analyseChina

De wereld wacht een stortvloed aan Chinese propaganda

Een beeltenis van Xi Jin Ping in het Museum van de Communistische Partij China wordt gefilmd.  Beeld EPA
Een beeltenis van Xi Jin Ping in het Museum van de Communistische Partij China wordt gefilmd.Beeld EPA

China zal de komende jaren zijn propagandamachine harder laten draaien dan nu al het geval is. De boodschap aan de wereld moet vriendelijker en slimmer worden verpakt – al kunnen ook ‘zwaarden’ worden ingezet.

‘Trek het land in om het verhaal van China goed te vertellen.’ Met die instructie presenteerde Xi Jinping zich in 2012 als partijleider aan de wereldpers. Negen jaar later is hij blijkbaar ontevreden hoe het verhaal uit de verf komt, want Xi wijdde er onlangs een studiedag met het Politburo aan. Alle partijleden moeten ‘de juiste toon’ vinden die China een ‘geloofwaardig, aimabel en respectabel’ imago bezorgt. De wereld wacht een stortvloed aan Chinese propaganda, die slimmer en geraffineerder in elkaar zit.

Decennialang spaarde Beijing kosten noch moeite om de internationale publieke opinie naar zijn hand te zetten. Met de wereldwijde expansie van de Chinese staatsmedia was in 2009 meer dan 6 miljard dollar gemoeid. Al zijn daarna geen officiële cijfers bekendgemaakt, in 2017 ging er volgens de Amerikaanse China-kenner David Shambaugh 10 miljard dollar naar het verwerven van Chinese ‘soft power’. Sindsdien zijn de inspanningen opgevoerd.

Iedere regering probeert met publieksdiplomatie de wereldopinie te beïnvloeden, maar China doet dat op ongeëvenaarde schaal, waarbij intimidatie van critici en het rondpompen van desinformatie niet worden geschuwd. Al timmeren Chinese staatsmedia met hun eigen accounts, talloze nepaccounts en assistentie van trollenlegers op westerse sociale media zoals Twitter en Facebook aardig aan de weg, het bereik van de met foto’s van panda’s en hogesnelheidslijnen gelardeerde propaganda is beperkt.

‘Redactionele samenwerking’

Daarom blijft een oudere tactiek waardevol, genaamd ‘boten lenen om de zee te bereiken’. China maakt ‘vrienden’ door redacties van buitenlandse media voor zich in te nemen. Bijvoorbeeld met gratis kopij en videomateriaal van staatstelevisie CGTN en staatspersbureau Xinhua, apparatuur voor noodlijdende redacties of mondkapjes voor journalisten. Cadeautjes maken de geesten rijp voor ingrijpender ‘redactionele samenwerking’. Wie daaraan meedoet, merkt dat instemming met de partijlijn voor China de enige acceptabele vorm van dialoog is.

Deze beïnvloeding viel aanvankelijk niet op, omdat China zich concentreerde op kranten, websites en radiostations voor de Chinese diaspora. Bij ruim tweehonderd onafhankelijke Chineestalige media werd volgens de Financial Times in 2018 kopij van de Chinese staatsmedia overgenomen. Eigen artikelen van kritische redacteuren sneeuwen onder door gratis verstrekte propaganda, tot alleen het geluid uit Beijing over is. Deze werkwijze wordt sinds enkele jaren met wisselend succes ook toegepast op reguliere publieksmedia.

Ook werven Chinese overheidsorganisaties via journalistenvakbonden kandidaten voor persreizen, waarbij journalisten op Chinese kosten worden doordrongen van al het goede onder de Chinese zon. In trainingsprogramma’s die soms maanden duren, leren ze dat verhaal te vertellen en aan zelfcensuur te doen. Chinese trainingen zijn er ook voor regeringen van partners in het Chinese economische masterplan van het Belt Road Initiative (BRI), die kennismaken met mediamanagement Chinese stijl: propaganda en censuur, hardnekkige critici uitschakelen en Chinese hightech die dat vergemakkelijkt.

Soms haken buitenlandse mediavrienden af, vandaar dat ‘boten kopen’ ook populair is. Dat zijn dure advertenties of betaalde supplementen, maar tegenwoordig kopen Chinese geldschieters ook complete mediabedrijven. China vist met een groot net – nieuwsapp of onlinegame, alle communicatiekanalen zijn interessant. Geen land is te onbeduidend voor ‘redactionele samenwerking’, al gaat de Chinese voorkeur volgens de Amerikaanse waakhond voor democratie Freedom House uit naar grote landen, ontwikkelingslanden, BRI-partners en landen met een autoritair politiek systeem of een falend bestuur.

Infrastructuur

In vier Europese landen zijn volgens onderzoek van de International Federation for Journalists, een internationale organisatie van journalistenvakbonden, media in Chinese handen gekomen. In Portugal heeft Global Media Group belangen in twee dagbladen, een sportkrant, een radiostation en tijdschriften. Een stap verder gaat het opzetten van een complete infrastructuur voor bijvoorbeeld digitale televisie, inclusief de programmering en controle over de inhoud. In Afrika zorgt een Chinees bedrijf voor spotgoedkope digitale televisie in dertig landen.

De effectiviteit van al die inspanningen is tot dusver nauwelijks onderzocht. Volgens twee IFJ-enquêtes vinden journalisten zichzelf weerbaar: ze herkennen immers de saaie en onbeholpen stijl van de Chinese staatsmedia als propaganda. Ondertussen sijpelt die propaganda zo gestaag door in internationale media, dat China zijn verhaal steeds beter voor het voetlicht krijgt. Uit IFJ-onderzoek in 54 landen blijkt dat sinds het begin van de coronacrisis in meer dan de helft van de onderzochte landen de berichtgeving over China positiever is geworden, een gevolg van de sluipenderwijs opgebouwde Chinese infrastructuur om nieuws geleidelijk te verrijken met het Chinese standpunt.

Vaak werkt China’s tactiek niet, maar soms wel en dat is het enige wat telt voor Beijing: dat de waarheid – die van China – terrein boekt, desnoods verhaal voor verhaal. Nu voert president Xi de intensiteit op, omdat hij vindt dat Beijings invloed op de internationale opinie achterblijft bij de macht van zijn land.

Hoe dat komt, legt Zheng Ruolin uit op de Chinese staatstelevisie, waar deze oud-correspondent Frankrijk zich beklaagt over de afwezigheid van Chinese sprekers in Franse talkshows. Volgens Zheng lopen Chinezen die in buitenlandse media hun land verdedigen te veel risico. Eén verspreking is al goed voor problemen, in het buitenland maar vooral thuis. Zhang bepleit de ‘vrijheid om fouten te maken’ en zelfs milde kritiek over China te ventileren, zodat Chinese sprekers geloofwaardiger worden voor buitenlanders. Daar moet de staat volgens Zheng mediatrainingen voor organiseren.

China wil weliswaar aardiger overkomen, het Chineestalige verslag van Xinhua over het versterken van China’s stem in het wereldwijde discours staat bol van de oorlogstaal over ‘zwaarden’. Die slaan onwelgevallige meningen neer, tot de wereld een echoput van Chinese opvattingen is geworden. Daarom worden partijleden en ambtenaren voortaan afgerekend op hun persoonlijke bijdrage aan nieuwe systemen die het Chinese verhaal zo goed verspreiden dat het westerse overwicht vanzelf uit het internationale debat verdwijnt.

Xi’s adviseurs geloven heilig dat het Westen in deze informatieoorlog op zijn laatste benen loopt, terwijl China ‘geruisloos en gesmeerd’ elke Chinees van de wieg tot het graf met het correcte verhaal doordrenkt. Buitenlanders zijn minder vatbaar voor propaganda, weet Beijing, maar met een andere toon en ‘nieuwe vrienden’ in de arena van de internationale publieke opinie denkt China een eind komen.

Internationale invloed van China

Afrika: goedkope satelliettelevisie

In dertig Afrikaanse landen kunnen 25 miljoen abonnees voor bodemprijzen kijken naar Europees voetbal, in acht talen nagesynchroniseerde Chinese kungfuvechtfilms, Turkse soapseries en de Chinese staatstelevisie CGTN. Met dank aan de satellietzenders van StarTimes, een Chinees bedrijf dat sinds 2002 Afrika voorziet van de infrastructuur voor de overgang van analoge naar digitale televisie. Landen die geld tekortkomen, kunnen gemakkelijk lenen van Chinese staatsbanken – zorgelijk is of ze zich die leningen kunnen permitteren.

Met een door de Chinese overheid gefinancierd liefdadigheidsproject heeft StarTimes tienduizend plattelandsgezinnen voorzien van handige pakketten met een zonnepaneel met batterij, vier ledlampen, een digitale televisie en een abonnement voor twee jaar.

Het voordeligste pakket van StarTimes is met 4 dollar zo goedkoop dat concurrerende aanbieders die bijvoorbeeld nieuws van de BBC of Al Jazeera laten zien, worden verdrongen. Buitenlandse zenders zitten ook in de duurdere pakketten van StarTimes, maar die zijn te duur voor de meeste Afrikanen, die dus Chinees staatsnieuws voorgeschoteld krijgen. Dat vinden sommige kijkers aantrekkelijk, omdat die staatsmedia met een positieve blik naar Afrika kijken. Waar westerse media moeilijkheden belichten, zien Chinese staatsmedia louter mogelijkheden. Vooral als om China’s miljardenprojecten in Afrika gaat.

Duitsland: redactionele samenwerking

Soms schoof er bij het programma Dialoog met China een kritische deskundige aan, maar die laat Yang Rui, een talkshowkijkcijferkanon van staatsomroep CGTN, niet uitpraten. Daar kreeg Yang bij de Duitse omroep NDR alle ruimte voor in een serie gezamenlijke programma’s met CGTN, uitgezonden van 2017 tot 2019 op het digitale kanaal Tagesschau24. Alles was bespreekbaar bij deze samenwerking: als toppunt van openheid werd niet gecensureerd, beloofde de NDR.

Dat was ook niet nodig. Medepresentator Andreas Cichowicz gaf Yang Rui zo weinig tegengas, dat Duitse linkse politici de uitzendingen als schande voor de Duitse publieke omroep veroordeelden.

Elke uitzending begon met gelikte filmpjes over prachtige Chinese steden, gemaakt door CGTN. Bij minder mooie kanten stond ook Cichowicz niet stil. ‘Laten we naar de toekomst kijken, en niet wat hier dertig jaar geleden gebeurde’, zei hij in een uitzending over de Zuid-Chinese stad Guangzhou en het nabijgelegen Hongkong. In Hongkong was net het dertigjarig jubileum van het neerslaan van de democratiseringsbeweging herdacht, maar voor mensenrechtenkwesties had het programma geen aandacht. Wel voor het Socialisme met Chinese Karakteristieken, de Gezamenlijke Bestemming van de Mensheid. Zo werden de politieke stokpaardjes van Xi Jinping opgehemeld, met dank aan de Duitse publieke omroep.

Filipijnen: inhoud delen

Dat China en de Filipijnen overhoop liggen over betwiste zeegebieden in de Zuid-Chinese Zee, heeft geen gevolgen voor de hechte band tussen Beijing en het Presidentiële Communicatie Bureau (PCOO). Personeel van PCOO, dat de Filipijnse publieke omroep en persbureau PNA aanstuurt, gaat geregeld naar China voor trainingen over ‘nieuwsvoorziening met Chinese karakteristieken’. Journalisten van buurtkrantjes in het overwegend islamitische Mindanao krijgen speciale reizen aangeboden, waarmee China de onderdrukking van Oeigoeren en andere moslims in een positief daglicht stelt. Die verslaggevers komen thuis met rooskleurige verhalen over Chinese ‘terrorismebestrijding’.

Aan positieve verhalen geen gebrek: die krijgen Filipijnse persbureaus, het overheidskanaal People’s TV en verschillende kranten van hun Chinese partners. Soms met absurde gevolgen. In 2016 gaf het Internationaal Arbitragehof in Den Haag de Filipijnen gelijk in een zaak tegen China over de Zuid-Chinese Zee. Een jaar later publiceerde persbureau PNA een commentaar van staatspersbureau Xinhua, dat de uitspraak van het Arbitragehof ondermijnde als ‘ongegrond’. Daaruit maken onafhankelijke Filipijnse journalisten op dat China de Filipijnse media helemaal voor zijn karretje heeft gespannen.

Zweden: intimidatie

Zweedse media volgen de lotgevallen van Gui Minhai op de voet. Nadat Gui, een in China geboren uitgever die een Zweeds paspoort heeft, in 2015 spoorloos was verdwenen, dook hij op in een politiecel in China. Daar is hij vorig jaar tot tien jaar cel veroordeeld wegens ‘illegale verspreiding van informatie in het buitenland’. Gui publiceerde in Hongkong politieke roddelboeken.

Op Zweedse aandacht voor Gui zit Beijing niet te wachten. Naast een stortvloed van advertenties, opiniestukken en ingezonden brieven waarin Gui als crimineel wordt afgeschilderd, intimideert Beijing journalisten. Dat gaat zo ver dat de Zweedse regering de Chinese ambassadeur in twee jaar tijd meer dan veertig keer op het matje riep.

‘Voor onze vijanden hebben we geweren’, is zo’n ondiplomatieke uitlating van de Chinese ambassadeur in Stockholm. Journalist en China-kenner Jojje Olsson kreeg in april dreigementen: als hij niet ophield met zijn kritische berichtgeving, zou dat ‘gevolgen’ hebben. Zijn opdrachtgever, de krant Expressen, wordt bedolven onder de mail, waarin bevolen wordt ‘de ketenen van de dictatuur van vrijheid van meningsuiting in de verslaggeving over China te verbreken’. Zweedse journalisten melden dat ze bij een visumaanvraag op de Chinese ambassade indringend worden ondervraagd of ze Olssons standpunt delen.

Het verbale geweld doet het Chinese imago geen goed, want volgens internationaal opinieonderzoek van onderzoekscentrum Pew in 2019 denkt 70 procent van de Zweden inmiddels uiterst negatief over China.

null Beeld
Meer over