De wereld kloppend maken

Als het koud was, struinde Theo Meijer met de Mercedes-bus de straten af op zoek naar daklozen. Ook al puilde het tehuis voor onbehuisden uit, hij nam ze mee....

door Ineke Jungschleger

'ALS JULLIE nou niet ophouden bakken we morgenochtend geen eieren', zei Theo Meijer tegen de junken als die elkaar het slapen onmogelijk maakten. Dreigen met de Bijlmerbajes had geen zin. Ze wisten zelf wel dat ze daar ieder moment (weer) terecht konden komen. Verder dan de methadon en het ontbijt van morgenochtend reiken hun gedachten niet. Daar sprak Meijer hun op aan.

De bijna honderd jaar oude Hulp Voor Onbehuisden in Amsterdam begon in de Amsterdamse Bijlmer een nachtopvang voor zwervende verslaafden. Meijer, die in de Amsterdamse binnenstad naam heeft gemaakt met zijn onconventionele aanpak en uithoudingsvermogen, kreeg de opdracht die op te zetten. Hij is er trots op dat de nachtopvang er is, maar baas zijn is niets voor hem. Daarom zit hij sinds twee maanden thuis, met 'een regeling'.

Gepromoveerd tot manager en vervolgens buiten de boot gevallen. En tegelijkertijd door Ypsilon, de vereniging van familieleden van mensen met schizofrenie of psychose, geëerd met een prijs. 'Ik ben niet weggepromoveerd', zegt Meijer. 'Integendeel. Heel veel mensen in de hulpverlening willen graag manager worden. Mij blijkt dat toch niet zo te liggen.'

Datgene wat hem wel ligt, het langdurig begeleiden van chronisch psychiatrische patiënten, is in de fuserende en reorganiserende wereld van de zorg niet meer vanzelfsprekend. De sociale pensions in Amsterdam worden overstroomd door drugsverslaafden, die met hun vaak agressieve gedrag het toch al kwetsbare leven van de andere bewoners bederven.

De Walenburg, het tehuis waar Theo Meijer als social assistent begon en waar hij meer dan een kwarteeuw werkte, herbergt veel psychiatrische patiënten die niet tegen de eenzaamheid van het zelfstandig wonen kunnen. Dat is een gevolg van het beleid tot vermaatschappelijking van de psychiatrische zorg waartoe rond 1980 besloten werd: weg uit het isolement van inrichtingen in de bossen, terug naar de stad.

'In die instellingen was altijd wel wat te praten en te ruziën. Als je de mensen daarvandaan haalt en op zichzelf zet, moet je zorgen dat ze iets te doen hebben. Dat is onvoldoende gebeurd. Met velen van hen kun je geen afspraken maken over op tijd komen en zo. Ze raken het verschil tussen dag en nacht kwijt, betalen de huur niet en worden uit hun woning gezet. Als ze geluk hebben, komen ze in een huis van Hulp Voor Onbehuisden. De statuten van HVO uit 1903 klinken als een klok. Nog steeds. Over psychiatrie wordt niets vermeld want die mensen zag je in die tijd niet, die werden opgesloten.'

In de jaren tachtig begon het op te vallen dat de nieuwe bewoners steeds vaker gestoord gedrag vertoonden. 'We krijgen veel te veel gekken in huis, we zijn geen psychiatrische inrichting', zeiden de andere bewoners. Meijer bekeek dat anders. 'We nemen ze niet op omdat ze psychiatrisch zijn, maar omdat ze dakloos zijn. Ze voldoen aan de statuten. Ze moeten toch ergens terechtkunnen?'

Het grote improviseren begon. De kamertjes waar zeelieden en circusartiesten hun oude dag sleten omdat ze nu eenmaal thuisloos waren, bleken ook soelaas te bieden voor mensen die de stemmen in hun hoofd niet in hun eentje konden verdragen. Meijer zei nooit dat die stemmen er niet waren. Hij vroeg wat ze zeiden en gaf suggesties voor antwoorden. 'Stemmen zijn niet altijd nadelig. Ze kunnen aardig en troostend zijn. Voor sommige mensen is het visite. Als ze medicijnen slikken waardoor de stemmen ophouden, worden ze heel zielig want dan is er geen visite meer. Maar stemmen kunnen ook heel dwingend zijn. Tot zelfdoding toe.'

Uit een sigarenkist vol foto's van klanten en collega's vist hij pasfoto's van mensen die uit het leven stapten. 'Dat went nooit. Het geeft je een tik, voor een paar dagen. Het is een soort familie, je mist ze.'

De eerste keer dat hij het meemaakte, had hij niet eens de kans gehad de cliënt te leren kennen. 'Een meneer die gebracht werd door zijn broer. Ik zei: 'Gaat u maar vast naar boven, de kamer kijken, dan regelen wij ondertussen de inschrijving.' Even later kom ik boven, doe de deur open en zie hem hangen aan een elektriciteitsbuis. Een heel wankel buisje, ik snap nog steeds niet hoe dat kon. Het viel meteen toen we hem eraf haalden.'

Naarmate je de mensen beter kent, is de kans groter dat je suïcide kunt voorkomen, is zijn ervaring. 'Aan kleine dingen zie je vaak dat er een stemmingsverandering aankomt. Dan weet je dat je extra op zo iemand moet letten. Soms moet hij dan voor een tijdje opgenomen worden.'

Een van de succesverhalen van Meijer is dat van de man met doorgesneden polsen. 'Ik liep langs een kamer en verrek, daar stroomde bloed onder de deur door. De bewoner zat doodsbleek op bed met doorgesneden polsen. Ik moest snel iets hebben om die aders af te binden, dus ik keek in zijn kast. Leeg. Alles weggegeven. Dat doen mensen die eruit willen. Ik had een coltruitje aan, met dat tricot kun je niet afbinden, dat rekt. Op de gang heb ik met iemand staan matten voordat ie z'n overhemd afgaf. Die begreep er niks van.'

De meneer met de doorgesneden polsen heeft nog vele jaren geleefd. 'Hij is opgenomen en met medicijnen goed ingesteld. Niks meer aan de hand. Alleen wonen kon hij niet, maar in de Walenburg ging het prima.'

Mensen die hun wanen, angsten en depressies beheersbaar moeten houden met medicijnen, hebben vaak de neiging op te houden met slikken. Omdat ze denken dat het niet meer nodig is, of omdat er iets gebeurt dat hun uit hun evenwicht brengt. Meijer: 'Al is het maar een damsteen die kwijt is. Wij stappen daar overheen, denken dat hij opgestofzuigd is of zo en doen het spel met een steentje minder. Een schizofreen niet. Die is de ordening van de dingen kwijt en kan heel erg van slag raken als er alweer iets bijkomt wat niet klopt.'

Hij is een meester in het vinden van praktische oplossingen om de wereld weer kloppend te maken. Psychiater Hans Vermeulen, manager zorgzaken van de afdeling psychiatrie van het AMC, haalt een voorbeeld aan dat door zijn eenvoud grote indruk op hem maakte. 'Een kok die niet meer kon werken omdat zijn hersenen ernstig beschadigd waren, was in het tehuis vaak onrustig. Hij miste zijn werk. Op een ochtend ging Theo met hem de deur uit, liep een rondje en loodste hem door de achterdeur van het gebouw de keuken binnen. Daar werd hij begroet als de nieuwe kok op wie gewacht werd.' Vanaf die dag bracht de patiënt een aantal uren per dag in de keuken door. Met een koksmuts op, het symbool van zijn waardigheid.

'Je moet altijd kijken wat iemand nog wél kan', is Meijers devies. 'Ieder mens kan wel iets. Daar moet je complimenten over geven, ook al zijn de resultaten nog zo klein. Dagactiviteiten hoeven niet per se nuttig te zijn.' Voorwaarde is dat de omgeving klopt, opdat de patiënt zich niet in de maling genomen voelt. 'Als ik bij die kok gedragsverandering merkte, liet ik in de keuken iets gebeuren, zodat hij daar nodig was. Daarvoor heb je natuurlijk wel een chefkok nodig die dat aanvoelt. Die hadden we.'

Vermeulen: 'De creatieve oplossingen waar Meijer zo goed in is, gelden officieel als onethisch. Hij handelt soms onethisch, in het belang van de patiënt. Ik zou dat niet kunnen doen. Als dokter moet je volgens de wet de patiënt voorlichten: wat is er aan de hand en wat is daaraan te doen? Je hebt een aantal mogelijkheden: dit kan wel, dat kan niet. De creativiteit van Theo Meijer komt voort uit betrokkenheid. Als het koud was ging hij met de Mercedes-bus de straat op. Ook al was de Walenburg vol, hij nam de mensen die er slecht aan toe waren mee en zorgde dat ze warm de nacht doorkwamen.'

Nu zitten bijna overal managers die zeggen: vol is vol. Onze kwaliteitsnorm laat niet toe dat iemand op een stoel slaapt. 'Ik zal niet zeggen dat je altijd flexibel kunt zijn', zegt Vermeulen. 'Natuurlijk moet je voldoen aan je verplichting en genoeg ruimte vrijhouden voor patiënten uit de regio die je moet bedienen. Wat mezelf betreft: ik heb bijzondere afspraken met Theo kunnen maken die haaks stonden op de regels. Als Theo zei: 'Dit is iemand die acuut opgenomen moet worden, die moeten we niet terugsturen naar zijn regio', dan ging ik er gewoon op in. Zwervers houden zich nu eenmaal per definitie niet aan de grenzen van een regio. En iemand met zo'n ervaring als Theo brengt geen patiënten binnen voor wie het niet echt nodig is. Die fungeert zelf als zeef.'

Rokus Lopik, sociaal psychiatrisch verpleegkundige en hoofd van het Amsterdamse rehabilitatie-team dat thuisloze patiënten moet helpen het leven weer op te pakken, heeft zijn raad van bestuur gevraagd Theo Meijer in te zetten. 'Hij is erg goed in het verzinnen van manieren om iemands gevoel van zelfrespect op te krikken. Hij brengt je op ideeën waarvan je denkt: ik kon dit niet verzinnen omdat ik te veel theoretische bagage heb. Als iemand paranoïde wordt van een lekkende kraan, moet je een waterpomptang halen en het rubber dopje vernieuwen, zodat die kraan niet meer lekt. Als leerling-verpleegkundige leer je in diagnoses te denken en in medicatie. Theo is iemand die je er weer heel bewust van maakt dat het om mensen gaat.'

Iemand het etiket opplakken van psychiatrische patiënt en hem vervolgens met pillen in zijn sop laten gaarkoken is niet de oplossing. 'De kunst is nu om langdurige begeleiding voor chronische patiënten te organiseren', zegt Lopik. 'Als je vijf jaar met iemand omgaat, ken je de nuances en zie je wanneer het fout kan gaan. Er zijn altijd voorbodes, herkenbare symptomen van een ziekte. Je kunt voorkomen dat het erg wordt door iemand voor korte tijd te laten opnemen.'

Hoe die langdurige begeleiding van chronische patiënten in Amsterdam georganiseerd moet worden, staat nog in de sterren. De wethouder van Sociale Zaken, G. ter Horst, gaat ervan uit dat er genoeg geld en voorzieningen zijn en dat er geen patiënten in nood over straat hoeven lopen als de instellingen bereid zijn over hun eigen hek heen te kijken.

Lopik is een van de teamleiders die wacht op het resultaat van de inventarisatie waartoe Ter Horst vorig jaar opdracht gaf. En Theo Meijer, geëerd met een nominatie voor de kwaliteitsprijs Schizofrenie 2000, zit thuis met een doos foto's van voormalige cliënten.

'Kijk', zegt hij, 'deze meneer had een tijd een onzichtbare hond. Een vriendelijke, oude man met een kampsyndroom. Hij werd kwaad als iemand tussen hem en z'n hond door liep, dat gaf veel misverstanden. Ik deed van begin af aan of ik de hond zag. Ik ging hem af en toe mee uitlaten en ik heb ook eens kluifjes voor hem gekocht. Op een gegeven moment zei die meneer: 'Het lijkt wel of ie doorzichtig wordt. Zie jij dat ook?' Korte tijd later was de hond er niet meer. Toen kon die meneer met mij mee naar de Bijenkorf, boodschappen doen. Dat kon eerst niet, die hond mocht daar niet in. Ik geloof dat ik een beetje in de plaats van de hond gekomen was.'

Meer over