Column

De wollen sok is een bevrijding

Het is relatief laat in mijn leven, maar ik heb een nieuwe ontdekking gedaan en dat is de honderd procent wollen sok. Het was rond Kerst - het ideale moment om de honderd procent wollen sok te ontdekken - en ik liep door Rotterdam. Ik was daar niet speciaal heengegaan voor de wollen sok, maar zoals ze zeggen, de reis is het doel, en de reis leidde langs een winkel met sokken.

Ik moet eerlijk zeggen dat ik vooral viel op het patroontje. Witte sneeuwsterren tegen een rode achtergrond.

Nu is er in Rotterdam iets aan de hand waar je als Amsterdammer in eerste instantie van schrikt, maar waar je na een dag winkelen wel de charme van gaat inzien: de winkeliers praten daar met je. En niet van: 'Hallo, ben je naar iets specifieks op zoek?' en dat jij dan defensief zegt: 'Nee, ik kijk gewoon even rond', maar ze vertellen je echt van alles. Over hun producten, over henzelf, ik had zelfs een gesprek met een winkelierster waarbij ze tijdens het praten een andere klant ging knuffelen en tegen mij zei: 'Ik moet even kroelen hoor, dat vind je toch niet erg?'

Ik zei dat ik het niet erg vond als ze even ging kroelen. We waren toch al een half uur aan het praten.

De vrouw van de sokkenwinkel had veel tekst over pure wol. Pure wol, zei zij, hoefde je nooit te wassen. Het werd namelijk niet vies. Had ik ooit een vies schaap gezien? Nou, mummelde ik, eigenlijk wel. Bestaan er beesten die een viezere onderkant bezitten dan schapen?

Ja, maar dat was optisch, zei zij. Dat was modder, dat veegde je er zo af. Wol werd namelijk niet vies. Het was vuilafstotend. En als het begon te stinken, hing je het een nachtje buiten, en dan was het weer fris.

Ik was allang bereid twee paar wollen sokken aan te schaffen, maar ze vertelde verder. Zelf had zij bijvoorbeeld ook wollen ondergoed. Ik vroeg maar niet of ze dat nooit waste. Ze leek op de Rotterdamse versie van Caroline Tensen, vers geboend, niet iemand die venerische ziekten onder de leden had. Dus als ze haar wollen onderbroek al niet waste, dan had dat haar duidelijk geen kwaad gedaan.

Sinds die dag loop ik op mijn wollen sokken. Toegegeven, ik heb ze één keer gewassen. De rest van de tijd heb ik er vrolijk in rondgestapt. Het had ook wel iets lekkers, dat niet-wassen, iets Maarten van Rossem-achtigs. Iets winters ook; wat zou je alles wassen als je toch niet zweet? Nou ja, amper. Nou ja, in je schoenen en dat merkt niemand.

De wollen sok is een bevrijding.

En warm.

Meer over