De wil is weg

Vroeger kon ik aardig tennissen, al zeg ik het zelf. Ik werd jeugdkampioen van mijn stad. Op een dag kwam er een nieuwe jonge tennisser van buiten de stad....

Hij straalde een en al onoverwinnelijkheid uit, de nieuweling. Hij kwam uit het westen en bleef in de stad wonen vanaf nu. Hij was jeugdkampioen van een hele provincie. Hij sloeg de ballen zo hard en zo precies en met zoveel gemak, dat ik vreesde voor mijn troon. Maar door een wonder versloeg ik hem in de finale en ik bleef de jeugdkampioen van de stad, dat wil zeggen: van het kleine, onbeduidende stadje Z., gelegen in een bocht van de rivier de IJssel, in het oosten van ons mooie kleine land, waar altijd zoveel om te doen is geweest in de wereldgeschiedenis.

Dit schrijf ik niet om op te scheppen over mijzelf, hoewel het echt een opkikkertje is om nu en dan eens flink op te scheppen over jezelf. Anderen zullen het immers niet doen. Als je erop moet wachten tot je eens een complimentje krijgt van een ander, dan kun je wachten tot je een ons weegt. Want de mensen zijn niet tot het goede geneigd en gunnen elkaar het licht in de ogen niet. Wanneer een mooie vrouw, die op straat loopt te pronken met zichzelf, een mooiere vrouw ziet aankomen in de verte, dan zou zij haar het liefst de ogen uitkrabben en de haren uittrekken, in plaats van haar grotere schoonheid te erkennen en te bewonderen.

Wij moeten dus ook, behalve af en toe flink opscheppen, te rechter tijd en plaats grootmoedig onze meerdere erkennen in een ander, en op dit punt van mijn betoog aangekomen, gebiedt de eerlijkheid mij dan ook te zeggen, dat de jeugdkampioen van de provincie, die jonge god, een aanzienlijk aantal jaartjes jonger was dan ik en bovendien, om het zachtjes uit te drukken, zijn dag niet had. Hij vond er eigenlijk niks meer aan om te tennissen en een jaar later stopte hij ermee. En meer zeg ik er niet over, want men moet zichzelf nu ook weer niet onder de korenmaat steken, zoals een oud spreekwoord het met recht uitdrukt.

Maar door al dit ijdele gezwets kom ik helemaal niet toe aan hetgeen ik hier eigenlijk aan de orde wilde stellen vandaag, namelijk het raadsel van de wil. De jonge god en ik, wij namen er genoegen mee om kampioen van de provincie en het stadje te zijn. Het kwam eenvoudig niet in ons op om kampioen van de wereld te willen worden. Maar de tennisser Richard Krajicek, die wilde al heel jong kampioen van de hele wereld worden. En hij oefende en oefende en zijn wil bracht hem steeds dichter in de buurt van waar hij wezen moest, tot hij vorige week in de vierde ronde van Wimbledon tegenover de elegante tennisser Michael Stich kwam te staan.

Daar gebeurde iets met hem wat voor ons gewone stervelingen en tennissers wel altijd een raadsel en een wonder zal blijven, maar een journalist van deze krant bracht het desondanks mooi onder woorden door te zeggen dat Krajicek op dat moment een vrij man werd. Vrij waarvan, vraag je je af? Van het willen natuurlijk! Hij had dat vreemde punt bereikt waarop de wil om te winnen, die hem zo ver gebracht had, het winnen alleen nog maar in de weg stond en dus afgedankt moest worden. Is het niet net een paradox, dat elke grote prestatie geen triomf van de wil ('Triumph des Willens'), maar juist een nederlaag van de wil, oftewel een triomf van een soort onverschilligheid is? Dit is onbegrijpelijk en mooi.

Peter Bekkers

Meer over