De wereld mag gek worden, Mal Whitfield blijft optimist

In Londen (1948) won de middenafstandsloper Mal Whitfield goud op de 800 meter. In de stromende regen vestigde hij een Olympisch record met een tijd van 1.49,2....

TIM OVERDIEK

MET HET grootste gemak begeeft hij zich tussen staatslieden en daklozen, tussen bedrijfsdirecteuren en schoonmakers, tussen sporters en toeschouwers. Laat Mal Whitfield maar schuiven, onderwijl visitekaartjes uitdelend en zich ongevraagd voorstellend. Met een vette grijns: 'Ik ben wereldtitelhouder networking.'

Wie hem nog niet op zijn pad is tegengekomen of het onverhoopt is vergeten, Whitfield (71) is een voormalig Olympisch kampioen.

In de herfst van zijn leven, maar met ogen die nog altijd een onbevangen jeugdigheid uitstralen, kan hij bogen op een ruime schat aan mensenkennis. Kort voor het begin van de Olympische Spelen, tijdens een bezoek van internationale media-vertegenwoordigers aan ACOG-voorzitter Andrew Young, had Whitfield diens hand kort geschud. Young had zich gereserveerd opgesteld. Tot een gesprek was het niet gekomen.

'Nee, vind je het gek', snuift Whitfield. 'Hij zit alleen maar in de organisatie voor zichzelf. Natuurlijk geniet Young een goede reputatie door zijn werk als voormalig VN-ambassadeur en Congres-lid. Een strijder voor burgerrechten voor zwarte Amerikanen. Maar bovenal een politicus, en doodsbang dat ik hem in een kwaad daglicht stel.'

Whitfield doelt op 'de vriendendienst', die hij desgevraagd aan Young leverde. Als gepensioneerd diplomaat die vele jaren in Afrika doorbracht, ritselde Whitfield naar eigen zeggen 'veertien IOC-stemmen' toen in 1989 de Olympische stad voor 1996 moest worden aangewezen. 'Ik regelde studiebeurzen voor Afrikaanse atleten, praatte machtige mensen om. En van Young moet ik het eerste bedankje nog krijgen. '

Whitfield maakt geen deel uit van een bondsbestuur of een ander officieel orgaan. Hij wijdt zijn 'laatste leven' aan de Whitfield Foundation, een soort Leo van der Kar-fonds, dat kansarme Afrikaanse atleten trainings- en studiegelegenheden in de Verenigde Staten geeft. 'Ik heb Nike wel eens een brief gestuurd, maar daar vinden ze het belangrijker om iemand als Michael Jordan twintig miljoen dollar per jaar te betalen.'

Hij stoort zich geenszins aan 'de arrogantie van het kapitaal'. Whitfield gaat zijn eigen gang, en (opnieuw) dat vermetele netwerk levert hem jaarlijks voldoende schenkingen op om tientallen Afrikanen over te vliegen. Zijn levensmotto: 'Wat de sociale achtergrond ook is, elk kind kan iets bereiken in het leven, zolang het maar een doel voor ogen heeft en vastbesloten is er alles voor over te hebben.'

Dat was voor zijn zwarte buurtgenoten in het straatarme Watts, Los Angeles, makkelijker gezegd dan gedaan in de crisis-jaren dertig. Zelf was Mal Whitfield een amper geaccepteerd buitenbeentje, een mulatto, als donker gekleurd kind van een blanke, Indiaanse moeder en zwarte vader. Zijn Cherokee-grootmoeder zou de latere atleet en familietrots Running Buffalo dopen, bevreesd voor niets en niemand.

Jesse Owens zorgde voor een enorme opleving in het getroffen Watts, 'waar je geen idee had hoe de volgende vijf cent op tafel zou komen'. Maar de viervoudige Olympische triomf in nazi-Berlijn gaf de zwarte bevolking nieuwe moed. 'Blank Amerika beschouwde Owens als de man die het kwaad in eigen huis had overwonnen. Maar wij zwarten zagen Jesse als degene die het racisme in de Verenigde Staten een draai om de oren had gegeven.'

Whitfield ontmoette zijn idool toen hij als veelbelovend atleet een studiebeurs aanvaardde aan Ohio State University, notabene geregeld door Owens zelf. 'Hij kwam naar me toe en zei dat mijn belangrijkste taak zou zijn als zwarte Amerikaan de toorts mee te helpen dragen. Kameraadschap was toen veel sterker dan nu. Toen waren we echt op elkaar aangewezen, en stimuleerden we elkaar met de studie. Het behalen van een diploma gold als de enige manier om ergens te komen.'

Pas na de Tweede Wereldoorlog, die Whitfield als reservist meemaakte, kon hij uitzien naar Olympische deelname. In Londen (1948) won de middenafstandsloper goud op de 800 meter. In de stromende regen vestigde hij een Olympisch record met een tijd van 1.49,2. Brons en goud volgden de dagen erna op respectievelijk de 400 meter en 4x400 meter estafette.

De oorlog in Korea onderbrak kortstondig zijn loopbaan, maar 27 bombardementen op de communisten en vier jaar later in Helsinki herhaalde de afgezwaaide sergeant zijn kunststukje op de 800 meter. Opnieuw geteisterd door regenval liep hij naar exact dezelfde tijd. Met het estafetteteam veroverde hij zilver, achter Jamaica, en de zesde plaats op de 400 meter was voor Whitfield een indicatie dat het eind van de sportieve carrière naderde. Hij had achttien wereldrecords indoor en outdoor gevestigd.

Twee dollar bedroeg de dagelijkse vergoeding van de Amerikaanse atletiekbond, met de latere IOC-voorzitter Avery Brundage aan het hoofd. 'Slechte voorzitter', stelt Whitfield simpel vast. 'Die redneck deed er alles aan om amateuratleten eronder te houden. Gelukkig kreeg ik steun van mijn familie, die een hotel runde. Daardoor kon ik het hele jaar door de wereld rondreizen. In de zomer naar Europa, 's winters naar Zuid-Amerika.'

De 'laden vol met horloges', die hij bijeen liep, kwamen in zijn nieuwe carrière als diplomaat, met een speciale missie als sport-ambassadeur, reuze handig van pas bij het opbouwen van zijn netwerk. 'Pijnlijk' was het toen in 1968 de Black Panther-beweging in Mexico van zich deed spreken. Zwarte atleten hieven bij de Olympische huldiging de vuist, als symbolische aanklacht tegen het Amerikaans racisme.

Whitfield: 'Ik zat in een lastig parket, omdat ik namens de regering in Kenia werkzaam was en Amerika als de zogenaamde vrije wereld moest verdedigen. De ultieme democratie. Maar ik gaf Tommie Smith en John Carlos gelijk. Het was nodig. Things were still not right. Het vuur moest hoe dan ook brandend worden gehouden. Laat je zelf horen, toon je emoties. In geval van onrechtvaardigheid, probeer het te corrigeren. En dat gebeurde in Mexico.'

Het eind van dat 'eeuwige gevecht' zal Whitfield niet meer meemaken, denkt hij. Anno 1996 is de zwarte bevolking er naar zijn mening zonder meer op vooruitgegaan, maar een volledige opheffing van de segregatie blijft natuurlijk een utopie. 'Je denkt als zwarte dat je vrij bent, maar dat ben je alleen met een economische basis. Geld is macht.'

Atlanta is daarvan een typerend voorbeeld, vindt Whitfield. 'Uitzonderingen daargelaten is de opleving van het Oude Zuiden vooral een economische machtsgreep gebleken. Binnen die ring wordt er alles aan gedaan om de verworven positie te behouden. Mensen die nog niet aan die stap toe zijn, en vaak zijn dat zwarten, zullen dieper weggedrukt worden. De kloof wordt langzaam maar zeker weer groter.'

Whitfield heeft geconstateerd hoezeer Olympisch organisator ACOG aan dat 'verdeel en heers-spelletje' meedoet. 'De hypocrisie domineert in dit commerciële circus. ACOG is te druk bezig met geld verdienen. Alles wat er in economisch opzicht in zit, wordt er deze weken uitgehaald. Maar steek bij het Olympisch stadion de straat over, dan zie je het verschil. Daar zijn ze bereid je overhoop te schieten om niets.'

De wereld is stilaan gek aan het worden, meent Whitfield, ondanks een onverbeterlijk optimisme. Hij komt regelmatig terug in Watts, waar zijn roots liggen maar vrienden en familie allang zijn gestorven of vertrokken, en schrikt van het toenemend geweld onder jongeren en een opwellende haat tussen zwart en blank. Zijn stichting probeert jongeren aan te zetten tot atletiek. 'Misschien creëren ze zo een doel in hun leven.'

Hij voelt zich soms een roepende in de woestijn. De huidige generatie topatleten, van Michael Johnson tot Carl Lewis, heeft ergens in de afgelopen jaren 'de toorts' achtergelaten. 'Het gaat er tegenwoordig om als produkt verkocht te worden. De managers verkopen de levensbeschouwelijke visie. De onderlinge haat overheerst. Ze vertrouwen elkaar niet meer, waar wij juist naar elkaar toetrokken. Maar opgeven, dat nooit.'

Meer over