet van de Endlösung hebben geweten, en viel het inzetten van concentratiekampgevangenen voor de oorlogsindustrie inderdaad buiten de verantwoordelijkheid van zijn departement? - is nooit het precieze antwoord gegeven. Dat wil zeggen: alle ontkennende dan wel ontwijkende antwoorden zijn altijd direct of indirect van Speer zelf gekomen, van de 'geheime', en achteraf gereconstrueerde memoires die hij Spandau wist uit te smokkelen, van de vele boeken die hij na z'n vrijlating heeft geschreven, of van de honderden interviews waarin hij, dankzij een kennelijk zorgvuldig bijgehouden administratie van eerdere uitspraken, zichzelf nooit tegensprak.

De 'halve' Nederlander Dan van der Vat - zijn Hollandse vader was journalist en schrijver Daan van der Vat, hij werkte zelf een poos bij The Times - gaat er prat op dat hij in The Good Nazi - The Life & Lies of Albert Speer in feite als eerste 'buiten Speer' om naar de waarheid omtrent Hitlers bouwmeester heeft gezocht. Al zijn voorgangers, stelt hij - of het nou de gewetensvolle Gitta Sereny was, of minder gewetensvolle scoop-zoekers waren bij Der Spiegel, bij Playboy of zelfs de keurige BBC - al die vorige onderzoekers hebben, op een paar kritische kanttekeningen en vragen na, alles wat Speer schreef of zei toch voor betrekkelijk zoete koek genomen, waardoor het door Speer zo gekoesterde beeld kon ontstaan en bestendigd kon blijven van de fatsoenlijke Duitser die meer het slachtoffer dan de medestander van Hitler zou zijn geweest.

De wantrouwige Van der Vat laat geen poging ongebruikt om Speers zelfgemaakte mythe als een lepe machinatie te ontmaskeren, waarbij hij er op z'n minst in slaagt de kern van Speers verdediging op losse schroeven te zetten. Die kern bestond hierin dat Speer, meteen al voor z'n Neurenberger rechters, een scherpe grens trok tussen z'n 'technocratische' en z'n politieke bevoegdheden - en daaraan ook de openlijk beleden 'collectieve' schuld ontleende, die wat hem betreft geen 'persoonlijke' schuld impliceerde.

Z'n advocaat heeft daarbij het profiel aangevoerd dat in april 1944 in The Observer was verschenen, en waarin de anonieme auteur (pas later hebben we begrepen dat dat niemand minder dan Sebastian Haffner was) de betekenis schetst van het apolitieke, waardevrije bureau- of technocratische talent dat Speer in de moderne oorlogsvoering vertegenwoordigde. 'Van de Hitlers en de Himmlers', eindigde het artikel, 'kunnen we misschien verlost raken; maar de Speers - los van de vraag wat er met dit specifieke voorbeeld gebeurt - zullen onder ons blijven.'

Dat klinkt nu nog als een ernstige waarschuwing, en zo moet Haffner het toen ook bedoeld hebben - maar in Neurenberg was het een juridisch argument om Speer te sparen.

Zonder enige twijfel heeft Van der Vat gelijk als hij de geforceerde scheiding tussen politieke en 'professionele' verantwoordelijkheid afdoet als het soort boerenbedrog dat Speer in de tweede helft van zijn leven met zoveel vindingrijkheid heeft uitgespeeld. Maar veel verder komt hij niet in zijn helder geschreven en sterk onderbouwde requisitoir: bij alle argwaan die hij tentoonspreidt, en die hij terecht laat voortduren tot de periode na 1966, als Speer steeds meer lijkt te gaan geloven in z'n nieuwe zelfportret van 'schuldbewust slachtoffer' - komt hij niet tot het afdoende antwoord op de cruciale vraag waar de waarheid ooit is opgehouden en de leugen begonnen.

In vergelijking met de studieuze vasthoudendheid van Van der Vat doet de vlijt van een tweede (volbloed) Nederlander die zich aan Speer waagde, soms haast potsierlijk aan.

Lambert Giebels, betrouwbaar biograaf van Beel, concentreerde zich op de maanden maart tot augustus 1944 om de 'Werdegang' van Speer te beschrijven in termen van factie, dat wil zeggen als een vie romancée, aangevuld met wat feitelijkheden uit de bekende standaardwerken over Hitler en de Tweede Wereldoorlog.

Hij ging daarbij precies te werk op de wijze die Van der Vat tegen elke prijs wilde vermijden: Speer is zijn exclusieve bron en werd daarmee ook zoiets als zijn 'held', meer in het bijzonder zijn Faust, die z'n ziel en zaligheid aan Mefisto Hitler heeft geschonken, en die in de genoemde kernmaanden tot het inzicht komt dat hij een verkeerd contract heeft afgesloten, dat hij evenwel niet meer straffeloos kan ontbinden.

Ik weet niet of Giebels de Faust-analogie als een vondst heeft beschouwd - maar Speer is er (allicht!) in een vroeg stadium al zelf mee gekomen, en een handjevol meer of minder geleerde vorsers naar het architectenleven is vervolgens van de metafoor gecharmeerd geraakt.

Voor het portret van een al dan niet tragisch heldenleven heeft het zijn voordelen, maar het belooft weinig wantrouwen, weinig scepsis, weinig ware nieuwsgierigheid. Giebels heeft alle beschikbare literatuur - van Speers eigen mythologieën tot aan Hitlers Tischgespräche, plus nog wat gekendheden uit Bullock, Fest, Maser en Tolland - keurig door zijn computer op Speer laten napluizen, en heeft wat eruit kwam, vervolgens geordend in de 'factieve' hoofdstukken waarin we behalve de nodige feiten ook letterkundigheden tegenkomen als 'De bomen wierpen in de ondergaande zon lange schaduwen', voor die momenten waarop 'Speer zich wilde bezinnen op het dilemma waarvoor hij zich geplaatst zag'.

Alles wat we al bij Speer zelf hebben kunnen lezen, zit er wel zo'n beetje in - inclusief de apocriefe verhalen over een Duitse atoombom (dubieuze bron: David Irving) en inclusief de larmoyante zorg van de Faust voor een joods kindermeisje dat hij geprobeerd zou hebben te redden, maar helaas: op een dag belt een zekere Eichmann op met de boodschap dat het kind op transport aan een dubbele longontsteking is overleden.

Daar blijft het niet bij mal, daar nadert het boek de grenzen van de goede smaak. Wat zou de schrijver in godsnaam bewogen hebben zoiets raars te ondernemen?

Dan van der Vat: The Good Nazi - The Life & Lies of Albert Speer.

Weidenfeld & Nicolson, import Consul Books; 406 pagina's; ¿ 69,60.

ISBN 0 297 81721 3.

Lambert Giebels: Speer - Hitlers Faust.

Scheffers; 288 pagina's; ¿ 34,90.

ISBN 90 5546 054 0.

Meer over