De wonden zijn geheeld, Don Quishocking treedt weer op

In het Amsterdamse Fijnhouttheater repeteren vier heren en een jongedame van 24 jaar...

Van onze verslaggever Patrick van den Hanenberg

'Jullie verklooien het. Dat is zonde. Kut.'

'Hé, je lijkt wel een ingehuurde barmuzikant.

'Verdomme Fred, je zingt al zes weken dezelfde fouten.'

Het gaat er soms pittig aan toe, maar de repetitie is een toonbeeld van mildheid en harmonie in vergelijking met de situatie in 1981, toen Don Quishocking uiteen spatte. Toen speelde de groep het programma Wij zijn volstrekt in de war. Nee, de vier heren en dame speelden het niet, zij wáren volstrekt in de war. George Groot kleedde zich, gesteund door echtgenote Anke, in het Bhagwan-oranje. De socialist Fred Florusse en de aardse Jacques Klöters begrepen niet dat een weldenkend mens zo slaafs achter een mystieke leider aan kon lopen. En dan nog wel een lid van Don Quishocking, de groep die vol ironie en cynisme de machtsstructuren in de jaren zeventig had bekritiseerd.

Klöters bleef in dat programma demonstratief in bed liggen, terwijl de verwijten over en weer vlogen. Boven de recensie in de Volkskrant stond: 'Don Quishocking moet zich maar opheffen.'

De groep was het volkomen eens met dit advies.

Nu staan dezelfde vier Don Quishocking-heren, en een andere dame, weer zes weken gezamenlijk op het podium. In het nieuwe programma, met gevoel voor zelfspot I Fossili getiteld, worden de oude conflicten opgerakeld. Na de repetitie blikt Jacques Klöters terug: 'We hebben elkaar toen op het podium heel veel pijn gedaan. Het zat te dicht op de werkelijkheid. Het heeft jarenlang geduurd voordat de wonden weer enigszins dicht waren.'

In I Fossili wordt niet dezelfde fout gemaakt. George Groot, die een olifantengeheugen heeft, en nog precies weet wie wat waar heeft gezegd, heeft alle conflicten van toen bij elkaar gegooid en er een literaire, spielerische tekst van gemaakt. Nu is het fictie, uit het leven gegrepen.

De spanningen binnen de groep hadden deels te maken met te veel contact, te lang met elkaar in de kleedkamer zitten. Maar volgens Klöters ging het vooral over macht: 'Op een gegeven moment heeft iemand de touwtjes in handen, zelfs het touwtje dat jij dacht in handen te hebben. Iemand blijkt toch altijd weer de grootste overredingskracht te hebben, de beste argumenten en de beste smaak. George dus.' De tijd en gescheiden activiteiten hebben hun helende werk gedaan. Na het uiteenvallen van de groep beschreef Jacques Klöters de geschiedenis van het Nederlandse amusement en maakte theaterprogramma's met Adèle Bloemendaal en Jenny Arean. Hij werkt voor radio en tv, en stelt met de regelmaat van de klok tekstbundels samen.

Pianist Pieter van Empelen werkte als directeur van het Maritiem Museum in Rotterdam, was cultureel adviseur van bedrijven en gemeenten, en regisseerde cabaretiers zoals Youp van 't Hek en Crème Fraîche. George Groot werkte met Jenny Arean en Adelheid Roosen en geeft les. Fred Florusse heeft jarenlang op diverse VARA-plekken het cabaret naar voren geschoven en heeft vele cabaretiers onder zijn hoede genomen, onder wie Jack Spijkerman en Paul de Leeuw.

Maar de oude groep bleef, ondanks het bittere einde, lonken. Van Empelen: 'Als Don Quishocking iets wil, dan gooi je je agenda leeg en ga je het doen.' In 1985 en 1987 maakte de groep gelegenheidsprogramma's over het vooroorlogse Duitse cabaret Die Pfeffermühle van Erika Mann en over een groepje keiharde zakenmensen. In 1999 vroeg Joost Nuissl, directeur van het Amsterdamse theater De Kleine Komedie, of de heren tijdens de verbouwing wilden meedraaien in de Kleinkunstcaroussel: een aantal verrassingsoptredens per avond voor het gesloten gordijn. Het werd een eclatant succes. Ook het jonge publiek pikte de literaire ironie op. Nuissl deelde de heren mee dat hij ze een week in juni 2001 had geboekt. Of ze maar een programma wilden maken. Zonder zich al te veel zorgen te maken over hun reputatie gingen de mannen aan de slag.

Maaike Martens is in I Fossili de vrouw in het herenclubje. Klöters: 'Maaike herinnert ons er charmant aan dat zij een toekomst voor de boeg heeft en wij een toekomst achter de rug. Zo werkt zij als katalysator bij het oplossen van de problemen binnen de groep, zoals wij dat nu spelen.'

Naast de cabaretreuzen maakt Maaike Mertens een allesbehalve timide indruk op de repetitievloer. Jacques Klöters rinkelt onophoudelijk met het kleingeld in zijn zak, George Groot verplaatst een doekje van stoel tot stoel om overal beter zitcomfort te krijgen, Pieter van Empelen bekijkt het spul met een brandende sigaret in zijn mond vanachter zijn piano met ritmebox, en Fred Florusse kijkt heel serieus in zijn tekstmap om geen extra uitbrander van George Groot te krijgen. Ondertussen doet Maaike Mertens gymnastische oefeningen met armen en hoofd om klaar te zijn als er actie van haar verwacht wordt. Zij kent haar teksten. Groot: 'Aan jou hebben we wat.'

Het is vertrouwd jaren-zeventigcabaret, met een liedje, een conférence, iets absurdistisch en iets nostalgisch. Maar het heeft geen gedateerde toon. Klöters: 'In de jaren zeventig had het cabaret vaak een pretentie die het absoluut niet kon waarmaken. Er stonden mensen met vlammende ogen Argentinië voor de laatste maal te waarschuwen. Ook wij waren in het begin behoorlijk ongenuanceerd. Nu geloof ik niet meer dat we oom agent in de gracht moeten gooien. Maar we blijven alle vier gepassioneerd. We hebben van Brecht geleerd dat het onrecht minder vanzelfsprekend wordt als je er iets over zegt, ook al lijkt dat een machteloze frase.'

Meer over