De wraak van de Lilliputters

Jammer dat ze niet allebei kunnen verliezen, zei Henry Kissinger over de in 1980 uitgebroken oorlog tussen Irak en Iran - en dat dachten blijkens peilingen veel Europeanen ook over de oorlog tussen president George W....

Voor veel commentatoren was het aanleiding Bush in hetzelfde kamp in te delen als Hussein of Bin Laden, een signaal waaruit blijkt hoezeer de rede het soms aflegt tegen de emotie. Maar het roept ook de vraag op naar de oorzaken van deze diepe afkeer van Bush' aanpak. Wat is het dat massa's de straat op kreeg tegen Bush en dat oude bondgenoten aanzette tot openlijk verzet? En kan de geest nog wel terug in de fles?

Twee boeken bieden hoop. In An End to Evil bespeuren David Frum en Richard Perle, beiden nimmer bevreesd voor een goede oorlog, dat de wil om te vechten tanende is in Washington. Zoals vaak het geval is zijn de ergste vijanden dicht bij huis te vinden: het State Department, de CIA en natuurlijk de Verenigde Naties. Maar waar zijn de kandidaten voor een nieuwe invasie? Voor de Arabische wereld heeft het tweetal scholing en vrouwenrechten in petto. Dissidenten in Iran kunnen rekenen op computers. 'Het Amerikaanse volk begrijpt dat de Amerikaanse macht zijn beperkingen kent.' En dat noemt zich havik? Gelukkig zijn Frum en Perle er nog wel in geslaagd de recensent van The New York Review of Books op de kast te jagen. Noblesse oblige.

Voor Europeanen die genoeg hebben van Bush, is er Charles Kupchans Het einde van het Amerikaanse tijdperk. De Engelse variant verscheen in de aanloop naar de oorlog en werd in Europa met gejuich ontvangen. Geen wonder. Kupchan voorspelt dat de opkomst van een rivaliserend machtsblok 'binnen tien jaar' een eind zal maken aan de Amerikaanse dominantie. Wie is deze rijzende ster? China soms? Nee, het is de Europese Unie! Het leest in 2004 als charmante lariekoek, maar het houdt de moed er wel in voor voorstanders van een 'Europese tegenmacht'.

Een beter gedocumenteerde speurtocht naar de aard van de Bush-revolutie treft men in Amerika ontketend van Ivo Daalder en James Lindsay. De auteurs, beiden behorend tot het Democratische kamp, identificeren twee pijlers waarop deze revolutie rust - en die elders wrevel, angst en woede hebben opgewekt: de zucht naar maximale bewegingsvrijheid en de bereidheid Amerika's macht in te zetten voor het wijzigen van de status quo in de wereld. Bush draaide volgens het tweetal de filosofie van John Quincy Adams om en ging actief op zoek 'naar monsters om te vernietigen'.

De auteurs laten er geen misverstand over bestaan dat Bush zelf de touwtjes strak in handen houdt en geen slachtoffer werd van een neoconservatieve coup. Hij mag omgeven zijn door democratische imperialisten (neoconservatieven) en assertieve nationalisten als Cheney en Rumsfeld, het was Bush zelf die na 11 september elke aarzeling om op te treden overboord zette. Kracht puttend uit zijn geloof in God en uit het typisch Amerikaanse vertrouwen in de inherente goedheid van de eigen macht, besloot Bush deze te gebruiken om het Kwaad te bestrijden.

Boekenkasten zijn volgeschreven over de rechtse clubs waarin leden van de regering-Bush hun visie op Amerikaans hegemonisme al lang geleden ontvouwden. Amerika ontketend doet de lezer het dubbele plezier deze intellectuele wortels van de Bush-revolutie na te pluizen en ze tegelijk in perspectief te plaatsen. Immers: tot 11 september kregen dagdromers over Irak-invasies geen gehoor bij de president.

Op hun sterkst zijn Daalder en Lindsay als zij afrekenen met Bush' eenkennige diplomatie en de 'vergissing' van zijn revolutie: dat de VS door eenzijdige machtsuitoefening hun veiligheid kunnen bewerkstelligen. In Irak tekenen zich de grenzen af van Bush' unilaterale diplomatie: er was weinig steun voor de oorlog, er was weinig steun in de oorlog, en er is aarzelende steun na de oorlog. Heeft Gulliver zelf de wraak van de Lilliputters over zich afgeroepen?

D

at betogen Daalder en Lindsay, en dat vindt ook de miljardair George Soros, die in De zeepbel van de Amerikaanse macht stelt dat de regering-Bush 11 september heeft gebruikt 'om haar droom van Amerikaanse suprematie in de wereld te verwezenlijken'. In beide boeken wordt Bush het multilaterale model als alternatief voorgehouden: net als na de Tweede Wereldoorlog zouden de VS nu hun heil moeten zoeken in het scheppen van internationale structuren die de Amerikaanse belangen dienen. Als Amerika zijn macht vrijwillig inkapselt, wordt zijn leiderschap voor anderen aanvaardbaarder.

Het is een alternatief waarmee veel Europese diplomaten en politici kunnen instemmen. Veel, maar niet alle. En dat is meteen een van de factoren waarmee Bush' binnenlandse critici te weinig rekening houden. Ze gaan eraan voorbij dat sinds de Koude Oorlog niet alleen de dreigingen zijn veranderd, maar ook de Europese bondgenoten.

Nostalgische pleidooien voor een Amerikaanse aanpak zoals na 1945 zijn, terugkijkend naar de Irak-crisis, wellicht te optimistisch. Want ook het naoorlogse systeem berustte op Amerikaanse suprematie. Wat critici als Daalder en Soros eigenlijk beweren is dat niet de hegemoniale rol van de VS, maar Bush' unilaterale regeerstijl weerstand oproept. Dat laatste is zonder twijfel waar, maar Europese acceptatie van Amerikaanse hegemonie is, voorbij de Sovjet-dreiging, niet langer een automatisch gegeven.

Die waarneming betreft niet alleen Frankrijk, dat actief naar een 'multipolaire ordening' streeft, of het Franstalige deel van de Benelux, maar ook Verenigd Duitsland. William Shawcross beschrijft in Allies, een felle verdediging van de tweede Golfoorlog, hoe Duitsers van alle politieke gezindten er omtrent het Irak-debat in zwolgen dat Duitsland eindelijk onafhankelijk kon zijn en niet langer de kleine broer van de Atlantische alliantie hoefde te spelen.

De diepe afkeer van Bush en het enorme wantrouwen jegens de VS, waarvan in Duitsland zowel 'de straat' als de elite eensgezind blijk gaf, verdienen nadere bestudering. Shawcross citeert een Duitse uitgever die opmerkt: 'Het onderbewustzijn is niet tijdbewust. De waarheid is dat sommige Duitsers nooit vergeten zijn hoe vernederd zij zich voelden over hun ''bevrijding'' van Hitler door kauwgom kauwende zwarte Amerikanen.'

Ook in de VS zelf staat de fascinatie met de 'Bush-revolutie' soms helaas de appreciatie in de weg van de andere (echte) revolutie: die van het catastrofale terrorisme. Daarover huldigt de regering-Bush heldere opvattingen. De gangbare pressiemiddelen werken hier niet, en omdat deze dreiging de bondgenoten verschillend raakt, moeten de VS bereid zijn vaker alleen of met wisselende coalities op te treden - en zich niet automatisch voegen naar bestaande regels.

Net zoals 'multilateralisten' in 11 september lezen dat veiligheid alleen haalbaar is door nauwe internationale samenwerking, zo zien de 'Bushisten' het als bewijs dat Amerika in dit nieuwe tijdperk andere regels en een nieuwe strategie nodig heeft. De worsteling om deze concurrerende (maar elkaar niet uitsluitende) inzichten met elkaar te verenigen zou weleens de centrale uitdaging kunnen worden voor bewoners van het Witte Huis, ongeacht hun politieke afkomst.

En hoe zullen historici oordelen over de rol daarin van de 'Bush-revolutie'? Daalder haalt de Chinese leider Zhou Enlai aan die, gevraagd naar zijn oordeel over de Franse revolutie, opmerkte: 'Het is nog te kort geleden om dat te kunnen beoordelen.'

Meer over